Centrale Raad van Beroep, 23-12-2015 / 14-2339 WSF


ECLI:NL:CRVB:2015:4788

Inhoudsindicatie
Hoogte van de maandelijkse terugbetalingsverplichting.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-23
Publicatiedatum
2015-12-29
Zaaknummer
14-2339 WSF
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/2339 WSF

Datum uitspraak: 23 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van

20 maart 2014, 13/2508 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. N. Köse-Albayrak, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift en (desgevraagd) nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Köse-Albayrak. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber.

OVERWEGINGEN


1.1.

Voor appellant, wiens recht op studiefinanciering op 31 augustus 2009 is geëindigd, is op 1 januari 2012 de aflosfase van zijn studieschuld gestart.


1.2.

Bij Bericht Terugbetalen 2012 van 6 november 2012 is de draagkracht van appellant met ingang van 1 januari 2013 vastgesteld op € 353,12 per maand. Meegedeeld is dat appellant begin januari een Bericht ontvangt waarin wordt vermeld hoeveel hij moet betalen.


1.3.

Bij Bericht Terugbetalen 2013 van 6 januari 2013 is appellant meegedeeld dat zijn schuld uit lening op 1 januari 2013 € 45.120,26 bedraagt en dat hij vanaf die datum € 315,73 per maand moet terugbetalen.


1.4.

Appellant heeft bezwaar gemaakt tegen het Bericht Terugbetalen 2013 voor wat betreft de hoogte van de maandelijkse terugbetalingsverplichting.


1.5.

Bij besluit van 22 maart 2013 (bestreden besluit) heeft de minister het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. De minister heeft daartoe het volgende gesteld. Het bedrag van € 315,73 is het wettelijke termijnbedrag. Dit bedrag is gebaseerd op de hoogte van de lening, de periode dat er nog moet worden afgelost en de nog te berekenen rente. Omdat het wettelijke termijnbedrag lager is dan het bedrag dat appellant op grond van zijn draagkracht zou kunnen terugbetalen moet hij met ingang van 1 januari 2013 het wettelijke termijnbedrag betalen. Verwezen is naar hoofdstuk 10a juncto hoofdstuk 6 van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000), in het bijzonder de artikelen 10a.3, 10a.6 en 6.5.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is het volgende overwogen. Op grond van artikel 7.3 van de Wsf 2000 bestond er voor de minister geen wettelijke verplichting om appellant te horen. Gelet op de in bezwaar geschetste omstandigheden bestond er voor de minister ook geen noodzaak om appellant te horen vanuit het oogpunt van een zorgvuldige voorbereiding van het bestreden besluit. De minister heeft verder in beroep voldoende toegelicht op welke wijze de vastgestelde draagkracht van € 353,12 per maand is berekend en in wat appellant naar voren heeft gebracht wordt geen aanleiding gevonden voor twijfel aan de juistheid van het vastgestelde bedrag. Omdat de draagkracht van appellant hoger is dan het wettelijke termijnbedrag van € 315,73 per maand is de maandelijkse terugbetalingsverplichting, gelet op het bepaalde in artikel 10a.7, vierde lid, van de Wsf 2000, terecht vastgesteld op het wettelijke termijnbedrag.


3. Appellant heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Herhaald wordt dat appellant ten onrechte niet in bezwaar is gehoord. Volgens de wetsgeschiedenis van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) dienen de afdelingen 7.1 en 7.2 van de Awb te gelden voor alle bezwaarschriftprocedures. De bijzondere regelgeving behoort de toepasselijkheid daarvan niet uit te sluiten. Verder wordt aangevoerd dat het bestreden besluit in strijd is met artikel 7:11 van de Awb en dat de draagkracht van appellant ten onrechte is vastgesteld met toepassing van artikel 10a.8 van de Wsf 2000 nu appellant niet valt onder de reikwijdte van hoofdstuk 10a van de Wsf 2000. Indien de draagkracht van appellant wordt berekend volgens de nieuwe regels op de website van de minister dan levert dit een aanmerkelijk lager bedrag aan draagkracht, en dientengevolge een lagere terugbetalingsverplichting, op. Subsidiair wordt gesteld dat indien artikel 10a.8 van de Wsf 2000 wel van toepassing wordt geacht niet duidelijk is hoe het bedrag van de draagkracht van appellant exact is berekend omdat de berekening van de draagkrachtvrije voet van appellant niet voldoende inzichtelijk is gemaakt.


