Centrale Raad van Beroep, 19-02-2015 / 13-2663 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:479

Inhoudsindicatie
Ontslag. Vrijwilliger bij de brandweer. Het dagelijks bestuur heeft zich ingespannen om de organisatorische bezwaren bij appellant weg te nemen en van medische belemmeringen om aan het werk te gaan is niet gebleken. Toen appellant vervolgens geen gehoor gaf aan een oproep, was de conclusie gerechtvaardigd dat een impasse was ontstaan. Van het dagelijks bestuur kon voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet worden verwacht.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-19
Publicatiedatum
2015-02-24
Zaaknummer
13-2663 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/2663 AW

Datum uitspraak: 19 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

9 april 2013, 12/5260 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het dagelijks bestuur van de Veiligheidsregio Amsterdam-Amstelland (dagelijks bestuur)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. ir. B.J.M. Vernooij hoger beroep ingesteld.

Het dagelijks bestuur heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 december 2014. Appellant is in persoon verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M. Wijnhoven en K.A.M. van der Kaaden.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant is sinds 3 november 1987 werkzaam geweest als vrijwilliger bij de Brandweer Amsterdam-Amstelland en was belast met zogenoemde niet-repressieve werkzaamheden.


1.2.

Tijdens een uitruk op 10 september 2008 hebben appellant en de ploegleider chauffeurs een woordenwisseling gehad over de gang van zaken binnen de brandweer. Op

19 september 2008 vond over dit incident een gesprek plaats tussen appellant, een coördinator en een personeelsadviseur. Van dit gesprek is een verslag opgemaakt, dat door appellant is getekend. In dit verslag is opgenomen dat appellant nog eens rustig moet nadenken over het vrijwilligerswerk en dat als hij door wil moet accepteren dat de organisatie anders georganiseerd is. Aan appellant is naar aanleiding van het incident een waarschuwing gegeven.


1.3.

In 2009 zijn partijen gestart met mediation, waarbij appellant heeft deelgenomen aan een zestal gespreken. Ook heeft appellant een gesprek gehad met een vertrouwenspersoon.


1.4.

Op 14 april 2010 heeft appellant een gesprek gehad met een coördinator van de brandweer en een beleidsadviseur van de afdeling Personeel en Organisatie. In dit gesprek heeft appellant te kennen gegeven fysieke klachten te hebben. In een e-mail van 29 april 2010 aan een coördinator bij de brandweer heeft appellant in krachtige bewoordingen zijn ongenoegen kenbaar gemaakt over de organisatie. Om uitsluitsel te krijgen over de inzetbaarheid van appellant vanwege de fysieke klachten, heeft het dagelijks bestuur advies gevraagd aan de bedrijfsarts. De bedrijfsarts heeft op 25 januari 2011, na onderzoek waarbij appellant op het spreekuur is verschenen, geconcludeerd dat hij geen fysieke medische beperkingen heeft kunnen vinden die appellant zouden belemmeren om zijn werkzaamheden bij de brandweer te kunnen doen.


1.5.

In maart 2011 heeft het dagelijks bestuur appellant opgeroepen voor een uitruk, waaraan hij geen gehoor heeft gegeven.


1.6.

Na een voornemen daartoe, heeft het dagelijks bestuur appellant bij besluit van

14 februari 2012 ongevraagd ontslag verleend op grond van artikel 42, eerste lid, onder h, van de Aanvullende Rechtspositieregeling Brandweer Amsterdam-Amstelland (ABRAA). De ABRAA is gebaseerd op hoofdstuk 19 van de Collectieve Arbeidsvoorwaardenregeling/Uitwerkingsovereenkomst (CAR/UWO). Het dagelijks bestuur heeft dit besluit, na bezwaar, gehandhaafd bij besluit van 12 september 2012 (bestreden besluit). Aan deze besluitvorming is ten grondslag gelegd dat sprake is van een impasse die niet meer te doorbreken is. Er is een verschil van mening over diverse organisatorische aangelegenheden, dat in gesprekken niet kon worden opgelost. Appellant heeft in maart 2011 geen gehoor gegeven aan een oproep voor een uitruk, vanwege fysieke medische belemmeringen. De bedrijfsarts heeft het bestaan van die belemmeringen echter niet kunnen constateren.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft op hierna te bespreken gronden hoger beroep ingesteld.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 7 april 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK0290) kan een ontslaggrond als deze worden toegepast als een in de loop der tijd ontstane impasse in de weg staat aan vruchtbare verdere samenwerking en voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet van het bestuursorgaan kan worden verlangd.


4.2.

Appellant betwist dat er aanleiding was om hem ontslag te verlenen wegens een impasse. Hij heeft naar voren gebracht dat hij bezwaren had tegen de wijze waarop het werk werd georganiseerd en tegen de manier van leidinggeven. Het dagelijks bestuur had meer moeten doen om aan deze bezwaren tegemoet te komen. Appellant wordt hierin niet gevolgd. Uit de gedingstukken komt naar voren dat het dagelijks bestuur over een langere periode diverse pogingen heeft ondernomen om deze bezwaren weg te nemen, waaronder een zestal mediationgesprekken. Appellant heeft er vervolgens blijk van gegeven, onder meer in de

e-mail van 29 april 2010, te volharden in zijn onverzoenlijke opstelling.


4.3.

Voorts heeft appellant aangevoerd dat hij aan de oproep voor de uitruk in maart 2011 geen gehoor kon geven vanwege medische beperkingen. Deze beperkingen zijn ontstaan door zijn betrokkenheid bij de Bijlmerramp in 1992. De bedrijfsarts heeft dit ten onrechte niet opgemerkt. Dit betoog kan appellant niet baten, aangezien hij dit betoog niet heeft onderbouwd met gegevens op grond waarvan twijfel aan de conclusies van de bedrijfsarts gerechtvaardigd is. Uit het advies van de bedrijfsarts blijkt overigens dat hij acht heeft geslagen op de klachten van appellant naar aanleiding van de Bijlmerramp.


4.4.

Nu het dagelijks bestuur zich heeft ingespannen om de organisatorische bezwaren bij appellant weg te nemen en van medische belemmeringen om aan het werk te gaan niet gebleken is, mocht appellant worden opgeroepen voor de uitruk in maart 2011. Toen appellant vervolgens geen gehoor gaf aan deze oproep, was de conclusie gerechtvaardigd dat een impasse was ontstaan. Van het dagelijks bestuur kon voortzetting van het dienstverband redelijkerwijs niet worden verwacht. Hierbij is van betekenis dat van vrijwilligers van de brandweer onvoorwaardelijke inzet mag worden gevraagd, gelet op het belang dat is gemoeid bij een goed functionerende brandweerorganisatie. Het dagelijks bestuur was dan ook bevoegd appellant ontslag te verlenen op grond van artikel 42, eerste lid, en onder h, van de ABBRR.


4.5.

Dit betekent dat het hoger beroep niet slaagt en de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door C.H. Bangma, in tegenwoordigheid van C.A.W. Zijlstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2015.




(getekend) C.H. Bangma




(getekend) C.A.W. Zijlstra




HD