Centrale Raad van Beroep, 23-12-2015 / 13/6617 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:4856

Inhoudsindicatie
Mate van arbeidsongeschiktheid vastgesteld op minder dan 35%. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag. Nu reeds bij de herbeoordeling op 3 oktober 2012 was vastgesteld dat de mate van appellants arbeidsongeschiktheid minder dan 35% was, en bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid in de periode van 3 mei 2013 tot 17 februari 2014 de mate van arbeidsongeschiktheid niet was toegenomen, is geen verandering gekomen in de datum waarop de WGA-uitkering eindigt, namelijk 8 april 2014. Nu niet gesteld of gebleken is dat appellant zich na 17 februari 2014 toegenomen arbeidsongeschikt heeft gemeld, was het Uwv ook niet gehouden tot een beoordeling per 8 april 2014 over te gaan. Met de vermelding van die datum in de diverse besluiten heeft het Uwv slechts de voor appellant geldende maximale uitkeringsduur van de loongerelateerde uitkering tot uitdrukking gebracht.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-23
Publicatiedatum
2016-01-07
Zaaknummer
13/6617 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6617 WIA, 14/5478 WIA

Datum uitspraak: 23 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op de hoger beroepen tegen de uitspraken van de rechtbank Overijssel van

4 december 2013, 13/1076 (aangevallen uitspraak 1) en 19 augustus 2014, 14/743 (aangevallen uitspraak 2)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant zijn hoger beroepen ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend.

Appellant heeft nadere stukken ingebracht.

Het onderzoek ter zitting in beide zaken heeft gevoegd plaatsgevonden op 13 april 2015. Appellant is verschenen met bijstand van mr. H.A. van der Kleij, advocaat. Voorts is als tolk S. Tomina verschenen. Het Uwv is met kennisgeving niet verschenen.

Het onderzoek in beide zaken is heropend om in zaak 14/5478 WIA alsnog een arbeidskundig onderzoek te laten plaatsvinden.

Bij brief van 13 juli 2015 heeft het Uwv het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 10 juli 2015 ingebracht.

Het nader onderzoek ter zitting in beide zaken heeft gevoegd plaatsgevonden op

13 november 2015. Appellant is verschenen met bijstand van mr. Van der Kleij. Voorts is als tolk D.J. Doets verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant is op 11 maart 2010 wegens rug- en knieklachten uitgevallen voor zijn werkzaamheden als heftruckchauffeur die hij gedurende 42,44 uur per week verrichtte.


1.2.

Bij besluit van 23 februari 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang van

8 maart 2012 100% arbeidsongeschikt is en op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) recht op een loongerelateerde WGA-uitkering is ontstaan. Daarbij is tevens beslist dat appellant de toegekende loongerelateerde uitkering zal ontvangen tot 8 april 2014.


1.3.

In het kader van een herbeoordeling is appellant onderzocht door een verzekeringsarts van het Uwv. Deze verzekeringsarts heeft in haar rapport van 25 juli 2012 vermeld dat bij de herniaoperatie in februari 2012 bij appellant een zenuw is beschadigd, waardoor sprake is van hyperesthesie van beide voeten. Appellant moet hiervoor speciaal schoeisel dragen, waardoor werk met veelvuldig gebruik van voetpedalen niet mogelijk is. Hij blijft voorts aangewezen op rugsparend werk. Daarnaast is sprake van kniebeperkingen als gevolg van eerder verrichte knieoperaties. Op 3 oktober 2012 heeft vervolgens een arbeidskundig onderzoek plaatsgevonden.


1.4.

Bij besluit van 11 oktober 2012 is vastgesteld dat de mate van appellants arbeidsongeschiktheid 27% is. Tevens is in dat besluit vermeld dat het Uwv aan appellant bij de toekenning van de loongerelateerde WGA-uitkering heeft laten weten dat hij de loongerelateerde uitkering tot 8 april 2014 zal ontvangen.


1.5.

