Centrale Raad van Beroep, 18-12-2015 / 14-3622 WAO


ECLI:NL:CRVB:2015:4763

Inhoudsindicatie
Zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek. Verder heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat de beperkingen neergelegd in de FML de belastbaarheid van appellante juist weergeven. Gelet op wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd en de in het dossier aanwezige informatie, is er geen aanleiding te twijfelen aan de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat er geen sprake is van toegenomen beperkingen. Aan een arbeidskundige beoordeling wordt niet toegekomen, vaste rechtspraak.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-18
Publicatiedatum
2015-12-28
Zaaknummer
14-3622 WAO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/3622 WAO

Datum uitspraak: 18 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

19 mei 2014, 13/7343 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. S.G.C. van Ingen hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2015. Partijen zijn, met voorafgaand bericht, niet verschenen.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante was laatstelijk werkzaam als keukenhulp/schoonmaakster. Haar is per

26 september 2001 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij besluit van 21 december 2005 heeft het Uwv de WAO-uitkering van appellante met ingang van 20 februari 2006 ingetrokken, omdat zij minder dan 15% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 5 juni 2007 is het daartegen gerichte beroep ongegrond verklaard. Tegen deze uitspraak is geen hoger beroep ingesteld.


1.2.

Vanuit de situatie dat appellante een uitkering ontving op grond van de Werkloosheidswet heeft zij zich op 4 mei 2009 ziek gemeld, in verband met toegenomen klachten. Vervolgens is appellante een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend.


1.3.

Bij besluit van 30 juni 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 2 mei 2011 geen recht op een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat zij minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 14 maart 2012 is het daartegen gerrichte beroep ongegrond verklaard. Het tegen deze uitspraak ingestelde hoger beroep heeft appellante ingetrokken.


1.4.

Bij besluit van 6 februari 2013 heeft het Uwv appellante met ingang van 1 juni 2009 een uitkering toegekend ingevolge de WAO, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15 tot 25%. Daaraan ligt het standpunt van het Uwv ten grondslag dat appellante binnen vijf jaar nadat de eerdere WAO-uitkering is beëindigd, arbeidsongeschikt is geworden door dezelfde ziekteoorzaak. De WAO-uitkering gaat daarom vier weken nadat zij ziek is geworden in. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 31 juli 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3.1.

In hoger beroep heeft appellante, onder verwijzing naar hetgeen zij in beroep en bezwaar heeft aangevoerd, betoogd dat het dossier incompleet is, gedingstuk 17 ontbreekt. Ten onrechte zijn de verzekeringsgeneeskundige rapporten opgemaakt in het kader van de Wet WIA wel meegenomen, maar de rapporten in het kader van de ZW niet. Terwijl de

ZW-beoordeling dichter bij de datum in geding heeft plaatsgevonden.

De ZW-verzekeringsartsen hebben appellante zwaarder beperkt geacht. In onderhavige procedure heeft het Uwv appellantes psychische en lichamelijke beperkingen voor het verrichten van arbeid onderschat. Een urenbeperking is aangewezen. De voor appellante geselecteerde voorbeeldfuncties zijn voor haar niet geschikt. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante een brief van I-psy van 10 april 2012 en informatie van de huisarts en de internist overgelegd.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

In geschil is uitsluitend de vraag of er sprake is van een toeneming van appellantes beperkingen in de zin van artikel 43a van de WAO.


4.2.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het Uwv een zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek heeft verricht. Alle door appellante naar voren gebrachte klachten, de onderzoeksbevindingen van de verzekeringsartsen en de in het dossier aanwezige informatie van de behandelend sector zijn op een deugdelijke en kenbare wijze betrokken bij de beoordeling door de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Met juistheid is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat niet is gebleken dat de verzekeringsartsen aspecten van de gezondheidstoestand van appellante niet hebben beoordeeld. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft dossieronderzoek verricht, de hoorzitting bijgewoond en een oriënterend psychisch onderzoek bij appellante verricht. Naar aanleiding van een vraag van de rechtbank heeft deze arts nader toegelicht hoe tot de vastgestelde beperkingen is gekomen. Terecht heeft de rechtbank het niet zonder meer onzorgvuldig geacht dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn conclusies is afgeweken van de conclusies van de ZW-verzekeringsarts en dat is aangesloten bij de conclusies van de rapporten opgemaakt in het kader van de Wet WIA. Voorts heeft de rechtbank er op gewezen dat de verzekeringsarts in het kader van de Wet WIA in zijn rapport van 20 juni 2011 zich ook heeft uitgelaten over de datum hier in geding. In hetgeen door appellante in hoger beroep is aangevoerd is geen aanleiding gelegen om anders dan de rechtbank te oordelen over de zorgvuldigheid van het verzekeringsgeneeskundig onderzoek.


