Centrale Raad van Beroep, 14-12-2015 / 14-3241 WWAJ


ECLI:NL:CRVB:2015:4815

Inhoudsindicatie
Appellant is geboren vóór 1980 en dient beoordeeld te worden aan de hand van het bepaalde in de AAW. Vastgesteld wordt dat het bestreden besluit in overeenstemming is met de bepalingen van de AAW is. De arbeidsongeschiktheidsschatting is niet verricht in strijd met enige regel van ongeschreven recht of een algemeen rechtsbeginsel. Laattijdige aanvraag, bewijsrisico.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-14
Publicatiedatum
2015-12-31
Zaaknummer
14-3241 WWAJ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/3241 WWAJ

Datum uitspraak: 14 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

29 april 2014, 12/4712 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken in het geding gebracht.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 november 2015. Appellant is verschenen met bijstand van mr. A.C.A. Denissen-Wit, advocaat, en met zijn begeleider G.J.T. Kuster. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.M.J.E. Budel.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant, geboren [in] 1959, heeft op 31 oktober 2011 een aanvraag ingediend op grond van de Wet werk en arbeidsondersteuning jonggehandicapten (Wet Wajong) vanwege sinds zijn jeugd bestaande psychische klachten als gevolg van het syndroom van Asperger. Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van

10 januari 2012 de aanvraag van appellant afgewezen, omdat er vanaf appellants

17e verjaardag geen periode van 52 weken is waarin hij minder dan het minimumloon heeft verdiend. Bij besluit van 9 augustus 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 10 januari 2012 ongegrond verklaard, onder de overweging dat appellant per 20 februari 2012 minder dan 25% arbeidsongeschikt is.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het standpunt van het Uwv onderschreven dat appellant niet voldoet aan de voorwaarden om voor arbeidsondersteuning in aanmerking te komen als bedoeld in de artikelen 2:3 en 2:15 van de Wet Wajong.


3.1.

Appellant heeft in hoger beroep gronden van medische en arbeidskundige aard aangevoerd. Kort samengevat komen deze gronden op het volgende neer. Hij acht het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand gekomen. In de aan het bestreden besluit mede ten grondslag liggende Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) is geen of onvoldoende rekening gehouden met zijn psychische toestand. Appellant heeft gedurende zijn hele leven al te kampen met beperkingen zonder dat daarvan de oorzaak bekend was. Appellant is werkzaam geweest als leerling-metselaar, maar hij kon het tempo niet bijhouden en bleef in productie sterk achter. Appellant heeft vervolgens negen jaar over het behalen van een VWO-diploma gedaan. Appellant kon zijn kinderen niet de nodige structuur bieden, waarna gezinshulp en therapie is ingeschakeld. Volgens de neuroloog had appellant in 1982 klachten van concentratiezwakte en traagheid. Weliswaar werden geen neurologische afwijkingen gevonden, maar de klachten werden achteraf wel verklaard door de diagnose Asperger die zeer laat is gesteld. Sinds 1983 heeft appellant niet meer gewerkt en dit lukte ook niet met de WSW-indicatie die in 1992 is verleend. Tot op heden heeft appellant veel steun nodig. Dit alles is niet meegewogen in de besluitvorming die heeft geleid tot het bestreden besluit. Daarbij hebben de verzekeringsartsen de Richtlijn ontwikkelingsstoornissen Wajong