Naar aanleiding van zijn bezwaar tegen dit besluit is appellant onderzocht door een verzekeringsarts bezwaar en beroep. Deze heeft in haar rapport van 8 februari 2013 vermeld dat de primaire verzekeringsarts ruime beperkingen in verband met de door appellant ervaren rugklachten heeft aangenomen. Wegens appellants medicijngebruik acht deze verzekeringsarts appellant ook beperkt wat betreft functies met verhoogd persoonlijk risico en is in zoverre de betreffende Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) op 12 februari 2013 aangepast.


1.6.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van het Uwv heeft, rekening houdend met de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep vastgestelde beperkingen van appellants mogelijkheden om arbeid te verrichten deels nieuwe functies geselecteerd, op basis waarvan de mate van appellants arbeidsongeschiktheid opnieuw is berekend. In zijn rapport van 4 april 2013 heeft hij geconcludeerd dat de mate van appellants arbeidsongeschiktheid 33,96% bedraagt.


1.7.

Het bezwaar van appellant tegen het besluit van 11 oktober 2012 is bij besluit van

5 april 2013 (bestreden besluit 1) onder verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep ongegrond verklaard.


2.1.

Appellant heeft zich op 15 juli 2013 met ingang van 3 mei 2013 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld wegens knieklachten.


2.2.

Een verzekeringsarts van het Uwv heeft appellant naar aanleiding van deze melding onderzocht en in het rapport van 18 oktober 2013 vermeld dat appellant reeds uitgebreid beperkt is en dat bij het eigen onderzoek geen toegenomen beperkingen van de rechterknie ten opzichte van het vorige onderzoek worden geconstateerd. Deze verzekeringsarts acht appellants belastbaarheid op 3 mei 2013 niet toegenomen in vergelijking met de op

8 februari 2003 vastgestelde beperkingen.


2.3.

Vervolgens heeft het Uwv naar aanleiding van appellants melding van 15 juli 2013 op

13 november 2013 een besluit genomen; daarbij is medegedeeld dat uit het oordeel van de verzekeringsarts blijkt dat de beperkingen van appellant niet zijn toegenomen. Voorts is herhaald dat er met ingang van 8 april 2014 geen recht meer bestaat op een uitkering op grond van de Wet WIA.


2.4.

In het kader van het bezwaar van appellant tegen dit besluit is de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 17 februari 2014 onder meer op grond van zijn eigen onderzoek van appellant op die datum tot de slotsom gekomen dat de FML van

12 februari 2013 evenals de conclusie waartoe de primaire verzekeringsarts in zijn rapport van 18 oktober 2013 is gekomen, in stand kunnen blijven.


2.5.

Het bezwaar tegen dit besluit is bij besluit van 19 februari 2014 (bestreden besluit 2) onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ongegrond verklaard. Daarbij is vermeld dat dat genoemd verzekeringsgeneeskundig rapport als bijlage bij die beslissing is gevoegd en van die beslissing deel uitmaakt.


3.1.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak 1 het beroep van appellant tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in deze procedure de datum

3 oktober 2012, de datum waarop de arbeidskundige beoordeling heeft plaatsgevonden, als datum in geding aangemerkt en heeft overwogen dat appellant zijn standpunt dat hij op deze datum volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is niet heeft onderbouwd. Voorts heeft hij volgens de rechtbank onvoldoende aannemelijk gemaakt dat hij wat betreft

knie- en rugbelasting meer beperkingen van zijn mogelijkheden om arbeid te verrichten ondervindt.


3.2.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak 2 het beroep van appellant tegen het bestreden besluit 2 eveneens ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten aanzien van de belastbaarheid van appellant. Overwogen is dat deze verzekeringsarts acht heeft geslagen op recente medische informatie betrekking hebbend op de medische beoordeling op 17 februari 2014 en dat daaruit kan worden afgeleid dat het onderzoek niet alleen is gericht geweest op de melding toename per 3 mei 2013, maar ook de beëindigingsdatum WIA-uitkering per 8 april 2014. Daarbij is van belang geacht dat appellant niet heeft aangevoerd dat er sprake is geweest van veranderingen in de medische situatie tussen februari en april 2014.