4. De Raad oordeelt als volgt.


4.1.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat er voor de minister geen verplichting bestond tot het horen van appellant in de bezwaarfase. Artikel 7:2, eerste lid, van de Awb is ingevolge artikel 7.3 van de Wsf 2000 niet van toepassing op de onderhavige besluitvorming. Deze keuze is door de wetgever uitdrukkelijk gemaakt bij de Aanpassingswet Awb I

(Stb. 1992/422), waarbij de bijzondere wetten, zoals de Wet op de studiefinanciering

(de voorganger van de Wsf 2000), zijn aangepast aan de bepalingen in de eerste tranche van de Awb. Verwezen wordt naar kamerstukken II 1990/91, 22 061, nr. 3, p. 61 en kamerstukken II, 1999/00, 26 873, nr. 3, p. 67. Het bestreden besluit is voorts niet in strijd met artikel 7:11 van de Awb nu de minister bij het bestreden besluit heeft beslist op wat in de, als bezwaarschrift opgevatte, e-mail van 25 januari 2013 is aangevoerd tegen het Bericht Terugbetalen 2013 van 6 januari 2013.


4.2.1.

Ten tijde hier aan de orde zijn de regels over de aflossing van de studieschuld in de

Wsf 2000 gewijzigd. Hoofdstuk 10a bevat de oude terugbetalingsregels en in hoofdstuk 6 zijn de nieuwe terugbetalingsregels opgenomen. Onder welk regime een debiteur valt wordt bepaald door de artikelen 10a.1 en 10a.2 van de Wsf 2000.


4.2.2.

Appellant heeft vóór het studiejaar 2009-2010 (voor het eerst) studiefinanciering ontvangen en hij heeft voor aanvang van de aflosfase op 1 januari 2012 geen aanvraag bij de minister ingediend om zijn schuld af te lossen op grond van hoofdstuk 6 van de Wsf 2000. Dit brengt met zich dat ingevolge het bepaalde in de artikelen 10a.1 en 10a.2 van de Wsf 2000 de wettelijke grondslag voor de terugbetalingsverplichting van appellant is gelegen in hoofdstuk 10a, en de op grond van artikel 10a.3 van overeenkomstige toepassing verklaarde artikelen 6.1 tot en met 6.6, 6.8, 6.12, en 6.14 tot en met 6.17 van hoofdstuk 6 van de Wsf 2000. De minister heeft zijn bestreden besluit dan ook gebaseerd op de juiste wettelijke grondslag.


4.3.

De Raad is van oordeel dat het bestreden besluit in het licht van hetgeen door appellant in bezwaar is aangevoerd van een voldoende motivering is voorzien. Met het verweerschrift van 3 juni 2013 en de desgevraagd in hoger beroep verstrekte gegevens die ten grondslag liggen aan de voor appellant voor de berekening van de draagkracht voor 2013 in aanmerking genomen draagkrachtvrije voet, heeft de minister, in reactie op wat door appellant in beroep en in hoger beroep is aangevoerd, afdoende inzichtelijk gemaakt hoe het maandbedrag van de draagkracht van appellant voor 2013 met toepassing van artikel 10a.8 van de Wsf 2000 is berekend. De Raad ziet voorts geen reden om de vaststelling van de draagkracht van appellant voor 2013 op een bedrag van € 353,12 voor onjuist te houden. De Raad onderschrijft dan ook het oordeel van de rechtbank dat de minister bij het bestreden besluit de maandelijkse terugbetalingsverplichting van appellant gelet op het bepaalde in artikel 10a.7, vierde lid, van de Wsf 2000 terecht heeft vastgesteld op het wettelijke termijnbedrag.


4.4.

Uit 4.1 tot en met 4.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.


5. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J. Brand, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2015.




(getekend) J. Brand




(getekend) N. Veenstra





IJ