Centrale Raad van Beroep, 23-12-2015 / 14/5093 WTCG


ECLI:NL:CRVB:2015:4774

Inhoudsindicatie
Appellant en zijn partner hebben in 2011 minder dan 26 weken huishoudelijke verzorging ontvangen. Appellant behoort daarom niet tot de kring van degenen die omschreven zijn als rechthebbenden voor de tegemoetkoming op grond van de Wtcg. Daarbij is niet van belang dat er bijzondere omstandigheden zijn geweest op grond waarvan zij feitelijk geen gebruik hebben gemaakt van de geïndiceerde huishoudelijke verzorging.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-23
Publicatiedatum
2015-12-29
Zaaknummer
14/5093 WTCG
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/5093 WTCG

Datum uitspraak: 23 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 29 juli 2014, 14/2792 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

CAK



PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.M.T. Korff hoger beroep ingesteld.


CAK heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft tezamen met de zaak van appellant met kenmerk

14/6923 WTCG plaatsgevonden op 14 oktober 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door

mr. Korff. CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.W.M. Boelee.



OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant is in 2011 met zijn partner [naam partner] (de partner) verhuisd van Amsterdam naar Den Haag. Hij voert met zijn partner een gezamenlijke huishouding.


1.2.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam heeft ten behoeve van de partner hulp bij het huishouden op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) toegekend, voor de laatste maal voor de periode 4 augustus 2010 tot en met 3 augustus 2015. Bij dit besluit heeft het college in aanmerking genomen dat appellant door somatische klachten problemen heeft met zware huishoudelijke werkzaamheden en deze niet kan overnemen.


1.3.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag heeft op

29 november 2011 op naam van de partner op grond van de Wmo hulp bij het huishouden toegekend in de vorm van zorg in natura voor de periode 29 november 2011 tot en met

24 november 2013. Het college heeft in een besluit van 26 september 2014 op naam van de partner verklaard dat het besluit van 29 november 2011 tevens betrekking heeft op appellant.


1.4.

CAK heeft de partner op grond van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg) voor het jaar 2011 een tegemoetkoming toegekend op grond van andere criteria dan het gebruik van een voorziening voor huishoudelijke hulp.


1.5.

CAK heeft appellant op grond van de Wtcg voor de jaren 2009 en 2010 op aanvraag een tegemoetkoming toegekend in verband met het gebruik maken van Wmo-geïndiceerde huishoudelijke hulp. CAK heeft op 1 december 2013 deze aanvraag voor het jaar 2011 afgewezen.


1.6.

In zijn bezwaarschrift heeft appellant vermeld dat zijn partner en hij in de eerste drie maanden en de maand december van 2011 hulp in de huishouding hebben ontvangen. In de tussenliggende periode hebben zij hiervan geen gebruik gemaakt in verband met verwikkelingen rond de verhuizing.


1.7.

Bij beslissing op bezwaar van 24 februari 2014 (bestreden besluit) heeft CAK het bezwaar tegen het besluit van 1 december 2013 ongegrond verklaard. Daaraan heeft CAK ten grondslag gelegd (voor zover nu van belang) dat de indicatiebesluiten en de toekenningsbeschikkingen voor huishoudelijke hulp op naam staan van de partner en dat niet van belang is dat beiden gebruik maken van die vorm van zorg.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank geoordeeld dat de partner recht had op huishoudelijke hulp in natura en dat de indicatie uitsluitend is afgegeven op naam van de partner. De wettelijke bepalingen bieden geen ruimte om de tegemoetkoming op grond van de Wtcg aan iemand anders toe te kennen dan aan degene aan wie een indicatie is toegekend. De gang van zaken rond de behandeling van de aanvraag voor 2011 en tijdens de bezwaarfase hebben niet het te honoreren vertrouwen gewekt dat appellant een tegemoetkoming zou ontvangen en hetzelfde geldt voor de onjuiste beoordeling bij de toekenning voor voorgaande jaren.


3. In hoger beroep hebben partijen hun in beroep ingenomen stelling herhaald en nader onderbouwd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Artikel 2, eerste lid, van de Wtcg (tekst 2011) luidt, voor zover van belang, als volgt:


“1. Iemand heeft jaarlijks recht op een bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen tegemoetkoming, indien hij behoort tot een bij of krachtens die maatregel te bepalen groep van personen: (…)

c. die gebruik maken van een individuele voorziening, die beoogt hen in staat te stellen een huishouden te voeren als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Wet maatschappelijke ondersteuning.”


4.2.

De in de Wtcg genoemde algemene maatregel van bestuur is het Besluit tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Btcg). Artikel 2, van het Btcg (tekst 2011) luidt, voorzover van belang, als volgt:


“1. De tegemoetkoming, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de wet, bedraagt € 308,- indien de rechthebbende in het kalenderjaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft, jonger was dan 65 jaar (…) en:

(…)

h. in dat jaar al dan niet aaneengesloten 26 weken of meer gedurende één tot tien uren per week in natura huishoudelijke verzorging als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Wet maatschappelijke ondersteuning heeft ontvangen of daartoe op grond van een indicatiebesluit was aangewezen en een persoonsgebonden budget heeft ontvangen, met dien verstande dat voor het vaststellen van de periode van

26 weken wordt aangesloten bij de indeling in weken als bedoeld in artikel 4.1, derde lid, van het Besluit maatschappelijke ondersteuning, (…)”


4.3.

Zoals appellant heeft verklaard in zijn bezwaarschrift hebben zijn partner en hij in 2011 minder dan 26 weken huishoudelijke verzorging ontvangen. Hij behoort daarom niet tot de kring van degenen die omschreven zijn als rechthebbenden voor de tegemoetkoming op grond van de Wtcg. Daarbij is niet van belang dat er bijzondere omstandigheden zijn geweest op grond waarvan zij feitelijk geen gebruik hebben gemaakt van de geïndiceerde huishoudelijke verzorging.


4.4.

In hoger beroep heeft appellant zijn in beroep aangevoerde gronden met betrekking tot de schending van het vertrouwensbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel herhaald. De Raad sluit zich met betrekking tot deze gronden aan bij het oordeel van de rechtbank en zal de uitspraak van de rechtbank bevestigen.


5. De Raad ziet, gelet op de uitkomst van de procedure, geen reden CAK te veroordelen tot vergoeding van schade. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • - wijst het verzoek om schadevergoeding af.


Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en H.J. de Mooij en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2015.




(getekend) J. Brand




(getekend) I. Mehagnoul


UM