4.1

Appellant heeft in hoger beroep onder verwijzing naar hetgeen hij in bezwaar en beroep heeft aangevoerd, de juistheid van de aangevallen uitspraken als volgt bestreden. Met betrekking tot de aangevallen uitspraak 1 en het bestreden besluit 1 heeft hij aangevoerd dat hij volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is, dan wel dat de mate van zijn arbeidsongeschiktheid hoger is dan door het Uwv is aangenomen. Hij heeft gesteld dat hij als gevolg van zijn knieklachten zwaardere beperkingen heeft ten aanzien van knielen of hurken en dat hij als gevolg van zijn rugklachten beperkingen ten aanzien van reiken, frequent reiken en torderen heeft. Daarnaast moet hij zich kunnen vertreden. Hij heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat hij als gevolg van rugklachten meer beperkingen heeft onder ander verwezen naar een verslag van zijn revalidatieartsen van 8 oktober 2012.

Voorts heeft appellant betoogd dat zijn maatmaninkomen te laag is vastgesteld omdat hij een hoger opleidingsniveau heeft.


4.2.

Met betrekking tot de aangevallen uitspraak 2 heeft appellant aangevoerd dat het Uwv zijn beperkingen per 3 mei 2013 heeft onderschat en zijn beperkingen per 8 april 2014 niet heeft beoordeeld. Hij wijst er daarbij op dat het besluit van 13 november 2013 geen betrekking lijkt te hebben op de datum 3 mei 2013. Voorts heeft volgens appellant in bezwaar geen volledige heroverweging plaatsgevonden, omdat het Uwv niet is ingegaan op zijn argumenten uit zijn bezwaarschrift van 22 november 2013.


4.3.

Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraken te bevestigen.


5. De Raad oordeelt als volgt.


5.1.

In de aangevallen uitspraak 1 heeft de rechtbank met juistheid gewezen op de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Uit het rapport van 8 februari 2013 blijkt dat deze verzekeringsarts op grond van eigen uitvoerig onderzoek, dossieronderzoek en de in het dossier beschikbare en verkregen informatie van de behandelende neurochirurg en de revalidatieartsen heeft geconcludeerd dat de visie van de verzekeringsarts grotendeels kan worden gevolgd en de FML heeft aangescherpt gelet op appellants medicijngebruik. Het rapport bevat een deugdelijk gemotiveerde verzekeringsgeneeskundige reactie op de (medische) bezwaren van appellant. In het in de fase van beroep ingebrachte rapport van

19 juli 2013 is vermeld dat de primaire verzekeringsarts de knieklachten in haar weging heeft betrokken en dat deze arts appellant uit preventief oogpunt aangewezen achtte op kniesparend werk in verband met de operaties in het verleden. De verzekeringsarts bezwaar en beroep zag geen medische reden om een forsere beperking aan te nemen, omdat bij appellant geen aanwijzingen waren voor een actueel ziekteproces. Op of omstreeks 3 oktober 2012 was appellant hiervoor ook niet onder behandeling. Appellant heeft geen medische stukken ingebracht die doen twijfelen aan de conclusies van de verzekeringsartsen. Uit de vermelde brief van zijn revalidatieartsen kan, in tegenstelling tot hetgeen appellant betoogt, niet afgeleid worden dat appellant meer beperkingen heeft dan waarvan in de FML wordt uitgegaan.


5.2.

De rechtbank heeft voorts met juistheid overwogen dat niet in geschil is dat appellant is uitgevallen voor zijn werkzaamheden als heftruckchauffeur en dat dit inhoudt dat het inkomen van heftruckchauffeur als maatmaninkomen moet gelden. Op grond van artikel 1 van de Wet WIA wordt immers onder maatmaninkomen verstaan: hetgeen gezonde personen met soortgelijke opleiding en ervaring, ter plaatse waar hij arbeid verricht of het laatst heeft verricht, of in de omgeving daarvan met arbeid gewoonlijk verdienen. Het is vaste rechtspraak dat in beginsel de maatman degene is die dezelfde arbeid verricht als de betrokkene laatstelijk voor het intreden van de arbeidsongeschiktheid verrichtte. Het door appellant gestelde opleidingsniveau geeft op zich geen aanleiding om in dit geval van een andere maatman uit te gaan.


5.3.

