Centrale Raad van Beroep, 11-12-2015 / 14-4675 WIA-T


ECLI:NL:CRVB:2015:4809

Inhoudsindicatie
Urenbeperking, protocollen en richtlijnen burn-out. Gelet op het genoemde expertiserapport, waarin is vermeld dat de aandoening ernstig is en appellante met een adequate behandeling geleidelijk het werk kan hervatten en de motivering van de verzekeringsarts voor de opdracht voor deze expertise, is het door het Uwv overgenomen standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat appellante op 1 augustus 2009 hele dagen kon werken, onvoldoende gemotiveerd. Opdracht aan het Uwv het gebrek in het bestreden besluit te herstellen of een nieuwe beslissing te nemen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-11
Publicatiedatum
2015-12-31
Zaaknummer
14-4675 WIA-T
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/4675 WIA-T

Datum uitspraak: 11 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van 10 juli 2014, 13/4838 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. T.C.J.A. van de Laak, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het Uwv heeft desgevraagd stukken met betrekking tot de beoordeling van appellante in 2009 op grond van de Ziektewet (ZW) aan de Raad doen toekomen.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 november 2015. Appellante is verschenen met bijstand van mr. Van de Laak. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Anandbahadoer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is op 5 september 2006 met burn-out klachten uitgevallen voor haar werkzaamheden bij het Uwv als manager claim voor 36 uur per week.


1.2.

Nadat appellante op 5 januari 2009 heeft hervat als opleider managementtrainer voor

28 uur per week is zij op 13 mei 2009 opnieuw uitgevallen met burn-out klachten.


1.3.

Na een verzekeringsgeneeskundige beoordeling op 15 maart 2011 zijn appellantes functionele mogelijkheden en beperkingen, zoals deze op die datum aanwezig waren, vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Bij besluit van 21 maart 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van 11 mei 2011 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet Werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).


1.4.

Bij besluit op bezwaar van 5 oktober 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van 2 september 2008 recht heeft op een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet WIA. De mate van haar arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 55,07%. Bij dit besluit is tevens bepaald dat de loongerelateerde uitkering loopt tot 2 februari 2011.


1.5.

De rechtbank ’s-Hertogenbosch (nu rechtbank Oost-Brabant) heeft in haar uitspraak van 23 mei 2012, 11/3745, op het beroep van appellante tegen het besluit van 5 oktober 2011 overwogen dat het Uwv alsnog moet beoordelen of er met de uitval van appellante op

13 mei 2009 een toeneming van haar arbeidsongeschiktheid is met ingang van die datum.


1.6.

Een verzekeringsarts van het Uwv heeft appellante in verband met de in 1.5 vermelde uitspraak onderzocht op zijn spreekuur. In zijn rapport van 19 december 2012 heeft deze arts vermeld dat uit de anamnese en informatie uit de ZW-periode blijkt dat appellante op de datum 13 mei 2009 meer beperkt was dan bij zijn onderzoek op 15 maart 2011. Vervolgens heeft een arbeidsdeskundige voorbeeldfuncties geselecteerd, zowel geldend op 13 mei 2009 als op 15 maart 2011.


1.7.

Bij besluit van 17 januari 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van 13 mei 2009 minder arbeidsgeschikt was dan voorheen. De mate van haar arbeidsongeschiktheid is met ingang van 13 mei 2009 68%. Deze wijziging gaat in met ingang van 1 augustus 2009. Bij besluit van 18 januari 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van 1 juni 2011 meer arbeidsgeschikt is dan voorheen. Met ingang van deze datum is zij 60% arbeidsongeschikt. Appellante heeft haar bezwaar tegen dit besluit ingetrokken.


1.8.

Naar aanleiding van appellantes bezwaar tegen het besluit van 17 januari 2013 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep, na inlichtingen te hebben ontvangen van haar behandelaars bij de HSK-groep en PsyQ, in zijn rapport van 19 augustus 2013 vermeld dat in de FML naast de al opgenomen beperkingen tevens beperkingen opgenomen moeten worden voor het vasthouden en verdelen van de aandacht. Hij ziet geen reden voor het opnemen van een urenbeperking omdat appellante geen aandoening heeft die een sterke energetische belemmering oplevert.


1.9.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 27 augustus 2013 vermeld dat de eerder geselecteerde voorbeeldfuncties nog steeds passend zijn voor appellante.


1.10.

Bij besluit van 28 augustus 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 17 januari 2013, onder verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard. De rechtbank heeft overwogen dat de verzekeringsarts bezwaar en beroep met alle genoemde diagnoses en beperkingen duidelijk en kenbaar rekening heeft gehouden en dat de diagnose burn-out niet door de behandelaars van appellante is gesteld. Volgens de rechtbank heeft het Uwv terecht gesteld dat appellante per de datum in geding fulltime had kunnen werken in gestructureerd, eenvoudig en niet stresserend werk.


