Centrale Raad van Beroep, 21-12-2015 / 14/7208 WWB-W


ECLI:NL:CRVB:2015:4844

Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek om wraking. Van een blijk van vooringenomenheid is geen sprake, te minder nu uit de beslissing van 12 november 2015 blijkt dat de zaak na de zitting zonodig kan worden heropend. Een verzoek om wraking van een rechterlijk college is als zodanig geen wrakingsverzoek waarop artikel 8:15 van de Awb ziet.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-21
Publicatiedatum
2016-01-13
Zaaknummer
14/7208 WWB-W
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/7208 WWB-W


Datum uitspraak: 21 december 2015


Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer










Beslissing op het verzoek om wraking gedaan door


[verzoekster] te [woonplaats] (verzoekster)


















PROCESVERLOOP


Namens verzoekster heeft [M.] hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 20 november 2014, 14/2383, in het geding tussen verzoekster en het college van burgemeester en wethouders van Almere.


Verzoekster heeft tevens een verzoek om voorlopige voorziening gedaan. Dit verzoek is op

12 februari 2015 op zitting behandeld. De voorzieningenrechter van de Raad heeft het verzoek bij uitspraak van 26 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:573, afgewezen.


Op 16 oktober 2015 heeft de Raad aan partijen meegedeeld dat het hoger beroep zal worden behandeld ter zitting van 24 november 2015 door de rechter mr. Y.J. Klik.


Bij brief van 9 november 2015 heeft verzoekster verzocht om uitstel van de behandeling ter zitting. Verzoekster heeft er hierbij op gewezen dat haar tijdens de zitting op 12 februari 2015 is meegedeeld dat de behandeling van het hoger beroep nog één à twee jaar kan duren. Hierdoor bestond bij haar de verwachting dat er nog gelegenheid was om een deskundigenrapport in te brengen. Verder heeft verzoekster naar voren gebracht dat zij behoefte heeft aan een onderzoek door de Raad voor de Rechtspraak naar de wijze waarop in deze zaak feiten worden gewogen en hoe wordt omgegaan met haar belangen. De Raad heeft het verzoek om uitstel van de zitting bij brief van 12 november 2015 afgewezen. Daarbij is vermeld dat niet is gebleken dat het verzoek niet op een eerder moment had kunnen worden ingediend en dat in de aangevoerde redenen geen aanleiding wordt gezien voor uitstel. Verder is vermeld dat indien de Raad na de zitting besluit het onderzoek te heropenen, verzoekster daarvan schriftelijk bericht ontvangt.


Bij brief van 16 november 2015 heeft verzoekster verzocht om wraking van mr. Klik.


Mr. Klik heeft schriftelijk meegedeeld niet in de wraking te berusten.


Verzoekster en mr. Klik zijn in de gelegenheid gesteld te worden gehoord ter zitting van

14 december 2015. Verzoekster is verschenen, bijgestaan door [M.]. Mr. Klik is, zoals aangekondigd, niet verschenen.



OVERWEGINGEN


1. Artikel 8:15 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) bepaalt dat op verzoek van een partij elk van de rechters die een zaak behandelen, kan worden gewraakt op grond van feiten en omstandigheden waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Uit de memorie van toelichting bij artikel 8:15 van de Awb blijkt dat de ratio van het instituut van wraking is gelegen in het waken tegen inbreuken op de rechterlijke onpartijdigheid.


2. Verzoekster heeft aan het verzoek om wraking, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. De autocratische toon van de afwijzing en het gebrek aan motivering van de beslissing hebben het vertrouwen van verzoekster in de Raad ernstig geschaad. De Raad is niet bevoegd om namens of in plaats van de Raad voor de Rechtspraak een oordeel te vellen over de door verzoekster naar voren gebrachte gebreken in de procedure en de wijze waarop de Raad omgaat met de belangen van rechtszoekenden. Verder is erop gewezen dat in de uitspraak van 26 februari 2015 geen termijn is genoemd voor het inbrengen van een deskundigenrapport. Verzoekster is hierdoor niet voorbereid op een behandeling ter zitting op 24 november 2015.


3.1.

Een wrakingsgrond moet zijn gelegen in feiten of omstandigheden die betrekking hebben op (de persoon van) de rechters die de zaak behandelen. Bij een beoordeling van een beroep op het ontbreken van de onpartijdigheid van de rechter dient verder het uitgangspunt te zijn dat een rechter uit hoofde van zijn aanstelling moet worden vermoed onpartijdig te zijn, tenzij zich een uitzonderlijke omstandigheid voordoet die een zwaarwegende aanwijzing vormt voor het oordeel dat een rechter jegens een rechtzoekende een vooringenomenheid koestert, althans dat bij een rechtzoekende dienaangaande bestaande vrees objectief gerechtvaardigd is (zie onder meer het arrest van de Hoge Raad van 21 september 2010, ECLI:NL:HR:2010:BM9141).


3.2.

De beslissing om al dan niet uitstel van een zitting te verlenen, is een zogeheten procedurele beslissing. Het is vaste rechtspraak (zie onder meer de uitspraak van de Raad van 20 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:2517) dat wraking niet is bedoeld als rechtsmiddel tegen procedurele beslissingen. Een dergelijke beslissing kan slechts leiden tot toewijzing van een wrakingsverzoek als daaruit blijkt van vooringenomenheid van de rechter die de beslissing heeft genomen. Van een blijk van vooringenomenheid is in dit geval geen sprake, te minder nu uit de beslissing van 12 november 2015 blijkt dat de zaak na de zitting zonodig kan worden heropend.


3.3.

Voor zover het verzoek om wraking is gericht tegen de wijze waarop de Raad in het algemeen omgaat met de belangen van rechtszoekenden, ziet het verzoek niet op de persoon van de behandelend rechter en is het gericht tegen elk lid van de Raad en elke kamer in welke samenstelling dan ook, dus tegen de Raad als zodanig. Zoals de Raad eerder heeft overwogen, is een verzoek om wraking van een rechterlijk college als zodanig geen wrakingsverzoek waarop artikel 8:15 van de Awb ziet (zie onder meer de uitspraak van 22 mei 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:CA1191).


3.4.

Uit 3.1 tot en met 3.4 volgt dat het verzoek om wraking moet worden afgewezen.


4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep wijst het verzoek om wraking van mr. Y.J. Klik af.


Deze uitspraak is gedaan door J.P.M. Zeijen als voorzitter en B.J. van de Griend en

J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 december 2015.




(getekend) J.P.M. Zeijen




(getekend) D. van Wijk







sg