Centrale Raad van Beroep, 19-02-2015 / 13-2948 WUBO


ECLI:NL:CRVB:2015:477

Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek om herziening van de in het besluit van 13 januari 2010 vervatte weigering om verzoeker een periodieke uitkering te verstrekken. Geen medische onderbouwing uit de tijd van de werkbeëindiging.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-19
Publicatiedatum
2015-02-24
Zaaknummer
13-2948 WUBO
Procedure
Eerste en enige aanleg
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/2948 WUBO

Datum uitspraak: 19 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (verweerder)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. Y.J.K. Meulemans, advocaat, beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 25 april 2013, kenmerk BZ01552641 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 januari 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. R.S.S. IJff, advocaat. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren in 1938 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in 2004 een aanvraag ingediend om te worden erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo en als zodanig in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering en/of voorzieningen op grond van die wet. Bij besluit van 17 januari 2007 is gehandhaafd het standpunt van verweerder dat appellant wel is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo, maar dat geen sprake is van blijvende invaliditeit door dit oorlogsgeweld. Op die grond is geweigerd aan appellant een toeslag op grond van artikel 19 van de Wubo, een periodieke uitkering en/of voorzieningen te verstrekken.


1.2.

In juli 2009 heeft appellant een hernieuwde aanvraag ingediend en verzocht om herziening van de onder 1.1 genoemde weigering vanwege verergering van zijn psychische klachten.


1.3.

Bij besluit van 13 januari 2010 is nu wel blijvende invaliditeit in de zin van de Wubo aanwezig geacht op grond van de psychische klachten van appellant. Aan hem zijn met ingang van 1 juli 2009 toegekend de toeslag ter verbetering van de levensomstandigheden, een garantie-uitkering, vergoeding van huishoudelijke hulp, vergoeding van niet gedekte medische kosten in verband met zijn psychische klachten, een vergoeding van vervoer voor medische behandelingen en/of consulten in verband met zijn psychische klachten en een tegemoetkoming in de kosten van deelname aan het maatschappelijk verkeer. Op de aanvraag om een periodieke uitkering en een vergoeding van niet gedekte medische kosten in verband met de rugklachten van appellant is afwijzend beslist. Het besluit van 13 januari 2010 is na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 19 juli 2010. Bij uitspraak van 19 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1325, heeft de Raad het beroep van appellant tegen het besluit van 19 juli 2010 ongegrond verklaard.


1.4.

Op 16 juli 2012 heeft appellant verzocht om herziening van de in het besluit van

13 januari 2010 vervatte weigering om hem een periodieke uitkering te verstrekken. Op

24 oktober 2012 is op dit verzoek afwijzend beslist. Appellant heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.


2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


2.1.

Op grond van artikel 61, derde lid, van de Wubo is verweerder bevoegd op daartoe door een belanghebbende gedane aanvraag een door hem gegeven beschikking in het voordeel van de bij die beschikking betrokkene te herzien. Gelet op het karakter van deze discretionaire bevoegdheid, kan de Raad het bestreden besluit slechts terughoudend toetsen. Daarbij staat centraal de vraag of appellant bij zijn verzoek om herziening dan wel in bezwaar nieuwe feiten of gegevens heeft aangevoerd die verweerder bij de besluitvorming over de eerdere aanvragen niet bekend waren en waarin verweerder aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan.


2.2.

Appellant heeft wederom aangevoerd dat het beëindigen van zijn werkzaamheden in 2002 een gevolg is geweest van zijn door zijn oorlogservaringen ontstane psychische klachten. In zijn uitspraak van 19 januari 2012 heeft de Raad appellant niet in dat standpunt gevolgd. De Raad heeft geoordeeld dat, gezien de door appellant in het verleden afgelegde verklaringen over de redenen voor zijn werkbeëindiging en in aanmerking genomen dat nog in 2006 is vastgesteld dat toen geen sprake was van blijvende invaliditeit door de psychische klachten, de door hem in bezwaar overgelegde verklaring van de manager van [bedrijf] en de korte verklaring van dr. Hossam Nasef van 15 maart 2010 onvoldoende gewicht in de schaal leggen.


2.3.

Thans verstrekt appellant verklaringen van een aantal particuliere personen, verklaringen van de directeur van[bedrijf], een behandelschema van de GGZ Eindhoven over de periode 2009-2012, en een nadere verklaring van dr. Hossam Nasef. Deze informatie maakt niet dat de door de Raad gegeven afweging zoals weergegeven onder 2.2 thans anders zou moeten uitvallen. Medische gegevens uit de periode van de werkbeëindiging zijn nog steeds niet voorhanden. Dat wordt niet anders doordat in het kader van de besluitvorming uit 2010 door verweerder geen nadere informatie werd opgevraagd bij dr. Nasef. De nadere verklaring die dr. Nasef in 2011 op verzoek van appellant heeft opgesteld is inhoudelijk in lijn met zijn verklaring uit 2010, behelst evenmin als de andere thans door appellant overgelegde verklaringen enige concrete medische onderbouwing uit de tijd van de werkbeëindiging en geeft ook geen blijk van beschikbaarheid van dergelijke informatie. Dat de Raad in zijn uitspraak van 19 januari 2012 aan de medische beoordeling uit 2006 doorslaggevende betekenis heeft toegekend, heeft dus niets aan relevantie ingeboet.


2.4.

Het besluit van verweerder om niet tot herziening over te gaan kan de terughoudende toetsing van de Raad doorstaan. Het beroep is ongegrond.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en

B.J. van de Griend als leden, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2015.




(getekend) A. Beuker-Tilstra




(getekend) E. Heemsbergen




HD