4.3.

Voorts heeft de rechtbank met juistheid overwogen dat de beperkingen neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) de belastbaarheid van appellante juist weergeven. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft geconcludeerd dat er geen aanwijzingen zijn voor toegenomen beperkingen per datum in geding. De FML is een juiste weergave van appellantes psychische en lichamelijke belastbaarheid en haar belastbaarheid in uren. De verzekeringsarts bezwaar en beroep vermeldt dat de ZW-verzekeringsartsen meer beperkingen hebben aangenomen in verband met de beenklachten, de duizeligheid en de psyche zonder medische onderbouwing. Appellante heeft beperkte afwijkingen aan haar benen. Het is vooral van belang dat statische belasting vermeden wordt, maar voor het overige moet appellante zichzelf vooral normaal belasten en actief zijn. Door te bewegen en goed gebruik van de steunkousen is het vocht in de benen goed te bestrijden. Voor de evenwichts- en duizeligheidsklachten, verband houdend met de schildklieraandoening en het ijzertekort, krijgt appellante al jarenlang ongewijzigd medicatie van de huisarts. De ZW-verzekeringsarts had in verband met deze klachten appellante beperkt geacht op traplopen en gevaarlijke machines bedienen. Volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep voelt appellante de duizeligheid echter aankomen, daarom is er geen noodzaak in verband daarmee meer beperkingen aan te nemen. Appellante is aangewezen op werk zonder verhoogd persoonlijk risico. Ten aanzien van de psychische problematiek wijst deze arts er op dat bij eigen onderzoek geen psychische pathologie is geconstateerd. Voorts was appellante rond de datum in geding niet onder behandeling van een psycholoog of psychiater. De verzekeringsarts bezwaar en beroep merkt terecht op dat appellante noch in bezwaar, noch in beroep informatie heeft overgelegd waaruit zou blijken dat deze conclusies onjuist zijn. Ook uit de in hoger beroep overgelegde informatie van de huisarts en van de internist en de brief van I-psy van

10 april 2012 blijkt niet dat appellante ten tijde van de datum in geding onder behandeling was, of dat er meer beperkingen waren. De informatie van de huisarts betreft een huisartsjournaal vanaf 23 november 2011 en een brief van de internist van 28 juli 2015. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft er terecht op gewezen dat deze gegevens geen informatie bevatten die betrekking heeft op de datum hier in geding. Gelet op hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd en de in het dossier aanwezige informatie, is er geen aanleiding te twijfelen aan de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat er geen sprake is van toegenomen beperkingen.


4.4.

In zijn rechtspraak met betrekking tot artikel 43a, eerste lid, van de WAO heeft de Raad geoordeeld dat die bepaling geen regeling inhoudt van een toename van arbeidsongeschiktheid in algemene zin, doch naar bewoordingen en bedoeling uitsluitend ziet op die situaties waarin sprake is van een toename van de medische beperkingen die ten grondslag hebben gelegen aan de eerdere beoordeling van de aanspraak op uitkering. Indien van een zodanige toename niet kan worden gesproken, wordt aan de beoordeling van de arbeidskundige aspecten niet meer toegekomen. Slechts indien zich zulk een toename wel heeft voorgedaan, dient ter beoordeling of, en zo ja in welke omvang, die toename van beperkingen ook leidt tot een toename van arbeidsongeschiktheid, de arbeidskundige component in ogenschouw te worden genomen. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van 8 juni 2007 (ECLI:NL:CRVB:2007:BA7344). Gelet daarop wordt niet toegekomen aan een beoordeling van de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit.


4.5.

Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.4 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2015.




(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen




(getekend) N. Veenstra



NK