Centrale Raad van Beroep, 18-12-2015 / 14/3420 TW


ECLI:NL:CRVB:2015:4820

Inhoudsindicatie
Niet bevoegd de toeslag toe te kennen met een terugwerkende kracht van meer dan een jaar. Niet is gebleken van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 11, zevende lid, van de TW.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-18
Publicatiedatum
2016-01-07
Zaaknummer
14/3420 TW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/3420 TW

Datum uitspraak: 18 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

8 mei 2014, 13/5196 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. K.R. Lieuw On, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft nadere gronden ingediend.

Het Uwv heeft een aanvullend verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 oktober 2015. Namens appellant is

mr. Lieuw On verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

A. Anandbahadour.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant ontvangt in verband met arbeidsongeschiktheid sinds 22 april 2002 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). De

WAO-uitkering is door het Uwv vastgesteld op de arbeidsongeschiktheidsklasse van 80 tot 100%.


1.2.

Appellant heeft het Uwv bij aanvraagformulier van 5 maart 2013, door het Uwv ontvangen op 7 maart 2013, verzocht hem met terugwerkende kracht in aanmerking te brengen voor een toeslag op grond van de Toeslagenwet (TW), omdat zijn gezinsinkomen, als gevolg van de WAO-uitkering, met ingang van 22 april 2002 gedaald was.


1.3.

Het Uwv heeft bij besluit van 27 maart 2013 aan appellant een toeslag toegekend vanaf 22 maart 2012.


1.4.

Bij besluit van 9 augustus 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 27 maart 2013 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit ligt de overweging ten grondslag dat appellant ervan op de hoogte was dat hij een aanvraag voor een toeslag kon doen, omdat hij in de bijlage bij de beslissing van 13 september 2002 waarbij hem de

WAO-uitkering werd toegekend op deze mogelijkheid is gewezen en hij ook al in 2007 een aanvraag voor een toeslag heeft gedaan. Weliswaar was er sprake van een psychische problematiek, maar gelet op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van

7 augustus 2013 verhinderde deze appellant niet (eerder) een aanvraag te (laten) doen. Er is daarom geen sprake van een bijzonder geval, als bedoeld in artikel 11, zevende lid, van de TW, op grond van welke bepaling het recht op toeslag kan worden vastgesteld over perioden gelegen voor één jaar voorafgaande aan de dag waarop een aanvraag om toeslag werd gedaan. Voorts kon volgens het Uwv het recht op toeslag niet eerder dan op 22 maart 2012 vastgesteld worden, omdat appellant pas op 22 maart 2013 zijn aanvraag heeft gecompleteerd.


2.1.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd voor zover het de ingangsdatum van de toeslag betreft en deze ingangsdatum vastgesteld op 7 maart 2013. De rechtbank heeft bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het bestreden besluit voor zover dat is vernietigd.


2.2.

De rechtbank heeft daartoe overwogen dat de aanvraag van appellant, gelet op het in het bestreden besluit genoemde besluit van 30 november 2007, waarbij een eerdere aanvraag van appellant voor een toeslag is afgewezen, gezien moet worden als een herhaalde aanvraag waarbij wordt verzocht om terug te komen van het besluit van 30 november 2007. Wat appellant heeft aangevoerd zijn geen nieuw gebleken feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 4:6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Een verzoek om terug te komen van het besluit van 30 november 2007 kan dan ook niet slagen. Om die reden is de rechtbank niet toegekomen aan de beantwoording van de vraag of het Uwv het verzoek om toewijzing met terugwerkende kracht over de periode van 2007 tot 2003 terecht heeft afgewezen.


2.3.

Met betrekking tot de periode gelegen tussen de datum van de aanvraag, door de rechtbank gesteld op 5 maart 2013, en 30 november 2007 heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv zich op basis van het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht op het standpunt heeft gesteld dat er geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 11 van de TW. De door appellant gestelde onbekendheid met het besluit van 13 september 2002 en de in de bijlage hiervan vermelde mogelijkheid tot het aanvragen van een toeslag leidt evenmin tot een dergelijk bijzonder geval. Het Uwv heeft dan ook terecht afgezien van toekenning van de toeslag tot 30 november 2007.


