Centrale Raad van Beroep, 24-12-2015 / 14-5607 WUBO


ECLI:NL:CRVB:2015:4792

Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek om een voorziening voor een extra vakantie. Niet voldaan aan voorwaarden.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-24
Publicatiedatum
2015-12-29
Zaaknummer
14-5607 WUBO
Procedure
Eerste en enige aanleg
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/5607 WUBO

Datum uitspraak: 24 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen:

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van de Sociale Verzekeringsbank (verweerder)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 4 september 2014, kenmerk BZ01747823 (bestreden besluit). Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2015. Appellant is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.L. van de Wiel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren [in] 1940, is in 1995 op grond van psychische invaliditeit erkend als burger-oorlogsslachtoffer in de zin van de Wubo. Daarbij zijn hem voorzieningen op grond van die wet toegekend.


1.2.

Op 12 november 2013 heeft appellant verzocht om een voorziening voor een extra vakantie. Hij heeft te kennen gegeven dat hij een reis naar zijn geboorteland Indonesië wil gaan maken waarbij een hereniging met de familie centraal staat. Bij besluit van 16 april 2014 is afwijzend op de aanvraag beslist. Daarbij is vermeld dat uit de verkregen gegevens is afgeleid dat appellant een voorziening vraagt voor een gewone jaarlijkse vakantie die voor iedereen gebruikelijk moet worden geacht. Er is geen sprake van een extra vakantie.


1.3.

Appellant heeft tegen het besluit van 16 april 2014 bezwaar gemaakt. Dit bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.


2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


2.1.

Volgens het beleid van verweerder kunnen de kosten van een extra vakantie worden vergoed indien er sprake is van een medische noodzaak voor een vakantie of rustperiode:

- ter reconvalescentie voor een causale aandoening na een recent ondergane operatieve ingreep of andersoortige medische behandeling, op voorschrift van een behandelend arts, of

- ter preventie van een acute verergering dan wel een dreigend recidief van een acuut en ernstig naar buiten tredende causale aandoening, op voorschrift van de behandelend arts en onder voorwaarde dat medische begeleiding op de vakantiebestemming aanwezig is.

Bij personen boven de 70 jaar - zoals appellant - kunnen de kosten ook worden vergoed indien de extra vakantie op grond van niet-causale aandoeningen medisch noodzakelijk is. Volgens vaste rechtspraak van de Raad is dit beleid als aanvaardbaar te beschouwen.


2.2.

Verweerder kan worden gevolgd in zijn standpunt dat in dit geval niet aan de aangehaalde voorwaarden is voldaan. Van een voorschrift van een behandelend arts met betrekking tot de reis naar Indonesië is geen sprake. Appellant heeft weliswaar verklaringen van zijn kno-arts overgelegd, maar die verklaringen zien op de psychische klachten van appellant. Een reis naar het thuisland zou volgens de kno-arts het psychisch lijden van appellant kunnen verlichten. Psychische problematiek vormt evenwel niet het expertisegebied van deze arts. De bewuste verklaringen zijn dan ook niet als een medisch voorschrift met betrekking tot de reis te beschouwen. Van enige in verband met de kno-problematiek staande noodzaak tot het ondernemen van een reis naar Indonesië is niet gebleken. Ook is niet gebleken van een acuut dreigende psychische decompensatie, die eventueel op grond van de tweede voorwaarde tot vergoeding van de reis zou kunnen leiden. De Raad deelt het standpunt van verweerder dat de omstandigheden rondom de gewenste reis veeleer wijzen in de richting van een reguliere vakantie, die algemeen gebruikelijk moet worden geacht. Ter zake is geen vergoeding op grond van de Wubo mogelijk.


2.3.

Het beroep is ongegrond.


3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 december 2015.




(getekend) B.J. van de Griend




(getekend) J.L. Meijer




HD