Centrale Raad van Beroep, 24-12-2015 / 14-2196 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:4797

Inhoudsindicatie
Op grond van de gedingstukken staat vast dat partijen sinds de ziekmelding van appellant op 23 maart 2010 hoofdzakelijk via de e-mail communiceerden en dat dit ook het geval was in de periode waarin het besluit van 9 mei 2011 is genomen. Appellant heeft voorts op 2 september 2012 gereageerd op het e-mailbericht van 10 mei 2011 en heeft daarbij verzocht om hem het ontslagbesluit opnieuw via een e-mailbericht toe te zenden. De minister heeft appellant het ontslagbesluit van 9 mei 2011 op 10 september 2012 opnieuw via een e-mailbericht toegezonden. De Raad is van oordeel dat appellant in ieder geval op 2 september 2012 duidelijk kenbaar heeft gemaakt dat hij langs de elektronische weg bereikbaar is. Appellant heeft de ontvangst van het e-mailbericht van 10 september 2012 niet ontkend.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-24
Publicatiedatum
2015-12-28
Zaaknummer
14-2196 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

14/2196 AW

Datum uitspraak: 24 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

6 maart 2014, 13/655 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant], te [woonplaats], Filippijnen, (appellant)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.Tj. van Dalen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 november 2015. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Van Dalen en mr. J. Dijkema. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M. Wiersma en M.B.M. Verhoeven.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant was werkzaam bij de Dienst Onderwijs Uitvoering van het Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap in de functie van heftruckchauffeur/magazijnmedewerker. Bij e-mailbericht van 23 maart 2010 heeft hij zich tijdens een vakantie op de Filippijnen ziek gemeld.


1.2.

Bij besluit van 9 mei 2011 heeft de minister appellant met ingang van 1 mei 2011 eervol ontslag verleend op grond van artikel 94 van het Algemeen Rijksambtenarenreglement. Ingevolge het eerste lid van dit artikel wordt de ambtenaar op zijn aanvraag ontslag verleend. Dit besluit is per post, niet aangetekend, verzonden.


1.3.

Op 10 mei 2011 heeft de minister appellant een e-mailbericht gezonden, waarbij als bijlage is gevoegd het besluit van 9 mei 2011 met als titel ‘Uitdiensttreding’.


1.4.

Appellant heeft bij brief van 15 februari 2013, ontvangen door de minister op 19 februari 2013, bezwaar gemaakt tegen het besluit van 9 mei 2011. De minister heeft dit bezwaar bij besluit van 8 mei 2013 (bestreden besluit) met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder a, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat het bezwaar te laat was ingediend en er geen sprake was van een verschoonbare termijnoverschrijding.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat appellant door de inhoud van het

e-mailbericht van 10 mei 2011 niet alleen ervan op de hoogte kon zijn dat de minister een besluit naar zijn juist geadresseerde postbusadres had gezonden, maar ook kon weten waarop dit besluit betrekking had, gezien de titel ‘Uitdiensttreding’ van de bijlage. Daarbij bevestigt het e-mailbericht van appellant van 2 september 2012, waarin hij de minister heeft verzocht hem opnieuw zijn ontslagbrief te sturen, dat hij bekend is met het bestaan van deze brief. Ten slotte volgt uit de door appellant overgelegde medische verklaring niet dat hij gedurende de gehele bezwaartermijn niet in staat is geweest om pro-forma bezwaar te (laten) dienen. De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat de termijnoverschrijding in bezwaar niet verschoonbaar is.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Artikel 2:13, eerste lid, van de Awb bepaalt dat in het verkeer tussen burgers en bestuursorganen een bericht elektronisch kan worden verzonden. Artikel 2:14, eerste lid, van de Awb bepaalt dat een bestuursorgaan een bericht dat tot een of meer geadresseerden is gericht, elektronisch kan verzenden voor zover de geadresseerde kenbaar heeft gemaakt dat hij langs deze weg voldoende bereikbaar is. Artikel 3:41, eerste lid, van de Awb bepaalt dat de bekendmaking van besluiten die tot een of meer belanghebbenden zijn gericht, geschiedt door toezending of uitreiking aan hen, onder wie begrepen de aanvrager. Artikel 6:7 van de Awb bepaalt dat de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken bedraagt. Ingevolge artikel 6:8, eerste lid, van de Awb vangt die termijn aan op de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze bekend is gemaakt. Artikel 6:11 van de Awb bepaalt dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift

niet-ontvankelijk verklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.


4.2.

Volgens vaste rechtspraak (bijvoorbeeld de uitspraak van 28 januari 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:195) heeft het bestuursorgaan aan zijn bekendmakingsverplichting als bedoeld in artikel 3:41, eerste lid, van de Awb voldaan als het besluit wordt verzonden naar het laatst bekende adres van betrokkene, ook al is dit niet meer het woonadres van betrokkene en betrokkene heeft nagelaten het bestuursorgaan van de adreswijziging op de hoogte te stellen.


4.3.

