Centrale Raad van Beroep, 18-12-2015 / 14/4752 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:4824

Inhoudsindicatie
Geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA. De bij appellante vastgestelde toegenomen beperkingen komen voort uit een andere ziekteoorzaak dan die waarop de eerdere beoordeling van de aanspraak op WIA-uitkering werd bepaald.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-18
Publicatiedatum
2016-01-07
Zaaknummer
14/4752 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/4752 WIA

Datum uitspraak: 18 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

22 juli 2014, 13/7066 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. O.M. Karam, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 6 november 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Karam. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door F.M.J. Eijmael.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante is werkzaam geweest als verpleeghulp. In verband met rug-, buik- en psychische klachten heeft appellante tot 1 oktober 2009 uitkering ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) ontvangen. Met ingang van 13 december 2009 heeft zij zich vanwege psychische klachten ziek gemeld. Naar aanleiding van een aanvraag om uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) heeft het Uwv na een medische en arbeidskundige beoordeling beperkingen vastgesteld tot het vervullen van arbeid en de mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op 31%. Bij besluit van 25 april 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA is ontstaan, omdat zij met ingang van 11 december 2011 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen aangewend.


1.2.

Op 21 maart 2013 heeft appellante aan het Uwv gemeld dat haar gezondheid vanwege knieklachten is verslechterd. Voor die klachten heeft zij op 11 maart 2013 voor het eerst haar huisarts bezocht. De verzekeringsarts heeft te kennen gegeven dat appellante met ingang van 11 maart 2013 als toegenomen arbeidsongeschikt moet worden beschouwd vanwege andere klachten dan voorheen. Bij besluit van 26 april 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 11 maart 2013 geen recht op een uitkering op grond van de

Wet WIA is ontstaan, omdat appellante andere gezondheidsklachten heeft dan tijdens de eerdere WIA-beoordeling. Daarom geldt een wettelijke wachtperiode van 104 weken.


1.3.

In bezwaar heeft appellante aangevoerd dat de omstandigheid dat zij zich pas in maart 2013 met de knieklachten tot haar huisarts heeft gewend, niet betekent dat die klachten niet al langer zouden bestaan. Ter onderbouwing van haar standpunt heeft appellante een verklaring van de huisarts in Suriname drs. A.J. Landbrug van 17 oktober 2013 overgelegd. Deze heeft bevestigd dat appellante zich in de periode november 2011 tot februari 2012 met knieklachten tot hem had gewend. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft te kennen gegeven dat, gezien de brief van de huisarts-waarnemer A.P.M. den Biggelaar van 14 december 2011, waarin geen melding is gemaakt van knieklachten, geen aanleiding bestaat de medische beoordeling van de verzekeringsarts niet te volgen. Wel is geoordeeld dat nu appellante bij een spreekuurcontact op 15 januari 2013 in het kader van de Ziektewet (ZW) voor het eerst melding heeft gemaakt van de knieklachten de wachttijd van 104 weken op die datum aanvangt. Bij besluit van 28 oktober 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 26 april 2013 ongegrond verklaard.


2. In beroep tegen het bestreden besluit heeft appellante nadere medische stukken in geding gebracht. Het gaat om brieven van huisarts J.P.H. Leijer van 11 maart 2013 en van

5 december 2013, en brieven van de radioloog van 23 mei 2008 en van 22 februari 2013. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft hierin geen aanleiding gezien het ingenomen standpunt te herzien.


3. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat de bij appellante vastgestelde toegenomen beperkingen voortkomen uit een andere ziekteoorzaak dan die waarop de eerdere beoordeling van de aanspraak op WIA-uitkering werd bepaald. In dat verband heeft de rechtbank van belang geacht dat in de brief van de huisarts-waarnemer van 14 december 2011 noch in het rapport van verzekeringsarts van 20 december 2011 melding is gemaakt van knieklachten. De informatie van huisarts Leijster acht de rechtbank niet doorslaggevend nu deze arts tegenstrijdige informatie heeft verschaft. Zo schrijft Leijster op 11 maart 2013 dat appellante sinds acht maanden last heeft van de knie en schrijft diezelfde huisarts op 5 december 2013

