Centrale Raad van Beroep, 11-12-2015 / 13-3113 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:4807

Inhoudsindicatie
Vastgesteld wordt dat het Uwv, uitgaande van de nieuwe medische feiten, het besluit van 6 oktober 2011 inhoudelijk heeft heroverwogen, maar dat deze heroverweging niet tot een andere uitkomst heeft geleid dan neergelegd in het besluit van 6 oktober 2011. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het Uwv op inzichtelijke wijze heeft onderbouwd hoe tot de vaststelling van de beperkingen is gekomen en waarom er geen aanleiding is voor het aannemen van meer beperkingen per 12 oktober 2011. Urenbeperking is niet aannemelijk gemaakt met medische informatie, psychische beperkingen zijn niet onderschat, de voorgehouden functies zijn in medisch opzicht geschikt.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-11
Publicatiedatum
2015-12-31
Zaaknummer
13-3113 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/3113 WIA

Datum uitspraak: 11 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

2 mei 2013, 12/6335 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante is door mr. J.A.C. van Etten, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere medische stukken ingediend, waarop het Uwv heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 oktober 2015, waar namens appellante mr. Van Etten is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.W.A. Blind.

OVERWEGINGEN

1.1.

Bij besluit van 6 oktober 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante geen recht op een uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan omdat zij met ingang van 12 oktober 2011 minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Tegen dit besluit is geen rechtsmiddel aangewend.


1.2.

In verband met alsnog verkregen medische informatie van de huisarts van 10 november 2011 heeft een nader verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden. Bij besluit van 12 maart 2012 heeft het Uwv besloten niet terug te komen van het besluit van 6 oktober 2011 omdat niet gebleken is dat dit besluit onjuist zou zijn. Het daartegen gemaakte bezwaar is bij besluit van 6 november 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Dit besluit is gebaseerd op een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van

23 oktober 2012 en op een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van

31 oktober 2012.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante ongegrond verklaard. De rechtbank heeft op grond van de Wet WIA en de daarop berustende bepalingen geoordeeld dat de verzekeringsgeneeskundige beoordeling door het Uwv zorgvuldig is verricht. Verder heeft de rechtbank de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgestelde beperkingen van appellante inzichtelijk onderbouwd en voldoende gemotiveerd geacht. De door appellante overgelegde brief van psychiater J.A.M. Rutgers van

29 januari 2013 leidt niet tot een ander oordeel omdat deze brief geen betrekking heeft op de gezondheidssituatie van appellante op 12 oktober 2011. De rechtbank heeft geoordeeld dat appellante in staat is om de haar voorgehouden functies te vervullen, waarbij in het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende is onderbouwd dat de belasting in die functies de belastbaarheid van appellante niet overschrijdt.


3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat het Uwv onvoldoende rekening heeft gehouden met haar beenklachten, rugklachten, longklachten, hoofdpijnklachten en ernstige depressieve klachten. Appellante is van mening dat zij verdergaande beperkingen heeft en dat een medische urenbeperking heeft te gelden. Appellante heeft gesteld dat zij onder behandeling is van diverse specialisten en dat een onafhankelijk medisch onderzoek op zijn plaats is. Verder heeft appellante aangevoerd dat zij niet in staat is de haar voorgehouden functies te vervullen vanwege haar allergie voor pollen en piepschuim. Daarnaast is gesteld dat de haar voorgehouden functies niet voldoen aan de vereiste afwisseling in zitten en staan en afwisseling in de werkhouding.


3.2.

Het Uwv heeft om bevestiging van de aangevallen uitspraak verzocht.


4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.


4.1.

Het Uwv heeft ambtshalve beoordeeld of de verkregen medische informatie van de huisarts aanleiding geeft om terug te komen van het besluit van 6 oktober 2011.


4.2.

Een bestuursorgaan is in het algemeen bevoegd om, na een eerdere afwijzing, ambtshalve over te gaan tot een herbeoordeling en daarbij het oorspronkelijke besluit in volle omvang te heroverwegen. Indien na een eerder afwijzend besluit een besluit van gelijke strekking wordt genomen, kan door het instellen van beroep tegen dat laatste besluit niet worden bereikt dat het besluit wordt getoetst als ware het een eerste afwijzing. Er is alleen plaats voor een inhoudelijke toetsing voor zover in de bestuurlijke fase nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden zijn aangevoerd.


4.3.