Uitgaande van de juistheid van de FML is niet gebleken dat, gelet op de aan die functies verbonden belasting, de functies die aan bestreden besluit 1 ten grondslag zijn gelegd, in medisch opzicht ongeschikt zijn voor appellant. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 4 april 2013 de signaleringen die aangeven dat er mogelijk een overschrijding van de belastbaarheid op een onderdeel aanwezig is, besproken. Deze motiveringen worden toereikend geacht. Het Uwv heeft dan ook bij besluit 1 de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant per 3 oktober 2012 terecht vastgesteld op minder dan 35%. De aangevallen uitspraak 1 zal dan ook worden bevestigd.


5.4.

Voorts heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak 2 met juistheid verwezen naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 februari 2014. Dat rapport bevat een deugdelijk gemotiveerde verzekeringsgeneeskundige reactie op appellants bezwaren, ook met betrekking tot het (inleidend) bezwaarschrift van 22 november 2013. Daarbij heeft de rechtbank terecht in aanmerking genomen dat het onderzoek van de verzekeringsartsen gericht is geweest op de datum 3 mei 2013, maar dat daarbij in de bezwaarfase informatie van de behandelend artsen uit januari en februari 2014 bij de beoordeling is betrokken. De rechtbank is er terecht vanuit gegaan dat het Uwv de medische situatie van appellant tot

17 februari 2014 heeft beoordeeld.


5.5.

Tegenover het verzekeringsgeneeskundig oordeel waarop het Uwv zich baseert, heeft appellant geen dusdanige medische informatie verstrekt dat getwijfeld moet worden aan de juistheid van dit verzekeringsgeneeskundig oordeel over de datum 3 mei 2013 en over de periode daarna tot op de datum van het medisch onderzoek van 17 februari 2014. De in hoger beroep ingebrachte stukken met betrekking tot een scopie en correctie van de knie dateren van ruim na 3 mei 2013, de datum met ingang waarvan appellant zich toegenomen arbeidsongeschikt heeft gemeld, en kunnen alleen al daarom niet tot een ander oordeel leiden met betrekking tot die datum. Voorts biedt die nadere informatie onvoldoende aanknopingspunten voor de opvatting dat appellants medische situatie tussen 3 mei 2013 en 17 februari 2014 is verslechterd en - de recente arbeidskundige gegevens in aanmerking nemend - de mate van zijn arbeidsongeschiktheid was toegenomen.


5.6.

De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in haar rapport van 10 juli 2015 aan de hand van geselecteerde voorbeeldfuncties alsnog berekend dat de mate van appellants arbeidsongeschiktheid op 3 mei 2013 28,38% was. Uitgaande van de juistheid van de FML moet appellant in staat worden geacht de werkzaamheden die zijn verbonden aan de per

3 mei 2013 geselecteerde voorbeeldfuncties te verrichten. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft in dit rapport tevens inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd waarom de signaleringen in de geselecteerde functies geen overschrijdingen van appellants belastbaarheid vormen.


5.7.

Ter zitting is naar voren gebracht dat dit arbeidskundig onderzoek onvoldoende zorgvuldig is geweest omdat er geen gesprek met appellant heeft plaatsgevonden. Uit de wet noch uit de rechtspraak vloeit voort dat de functies die aan een schatting ten grondslag worden gelegd met de betrokkene moeten worden besproken (uitspraak van 14 april 2006, ECLI:NL:CRVB:2006:AW4204). Deze rechtspraak geldt evenzeer voor de Wet WIA. Het gaat erom dat het voor de betrokkene voldoende duidelijk is wat zijn (theoretische) arbeidsmogelijkheden zijn. Aan die eis is voldaan nu de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep in haar rapport van 10 juli 2015 dezelfde functies heeft geselecteerd als de functies die zijn geselecteerd om de mate van appellants arbeidsongeschiktheid met ingang van 3 oktober 2012 vast te stellen.


5.8.

Gelet op het voorgaande heeft de rechtbank in beide procedures terecht geen aanleiding gezien om een deskundige in te schakelen en wordt ook in hoger beroep geen aanleiding gezien om een deskundige te benoemen.


5.9.

