Centrale Raad van Beroep, 24-12-2015 / 14-2151 AOR


ECLI:NL:CRVB:2015:4794

Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag omdat geen bevestiging is verkregen van de door appellante gestelde oorlogservaringen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-24
Publicatiedatum
2015-12-29
Zaaknummer
14-2151 AOR
Procedure
Eerste en enige aanleg
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/2151 AOR

Datum uitspraak: 24 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak in het geding tussen

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Pensioen- en Uitkeringsraad (verweerder)

PROCESVERLOOP

In verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet van 17 december 2014 tot wijziging van de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Stb. 2014, 583), is in deze zaak de Pensioen- en Uitkeringsraad in de plaats getreden van de Commissie Algemene Oorlogsongevallenregeling Indonesië (CAOR). Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) de

- voormalige - CAOR verstaan.

Appellante heeft beroep ingesteld tegen het besluit van verweerder van 28 maart 2014, kenmerk 0001441/CAOR (bestreden besluit). Dit besluit betreft de toepassing van de Algemene Oorlogsongevallenregeling (AOR).

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2015. Daar is appellante verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.L. van de Wiel. Van de zijde van appellante is als getuige ter zitting meegebracht H.E.B. [P.], wonende te Hoofddorp.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is geboren in 1947 in het toenmalig Nederlands-Indië. In juli 2012 heeft zij een aanvraag ingediend om toekenningen op grond van de AOR.


1.2.

Bij besluit van 19 september 2013 heeft verweerder de aanvraag afgewezen op de grond dat geen bevestiging is verkregen van de door appellante gestelde oorlogservaringen. Het hiertegen gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.


2. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


2.1.

Op grond van artikel 1 van de AOR - zoals aangevuld bij Ordonnantie van 5 november 1945 (Ned. Ind. Stb. 1946, 118) - wordt onder oorlogsletsel verstaan, voor zover hier van belang:

het lichamelijk, dan wel geestelijk letsel, ziekte daaronder begrepen, hetwelk aan een persoon is overkomen

- als gevolg van een actie van de vijand, van enige handeling of nalatigheid van een onderdeel of lid van de weermacht of van de burgerlijke hulpdiensten in tijd van feitelijke oorlog, dan wel van maatregelen of omstandigheden welke met de oorlogsvoering onverbrekelijk samenhangen;

- gedurende internering, krijgsgevangenschap, gedwongen tewerkstelling, of gedurende gevangenschap, vooronderzoek dan wel aanhouding, als gevolg van verdenking wegens daden, welke gericht waren tegen de bevelen van het Japanse bezettingsleger en niet vallen onder het gewone strafrecht;

- in de periode vanaf 15 augustus 1945 (tot 13 januari 1954, zoals later is bepaald) als gevolg van tegen hem gerichte actie van de bedrijvers van de ongeregeldheden, welke na de capitulatie van Japan in Nederlands-Indië zijn ontstaan, dan wel als gevolg van de maatregelen tot herstel van de orde en rust genomen.


2.2.

Verweerder heeft het bestreden besluit doen steunen op de overweging dat geen bevestiging is verkregen dat appellante gebeurtenissen in de zin van de AOR heeft meegemaakt.


2.3.

Appellante heeft haar aanvraag in hoofdzaak gebaseerd op een verklaring van [P.]. Hij verklaart dat hij getuige is geweest van een schermutseling van de vader van appellante met een extremist om zijn dochtertje (appellante) te beschermen. Verder stelt hij dat de familie van appellante woonde in een zeer gevaarlijke buurt bij de beruchte Tjiliwung rivier (Batavia) en dat zij in verband met de levensbedreigende situatie aldaar, hebben moeten vluchten. Uit het sociaal rapport dat in 2002 is opgesteld in het kader van zijn aanvraag op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945, blijkt echter dat [P.] in 1946, ruim vóór deze gebeurtenissen, naar Bandoeng is verhuisd. In zijn verklaring van januari 2014, zoals ook ter zitting door hem nog is herhaald, heeft [P.] benadrukt dat de gebeurtenissen op zijn netvlies staan gebrand en dat de verhuizing daarom pas in 1949 moet hebben plaatsgevonden. Buiten deze nadere verklaring van [P.] zijn er echter geen (objectieve) aanwijzingen dat de in het sociaal rapport opgenomen gegevens voor onjuist moet worden gehouden. Dat betekent dat ook de Raad moet uitgaan van de juistheid van dat sociaal rapport en hij niet anders kan concluderen dan dat de verklaring van [P.] niet op eigen waarneming berust. Nu ook op andere wijze geen bevestiging is verkregen dat appellante oorlogsgebeurtenissen heeft meegemaakt, kan zij niet in het kader van de AOR worden erkend.


2.4.

Uit het voorgaande volgt dat het bestreden besluit in rechte stand kan houden. Het beroep moet ongegrond worden verklaard.


3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep verklaart het beroep ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend, in tegenwoordigheid van J.L. Meijer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 december 2015.




(getekend) B.J. van de Griend




(getekend) J.L. Meijer


IJ