(Richtlijn) onvoldoende in acht genomen en onvoldoende beperkingen aangenomen. Als gevolg van zijn klachten is appellant in het geheel niet in staat om deel te nemen aan enige vorm van arbeid. Appellant is voorts niet in staat de ter bepaling van de mate van zijn arbeidsongeschiktheid door het Uwv geselecteerde functies te vervullen. De belasting van die functies gaat appellants belastbaarheid te boven. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft appellant verwezen naar rapporten van 10 december 2012 en 15 februari 2013 van medisch adviseur M.M.F. Timmerhuis en naar informatie van de psycholoog uit 1970 en de psychiater uit 2000. Uit deze informatie wordt volgens appellant duidelijk dat zijn klachten ook op zijn 17e en 18e levensjaar van een dusdanige intensiteit waren dat hij niet in staat was de geselecteerde functies te vervullen.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Zoals is uiteengezet in de uitspraak van de Raad van 8 april 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:1111, dient, omdat appellant is geboren vóór 1980, de beoordeling van zijn aanspraken plaats te vinden aan de hand van het bepaalde in de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW). Dat de aanvraag pas op of na 1 januari 2010 is ingediend doet daaraan niet af.


4.2.

Op grond van het in artikel 89 van de AAW vervatte overgangsrecht kan ook de arbeidsongeschikte verzekerde, zoals appellant, die vóór 1 oktober 1976 de leeftijd van

17 jaar had bereikt in aanmerking komen voor een AAW-uitkering. In artikel 89 van de AAW is hiertoe bepaald dat de verzekerde, die vóór 1 oktober 1976 de leeftijd van 17 jaar heeft bereikt en op die dag arbeidsongeschikt was, recht heeft op toekenning van een uitkering indien hij op 30 september 1976 onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt was of zodra hij onafgebroken 52 weken arbeidsongeschikt is geweest indien hij na afloop van deze periode nog arbeidsongeschikt was (zie de uitspraak van 19 april 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ8527).


4.3.1.

Voor zover de gronden van appellant betrekking hebben op de verzekeringsgeneeskundige kant van de onderhavige besluitvorming heeft de rechtbank met juistheid gewezen op de conclusies van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, zoals weergegeven in het rapport van 9 juli 2012. Het rapport bevat een deugdelijk gemotiveerde verzekeringsgeneeskundige reactie op de bezwaren die betrekking hebben op appellants psychische gezondheidstoestand. Hetgeen appellant heeft aangevoerd, vormt, zoals de rechtbank terecht heeft geoordeeld, geen reden om het onderzoek van de verzekeringsartsen niet zorgvuldig te achten.


4.3.2.

Niet is gebleken van een onjuiste toepassing van de Richtlijn door de verzekeringsarts (bezwaar en beroep). De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in haar rapport van 11 april 2013, onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts van 27 december 2011 en het rapport van 9 juli 2012 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep toegelicht dat, uitgaande van de ontwikkelingsstoornis van appellant, de Richtlijn is gevolgd. De verzekeringsartsen hebben als gevolg van de psychische klachten van appellant beperkingen opgenomen in de FML. Appellant betoogt dat de verzekeringsartsen (bezwaar en beroep) geen volledige toepassing hebben gegeven aan de Richtlijn. De Richtlijn is blijkens de toelichting een praktijkgerichte handleiding voor de verzekeringsartsen van het Uwv voor de beoordeling van jongeren met een verstandelijke beperking, autismespectrumstoornis of ADHD. De Richtlijn kan op één lijn gesteld worden met door het Uwv gehanteerde verzekeringsgeneeskundige protocollen, die blijkens de uitspraak van 16 september 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BJ7873) als hulpmiddel dienen voor de verzekeringsarts bij het medisch onderzoek. Deze hogerberoepsgrond is vergeefs voorgedragen.


4.4.

Appellant beschikt volgens het Uwv over verminderde benutbare mogelijkheden als rechtstreeks gevolg van ziekte of gebrek. Hij wordt echter in staat geacht om gestructureerd werk te doen in een rustige omgeving en met een vast aantal afgebakende taken in een klein teamverband, waarbij bijvoorbeeld deadlines en productiepieken, een hoog handelingstempo en conflicten dienen te worden vermeden. In de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangepaste FML zijn beperkingen voor het verrichten van arbeid opgenomen, het persoonlijk en sociaal functioneren betreffend.


4.5.