Naar aanleiding van hetgeen appellant tegen het oordeel van de rechtbank in de aangevallen uitspraak 2 over besluit 2 heeft aangevoerd omtrent de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant op 8 april 2014 wordt nog het volgende overwogen.

Op grond van artikel 56, eerste lid, aanhef en onder a, van de Wet WIA eindigt het recht op een WGA-uitkering op de dag dat de verzekerde niet meer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is. Op grond van het tweede lid van dat artikel eindigt het recht op een WGA-uitkering van de verzekerde wiens mate van arbeidsongeschiktheid lager is dan 35% in afwijking van het eerste lid, onderdeel a, twee maanden na de dag dat hij niet langer gedeeltelijk arbeidsgeschikt is, doch niet eerder dan op de dag dat de loongerelateerde uitkering van de WGA-uitkering eindigt. Gelet op artikel 56, tweede lid, van de Wet WIA, kan een toegekende loongerelateerde WGA-uitkering in beginsel dan ook niet worden ingetrokken. In dit geval is aan appellant dan ook reeds bij besluit 23 februari 2012 over de voor hem geldende maximale uitkeringsperiode - aflopend op 8 april 2014 - een dergelijke uitkering toegekend.


5.10.

Uit artikel 56, tweede lid, van de Wet WIA vloeit voort dat, indien er op enig moment sprake is van een mate van arbeidsongeschiktheid van minder dan 35%, en deze mate nadien voorafgaand aan de beëindigingsdatum van de loongerelateerde uitkering ook niet toeneemt, er geen recht meer is op een WGA-uitkering met ingang van de beëindigingsdatum van de loongerelateerde uitkering. Nu reeds bij de herbeoordeling op 3 oktober 2012 was vastgesteld dat de mate van appellants arbeidsongeschiktheid minder dan 35% was, en bij de beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid in de periode van 3 mei 2013 tot 17 februari 2014 de mate van arbeidsongeschiktheid niet was toegenomen, is geen verandering gekomen in de datum waarop de WGA-uitkering eindigt, namelijk 8 april 2014.


5.11.

Anders dan de rechtbank aanneemt geven de gedingstukken geen aanleiding te veronderstellen dat het Uwv bij de onderhavige besluitvorming ook de mate van arbeidsongeschikt van appellant op 8 april 2014, welke datum ligt na het laatste medisch onderzoek, heeft onderzocht en vastgesteld. Nu niet gesteld of gebleken is dat appellant zich na 17 februari 2014 toegenomen arbeidsongeschikt heeft gemeld, was het Uwv ook niet gehouden tot een dergelijke beoordeling per 8 april 2014 over te gaan. Met de vermelding van die datum in de diverse besluiten heeft het Uwv slechts de voor appellant geldende maximale uitkeringsduur van de loongerelateerde uitkering tot uitdrukking gebracht.


5.12.

Omdat eerst in hoger beroep een deugdelijke arbeidskundige onderbouwing is gegeven voor het bestreden besluit 2 is de conclusie dat dit besluit niet deugdelijk was gemotiveerd, zodat dit besluit in zoverre in strijd is met het bepaalde in artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Omdat appellant hierdoor niet wordt benadeeld, zal onder toepassing van artikel 6:22 van de Awb de schending van artikel 7:12 van die wet worden gepasseerd. Het bestreden besluit 2 kan dus in stand worden gelaten en de aangevallen uitspraak 2 zal worden bevestigd met verbetering van gronden.


5.13.

Hetgeen in 5.1 tot en met 5.12 is overwogen leidt tot de conclusie dat de hoger beroepen niet slagen en voor een veroordeling tot vergoeding van de gevorderde renteschade dus geen grond is.


6. Er is, gelet op overweging 5.12, aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep. De kosten worden begroot op € 980,- in verband met verleende rechtsbijstand in beroep, op € 1.225,- in verband met verleende rechtsbijstand in hoger beroep en op € 59,60 voor gemaakte reiskosten, tezamen € 2.264,60.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraken;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep tot een

bedrag van € 2.264,60;

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van

in totaal € 329,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door H. van Leeuwen, in tegenwoordigheid van N. van Rooijen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2015.



(getekend) H. van Leeuwen




(getekend) N. van Rooijen





SU