Tussen partijen is niet in geschil dat de medische informatie van de huisarts van

10 november 2011 een nieuw feit is. Uit deze informatie blijkt dat appellante duizeligheidsklachten heeft en dat zij in verband met een depressie is doorverwezen naar een psychiater. Evenmin is in geschil dat de in bezwaar opgevraagde en verkregen informatie van de huisarts van 15 oktober 2012, waarin melding wordt gemaakt van een bij appellante gediagnosticeerde COPD en artrose van het rechterkniegewricht, eveneens als nieuw feit is beschouwd.


4.4.

Vastgesteld wordt dat het Uwv, uitgaande van de nieuwe medische feiten, het besluit van 6 oktober 2011 inhoudelijk heeft heroverwogen, maar dat deze heroverweging niet tot een andere uitkomst heeft geleid dan neergelegd in het besluit van 6 oktober 2011.


4.5.

Met juistheid is de rechtbank tot het oordeel gekomen dat het medisch onderzoek zorgvuldig is geweest en dat de medische beoordeling niet voor onjuist is te houden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft appellante tijdens de hoorzitting gezien en een psychisch onderzoek bij haar verricht. Voorts heeft deze verzekeringsarts dossierstudie verricht en informatie ingewonnen bij de huisarts van appellante en de behandelend psychiater van appellante. Deze informatie is op kenbare wijze bij de beoordeling betrokken. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft op basis van zijn onderzoek verdergaande beperkingen aangenomen, welke zijn vastgelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 23 oktober 2012. Zoals uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep blijkt, is daarbij rekening gehouden met de fysieke klachten van appellante in verband met een HNP, COPD, hyperthyreoidie en artrose van het rechterkniegewricht, alsmede met de bij haar bestaande psychische klachten (ernstige depressie). De rechtbank heeft terecht overwogen dat met het rapport op inzichtelijke wijze is onderbouwd hoe tot de vaststelling van de beperkingen is gekomen en waarom de medische informatie geen steun biedt voor het aannemen van meer beperkingen per 12 oktober 2011.


4.6.

Appellante heeft de juistheid van haar standpunt dat in de FML te weinig beperkingen zijn opgenomen, waaronder een urenbeperking, niet aannemelijk gemaakt met medische informatie, terwijl de reeds beschikbare medische informatie daarvoor geen grond biedt. Ook het in hoger beroep ingediende rapport van Pro Persona, diagnostisch centrum Arnhem, leidt niet tot de conclusie dat de psychische beperkingen van appellante op 12 oktober 2011 zijn onderschat. Aan die gegevens valt niet te ontlenen dat appellante ten tijde hier in geding meer beperkt is dan in de FML is weergegeven. In het voorgaande ligt besloten dat, evenals de rechtbank, geen aanleiding wordt gezien voor benoeming van een deskundige voor het instellen van een onderzoek.


4.7.

Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde FML heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat de drie functies die aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd, in medisch opzicht geschikt zijn voor appellante gelet op de aan deze functies verbonden belastende aspecten, waaronder de vereiste afwisseling van houding. Dit is met het resultaat functiebeoordeling van 31 oktober 2012 en het arbeidskundige rapport van 31 oktober 2012 voldoende verifieerbaar en inzichtelijk toegelicht. In hoger beroep heeft het Uwv desgevraagd een nadere reactie van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ingezonden. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft daarin tevens afdoende gemotiveerd dat de functie van productiemedewerker industrie ondanks de daarin optredende belasting op deadlines en productiepieken voor appellante geschikt is.


4.8.

Gelet op het onder 4.2 vermelde toetsingskader moet de eerst ter zitting van de rechtbank aangevoerde beroepsgrond, dat de functie van medewerker tuinbouw niet geschikt is vanwege een allergie, buiten beschouwing worden gelaten. Overigens heeft appellante dit standpunt niet met medische gegevens onderbouwd.


4.9.

Uit hetgeen onder 4.1 tot en met 4.8 is overwogen, volgt dat het Uwv in redelijkheid tot het besluit heeft kunnen komen niet terug te komen van het besluit van 6 oktober 2011. Het hoger beroep van appellante slaagt niet. De aangevallen uitspraak zal, met verbetering van gronden, worden bevestigd.


5. Reeds gelet op de omstandigheid dat eerst in hoger beroep een volledige en kenbare arbeidskundige onderbouwing is gegeven van het bestreden besluit is er aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante. De kosten van rechtsbijstand in beroep en hoger beroep worden begroot op een bedrag van € 1.960,- (4 punten, wegingsfactor 1).




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • - veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 1.960,-;
  • - bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 160,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van

L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

11 december 2015.




(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen




(getekend) L.H.J. van Haarlem



NK