- ongemotiveerd - dat bij appellante rond december 2011 sprake is geweest van knieklachten. De rechtbank acht dat laatste niet aannemelijk, omdat de huisarts-waarnemer die appellante rond die datum heeft gezien in zijn brief van 14 december 2011 geen melding heeft gemaakt van de knieklachten. Verder acht de rechtbank niet begrijpelijk dat appellante, als de status van haar knie zo slecht was als de radioloog in zijn rapport van 23 mei 2008 beschrijft, pas in 2013 en dus ruim vijf jaar later met die klachten naar de huisarts gaat. Een nadere verklaring hiervoor heeft appellante niet gegeven.


4. Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat de omstandigheid dat haar huisarts twee elkaar tegensprekende verklaringen heeft afgegeven haar niet kan worden tegengeworpen. Verder heeft appellante nadere medische informatie van de radioloog en de orthopeed overgelegd.


5. De Raad komt tot de volgende beoordeling, waarbij voor het toepasselijke wettelijke kader wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak.


5.1.

Vastgesteld wordt dat bij de beoordeling van de aanspraak op uitkering ingevolge de Wet WIA per 11 december 2011 geen melding is gemaakt van knieklachten. In het medische rapport van 20 december 2011 is een uitgebreide beschrijving van de ziektegeschiedenis van appellante gegeven. Daaruit blijkt dat de ziekmelding op 14 december 2009 verband hield met psychische problematiek. Verder is melding gemaakt van longproblemen, suikerziekte, darmklachten, galblaasproblemen en pijn op de borst. Op basis van die informatie werd een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgesteld en is de mate van arbeidsongeschiktheid per 11 december 2011 vastgesteld op minder dan 35%. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de toegenomen beperkingen als gevolg van de knieklachten voortvloeien uit een andere ziekteoorzaak. Daarmee is niet voldaan aan de in artikel 55, eerste lid, aanhef en onder b, genoemde voorwaarden dat de gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid voortkomt uit dezelfde als die op grond waarvan hij gedurende de wachttijd ongeschikt was tot het verrichten van zijn arbeid. Die klachten zijn namelijk voor het eerst tijdens het spreekuur bij de verzekeringsarts in het kader van een ZW-beoordeling op 15 januari 2013 gemeld. Bij de WIA-beoordeling in 2011 zijn geen medische beperkingen ter zake van de knie vastgesteld.


5.2.

De rechtbank heeft op goede gronden geoordeeld dat de brieven van de huisarts de beoordeling niet anders maken. Dat de huisarts van appellante tegenstrijdige informatie heeft gegeven is, anders dan appellante meent, een omstandigheid die voor rekening van appellante komt. Aan de tweede verklaring van Leijster van 5 december 2013 heeft de rechtbank op juiste gronden niet die betekenis gehecht als appellante daaraan gehecht zou willen zien. De omstandigheid dat de arts in Suriname blijkens diens verklaring van 17 oktober 2013 appellante in 2011 heeft geadviseerd röntgenfoto’s van de knie te laten maken in Nederland maakt de beoordeling evenmin anders, nu appellante dat advies niet heeft opgevolgd en zich pas in 2013 tot de radioloog in Nederland heeft gewend met het verzoek een MRI te maken. Dit duidt erop dat de in Suriname geuite klachten niet zodanig ernstig waren om deze bij de huisarts in Nederland te melden en het advies van de arts op te volgen door op dat moment in Nederland een MRI aan te vragen.


5.3.

Ook de stukken die appellante in hoger beroep heeft overgelegd werpen geen nieuw licht op de beoordeling. Het betreft verslagen van radiologische onderzoeken op 4 juni 2014 en

3 juli 2014, alsmede een brief van de orthopedisch chirurg van 4 juni 2014 met een verslag van een actueel medisch onderzoek. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 24 oktober 2014 overtuigend gemotiveerd waarom deze stukken niet leiden tot een ander standpunt over de aard en omvang van de beperkingen van appellante ten tijde hier van belang.


5.4.

Uit overweging 5.1, 5.2 en 5.3 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en L. Koper en R.P.T. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2015.




(getekend) J.P.M. Zeijen




(getekend) I. Mehagnoul



UM