In geval van niet aangetekende verzending van een besluit of een ander rechtens van belang zijnd document, geldt als uitgangspunt dat het bestuursorgaan aannemelijk dient te maken dat het desbetreffende stuk is verzonden. De omstandigheid dat per post verzonden stukken in de regel op het daarop vermelde adres van de geadresseerde worden bezorgd, rechtvaardigt het vermoeden van ontvangst van het besluit of ander relevant document op dat adres. Dit brengt mee dat het bestuursorgaan in eerste instantie kan volstaan met het aannemelijk maken van verzending naar het juiste adres. Daartoe is in ieder geval vereist dat het besluit is voorzien van de juiste adressering en een verzenddatum en dat sprake is van een deugdelijke verzendadministratie. Voorts dient niet gebleken te zijn van recente problemen bij de verzending van poststukken. Indien het bestuursorgaan de verzending naar het juiste adres aannemelijk heeft gemaakt, ligt het vervolgens op de weg van de geadresseerde voormeld vermoeden te ontzenuwen. Hiertoe dient de geadresseerde feiten te stellen op grond waarvan de ontvangst redelijkerwijs kan worden betwijfeld.


4.4.1.

Appellant stelt zich op het standpunt dat de minister het besluit van 9 mei 2011 niet heeft mogen verzenden naar zijn postbusadres in Nederland, nu het de minister bekend was dat appellant op de Filippijnen verbleef. Deze beroepsgrond slaagt niet. Namens appellant is ter zitting bevestigd dat hij bij zijn ziekmelding geen correspondentieadres heeft doorgegeven. Dit betekent dat de minister het besluit van 9 mei 2011 mocht verzenden naar het laatst bekende adres van appellant, in dit geval het postbusadres in Nederland.


4.4.2.

Appellant heeft verder betoogd dat vanwege het ontbreken van een deugdelijke verzendadministratie niet kan worden vastgesteld dat het besluit van 9 mei 2011, dat het juiste postbusadres vermeldt, daadwerkelijk op 9 mei 2011 is verzonden. De minister heeft niet weersproken dat een deugdelijke verzendadministratie ontbreekt, maar heeft benadrukt dat geen van de aan het postbusadres van appellant verzonden stukken retour zijn ontvangen. Zo zijn ook de salarisstroken van appellant uitsluitend per post naar het postbusadres van appellant verzonden en blijkt uit de aanwezigheid van e-mailverkeer in de periode mei, juni, juli en augustus 2011 tussen appellant en de minister dat appellant wel kennis heeft genomen van een salarisstrook van april 2011 en een salarisstrook met als onderwerp “salarisherziening”. Appellant moet daarom het besluit van 9 mei 2011 wel hebben ontvangen, aldus de minister. Naar het oordeel van de Raad is hiermee evenwel niet aannemelijk gemaakt dat het besluit van 9 mei 2011 naar het laatst bekende postbusadres van appellant is verzonden en dat appellant van het op die manier toegezonden besluit heeft kennis genomen.


4.4.3.

Zoals de Raad eerder heeft geoordeeld (uitspraak van 14 oktober 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BO1902), volgt uit artikel 2:14, eerste lid, van de Awb niet slechts dat geadresseerde langs elektronische weg voldoende bereikbaar moet zijn, maar ook dat deze duidelijk kenbaar moet hebben gemaakt langs die weg bereikbaar te zijn voor het bericht of de berichten waar het om gaat. Op grond van de gedingstukken staat vast dat partijen sinds de ziekmelding van appellant op 23 maart 2010 hoofdzakelijk via de e-mail communiceerden en dat dit ook het geval was in de periode waarin het besluit van 9 mei 2011 is genomen. Appellant heeft voorts op 2 september 2012 gereageerd op het e-mailbericht van 10 mei 2011 en heeft daarbij verzocht om hem het ontslagbesluit opnieuw via een e-mailbericht toe te zenden. De minister heeft appellant het ontslagbesluit van 9 mei 2011 op 10 september 2012 opnieuw via een e-mailbericht toegezonden. De Raad is van oordeel dat appellant in ieder geval op 2 september 2012 duidelijk kenbaar heeft gemaakt dat hij langs de elektronische weg bereikbaar is. Appellant heeft de ontvangst van het e-mailbericht van 10 september 2012 niet ontkend. Voor zover al moet worden uitgegaan van de juistheid van de stelling van appellant dat hij het eerdere e-mailbericht van 10 mei 2011 niet heeft ontvangen of de bijlage daarvan niet kon openen, heeft de minister het besluit van 9 mei 2011 in ieder geval op 10 september 2012 op de juiste wijze bekend gemaakt. Daarmee is de bezwaartermijn van zes weken op

11 september 2012 aangevangen. Het bezwaar van 15 februari 2013 is derhalve buiten de bezwaartermijn ingediend.


4.4.4.

In de door appellant ingediende medische verklaring van 4 februari 2013 is slechts opgenomen dat de behandelend arts appellant in 2010 heeft geadviseerd om geen lange reis te maken en om niet te vliegen. Over de situatie ten tijde van de bezwaartermijn bevat deze verklaring geen informatie. Derhalve is niet aannemelijk geworden dat appellant gedurende de bezwaartermijn niet in staat is geweest bezwaar te (laten) maken. Er bestaat dan ook geen grond voor het oordeel dat sprake is van een verschoonbare termijnoverschrijding.


5. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak komt dan ook, zij het met verbetering van gronden, voor bevestiging in aanmerking.


6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 december 2015.




(getekend) A. Beuker-Tilstra




(getekend) S.W. Munneke



HD