Ter onderbouwing van zijn standpunt dat het verzekeringsgeneeskundig oordeel waarop het Uwv zich baseert niet juist is, heeft appellant geen medische informatie ingebracht die doet twijfelen aan de juistheid van dat standpunt van het Uwv. Uit de vermelde rapporten van Timmerhuis, alsmede de overige informatie van appellants behandelaars is niet af te leiden dat de FML een onjuist beeld geeft van appellants psychische beperkingen voor het verrichten van arbeid op appellants 17e verjaardag. Daarbij hebben de verzekeringsartsen bezwaar en beroep in hun rapporten van 9 juli 2012, 29 oktober 2012, 7 januari 2013, 11 april 2013 en

1 september 2014 inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat in de FML rekening is gehouden met de door zorgverleners en behandelaars omschreven klachten die appellant ondervindt bij sterke prikkels uit de omgeving, zijn verminderde vermogen tot het aanbrengen van structuur en problemen in sociaal functioneren. Er is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen medische grond om appellant verder beperkt te achten op handelingstempo en volledig voorgestructureerd werk dan reeds is aangenomen. Uit de medische informatie blijkt dat appellant ten tijde in geding zelfstandig kon functioneren en zich kon vervoeren, alsmede doelmatig kon handelen en dat hij destijds niet beperkt was op de aspecten concentratie en aandacht. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft gemotiveerd toegelicht waarom de door Timmerhuis ingevulde FML niet gevolgd kan worden. Diens onderzoek ziet op appellants huidige situatie en niet op de periode in geding. Hetgeen appellant heeft aangevoerd, vormt dan ook geen reden om te twijfelen aan de juistheid van de bevindingen van de verzekeringsarts bezwaar en beroep.


4.6.

Appellant heeft geen medische of andere gegevens overgelegd waaruit zou kunnen blijken dat rond zijn 17e verjaardag voor hem meer of andere beperkingen golden. Volgens vaste rechtspraak (onder meer uitspraken van 24 december 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BO9240 en 27 mei 2011, ECLI:NL:CRVB:2011:BQ6477) ligt bij een laattijdige aanvraag bij de aanvrager het bewijsrisico dat het medisch beeld met het verstrijken van de tijd steeds moeilijker is vast te stellen.


4.7.

Ook de arbeidskundige beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid, waaronder de functieduiding, kan, als die beoordeling ziet op een ver in het verleden gelegen datum, problematisch zijn. Als dit het gevolg is van een late aanvraag, ligt het, volgens vaste rechtspraak (onder meer de uitspraken van 1 november 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AU5978 en 4 juli 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:2293), eveneens in de risicosfeer van de aanvrager dat exacte gegevens over functies in een ver verleden niet meer traceerbaar zijn. Een zodanige situatie is in dit geval aan de orde, nu appellant ruim 35 jaar na zijn 17e verjaardag een aanvraag om een uitkering ingevolge de AAW/Wet Wajong heeft ingediend. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 9 november 2015 aannemelijk gemaakt dat de aan de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid ten grondslag gelegde functies ook rond de 17/18-jarige leeftijd van appellant op de arbeidsmarkt voorkwamen. De belasting in de geselecteerde functies gaat de belastbaarheid van appellant niet te boven.


4.8.

Vastgesteld wordt dat het bestreden besluit waaraan de beoordeling door het Uwv ten grondslag ligt, in overeenstemming is met de bepalingen van de AAW is en dat niet is gebleken dat de onderhavige arbeidsongeschiktheidsschatting verricht is in strijd met enige regel van ongeschreven recht of een algemeen rechtsbeginsel.


5. Gezien hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.8 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd met verbetering van gronden.


6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.


7. Bij deze uitkomst is voor toewijzing van de gevraagde schadevergoeding geen ruimte.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • - wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.


Deze uitspraak is gedaan door P.H. Banda, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 december 2015.




(getekend) P.H. Banda




(getekend) I. Mehagnoul




AP