2.4.

Tot slot heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv de door appellant op 5 maart 2013 indiende aanvraag op 7 maart 2013 heeft ontvangen, er op dat moment sprake was van een aanvraag als bedoeld in artikel 1:3, derde lid, van de Awb en het Uwv met ingang van die datum de aanvraag had moeten inwilligen.


3.1.

Het hoger beroep is gericht tegen de aangevallen uitspraak, voor zover de rechtbank appellant niet met een verdergaande terugwerkende kracht dan tot 5 maart 2012 voor een toeslag in aanmerking heeft gebracht.


3.2.

Appellant heeft - zakelijk weergegeven - aangevoerd dat de rechtbank ten onrechte geen nieuw gebleken feiten of omstandigheden aanwezig heeft geacht en dat het Uwv ten onrechte geen bijzondere omstandigheden heeft aangenomen en om die reden ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid de toeslag met terugwerkende kracht tot

30 november 2007 vast te stellen. Het Uwv heeft zijn standpunt niet kunnen baseren op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, omdat dit rapport op onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen en inhoudelijk niet concludent is. Appellant heeft hiertoe verwezen naar de door hem in de bezwaarprocedure overgelegde medische stukken.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Uit het door het Uwv bij het bestreden besluit overgelegde besluit van 30 november 2007 blijkt dat appellant op 22 november 2007 een aanvraag voor een toeslag op grond van de TW heeft gedaan. Het Uwv heeft deze aanvraag afgewezen, omdat zijn partner niet voor

31 december 1971 geboren is en hij evenmin een tot zijn huishouden behorend eigen kind, aangehuwd kind of pleegkind had, dat jonger was dan twaalf jaar.


4.2.

Op het in 1.2 vermelde aanvraagformulier heeft appellant onder meer vermeld dat hij een tot zijn huishouden behorend kind dat jonger is dan twaalf jaar heeft. Dit is een nieuw gebleken feit als bedoeld in artikel 4:6, eerste lid, van de Awb. De rechtbank heeft dit niet onderkend en het bestreden besluit ten onrechte mede aan de hand van het met artikel 4:6 van de Awb samenhangende beperkte rechterlijke toetsingskader beoordeeld.


4.3.

Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het bestreden besluit alsnog integraal inhoudelijk toetsen. Daarbij staat centraal de vraag of het Uwv zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat voor appellant niet gebleken is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 11, zevende lid, van de TW en om die reden niet bevoegd was de toeslag toe te kennen met een terugwerkende kracht van meer dan een jaar.


4.4.

Daarbij moet worden aangetekend dat de mate van terugwerkende kracht in elk geval gemaximeerd is tot het moment waarop appellant aan de materiële voorwaarden voor het verkrijgen van de toeslag voldeed. Ter zitting heeft het Uwv naar voren gebracht dat dit moment moet worden bepaald op 2 juli 2008, de geboortedatum van het kind. Appellant heeft de juistheid van deze datum niet bestreden.


4.5.

De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat voor de periode tot 30 november 2007 tot de datum van de aanvraag geen sprake is geweest van een bijzonder geval op grond waarvan het Uwv bevoegd was de aanvraag met een verdergaande terugwerkende kracht dan tot 5 maart 2012 in te willigen. De door de rechtbank beoordeelde periode omvat de in 4.4 vermelde in geding zijnde periode.


4.6.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat ten aanzien van appellant in de in geding zijnde periode niet gebleken is van een bijzonder geval als vermeld in 4.3 en de motivering waarop dit oordeel berust. Appellant heeft zijn standpunt dat het aan het bestreden besluit mede ten grondslag gelegde rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van

7 augustus 2013 onzorgvuldig is tot stand gekomen in beroep, noch in hoger beroep met medische stukken onderbouwd.


4.7.

Wat in 4.1 tot en met 4.6 is overwogen brengt mee dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, moet worden bevestigd, zij het met verbetering van de gronden.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevallen.



Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter, en G. Van Zeben-de Vries en

R.C. Stam als leden, in tegenwoordigheid van M.S.E.S. Umans als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2015.




(getekend) R.E. Bakker




(getekend) M.S.E.S. Umans


UM