3.1.

In hoger beroep heeft appellante de door haar in eerdere fasen van de procedure naar voren gebrachte gronden gehandhaafd. Zij heeft zich op het standpunt gesteld dat op de datum in geding een aanzienlijke urenbeperking aangenomen had moet worden. De in beroep ingebrachte protocollen en richtlijnen schrijven bij burn-out tijdelijk volledige rust voor. De rechtbank heeft ten onrechte geoordeeld dat de diagnose burn-out niet is gesteld en is ten onrechte voorbij gegaan aan de ingebrachte algemene richtlijnen en protocollen die betrekking hebben op burn-out. Appellante heeft er daarbij op gewezen dat de verzekeringsarts, die haar op 11 augustus 2009 in het kader van een beoordeling op grond van de ZW heeft gezien, heeft geoordeeld dat er op dat moment geen re-integratiemogelijkheden waren. Appellante heeft verder naar voren gebracht een arbeidsrechtelijk belang te hebben dat er onder meer in is gelegen dat zij, afhankelijk van de mate van haar arbeidsongeschiktheid, een aanvullende uitkering van haar werkgever ontvangt.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.


4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.


4.1.

Gelet op artikel 60, tweede lid, van de Wet WIA, waarin is bepaald dat de inkomseis wordt herzien nadat een wijziging van de resterende verdiencapaciteit twee kalendermanden heeft voortgeduurd, is de datum die in dit geding van belang 1 augustus 2009, zoals ook is vermeld in het besluit van 17 januari 2013. Beoordeeld dient te worden of de rechtbank terecht het standpunt van het Uwv heeft gevolgd dat er op deze datum geen urenbeperking dient te gelden voor appellante.


4.2.

De in 3.1 vermelde verzekeringsarts die appellante op 11 augustus 2009 heeft onderzocht, heeft in zijn rapport van 11 augustus 2009 vermeld dat appellante psychisch was gedecompenseerd met burn-out als toestandsbeeld. Appellante is psycho-mentaal niet stabiel. Omdat de aard en de ernst van het toestandsbeeld onduidelijk zijn achtte hij een expertise aangewezen en heeft hij appellante verwezen naar HSK-groep.


4.3.

Psychiater prof. dr. A.M.H. van Leeuwen en psycholoog drs. E.M. Binnendijk van

HSK-groep hebben in hun expertiserapport van 29 september 2009 vermeld dat de klachten van appellante passen bij een sociale fobie en een ongedifferentieerde somatoforme stoornis. Deze aandoening is volgens hen ernstig, maar adequate behandeling heeft niet plaatsgevonden. De verwachting is dat zij met adequate behandeling het werk binnen vier tot acht weken na start van de behandeling, geleidelijk, volgens een opgesteld schema kan hervatten.


4.4.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft zich in het rapport van 31 augustus 2011 op het standpunt gesteld dat er geen urenbeperking aan de orde is bij werk dat past bij de in de FML opgenomen beperkingen. In het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 19 augustus 2013 is vermeld dat er geen reden is om op 1 augustus 2009 een urenbeperking aan te nemen omdat appellante geen aandoening heeft die een sterke energetische belemmering oplevert en er ook geen noodzaak is om een urenbeperking op preventieve basis te geven. Voorts is in het rapport van deze verzekeringsarts van 13 december 2013 te kennen gegeven dat de psychiater geen indicatie geeft voor de noodzaak van een urenbeperking.


4.5.

Gelet op het in 4.3 genoemde expertiserapport waarin is vermeld dat de aandoening ernstig is en appellante met een adequate behandeling geleidelijk het werk kan hervatten en de in 4.2 vermelde motivering van de in 3.1 bedoelde verzekeringsarts voor de opdracht voor deze expertise, is het door het Uwv overgenomen standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat appellante op 1 augustus 2009 hele dagen kon werken onvoldoende gemotiveerd. Om deze reden ontbeert het bestreden besluit een deugdelijke motivering, zoals is vereist in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Teneinde te komen tot een definitieve beslechting van het geschil wordt aanleiding gezien om met toepassing van artikel 8:51d van de Awb, het Uwv op te dragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen dan wel een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.





BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op binnen zes weken na verzending van deze uitspraak de gebreken in het besluit van 28 augustus 2013 te herstellen.



Deze uitspraak is gedaan door C.W.J. Schoor, in tegenwoordigheid van L.H.J. van Haarlem als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 december 2015.




(getekend) C.W.J. Schoor




(getekend) L.H.J. van Haarlem




AP