Centrale Raad van Beroep, 20-02-2015 / 13-250 WIA-T


ECLI:NL:CRVB:2015:486

Inhoudsindicatie
Tussenuitspraak. Loongerelateerde WGA-uitkering. Het door appellant in geding gebrachte expertiserapport van Van Mechelen getuigt van een zorgvuldig verricht en diepgaand onderzoek waarbij op basis van anamnese, fysiek onderzoek van appellant en bestudering van de medische informatie tot inzichtelijke en consistente conclusies is gekomen. Hetgeen de verzekeringsarts tegen het rapport van Van Mechelen heeft ingebracht, is mede gelet op het weinig inhoudelijke karakter van de in deze rapporten vervatte reacties, onvoldoende om de uitgebreide en inzichtelijke afwegingen en conclusies van Van Mechelen te weerleggen, waardoor deze rapporten overtuigingskracht missen. Het bestreden besluit berust op een onvoldoende deugdelijke medische grondslag en is daarom ontoereikend gemotiveerd. De Raad draagt het Uwv op om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-20
Publicatiedatum
2015-02-24
Zaaknummer
13-250 WIA-T
Procedure
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

13/250 WIA-T

Datum uitspraak: 20 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van

5 december 2012, 12/6049 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. W.H. Beishuizen, werkzaam bij Achmea Rechtsbijstand, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft een nadere reactie ingezonden alsmede een nadere brief van 2 mei 2013 van de door hem in de beroepsprocedure ingeschakelde deskundige. Het Uwv heeft met een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep hierop gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 januari 2015. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J.F. Bär.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant, werkzaam als operator, heeft zich op 17 november 2009 ziek gemeld met hartklachten waarna appellant is gedotterd en een stent is geplaatst. Daarna heeft appellant twee operaties ondergaan waarbij, uiteindelijk, de gehele schildklier is verwijderd. Op

8 augustus 2011 heeft appellant een uitkering aangevraagd op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).


1.2.

In overeenstemming met de uitkomst van een verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 20 oktober 2011 vastgesteld dat voor appellant met ingang van 15 november 2011 recht is ontstaan op een loongerelateerde

WGA-uitkering. Het Uwv heeft de mate van arbeidsongeschiktheid daarbij berekend op 69,24%.


1.3.

Appellant heeft tegen het besluit van 20 oktober 2011 bezwaar gemaakt. Bij besluit van 14 juni 2012 (bestreden besluit) is dit bezwaar ongegrond verklaard.


2.1.

In beroep heeft appellant aangevoerd dat de verzekeringsartsen onvoldoende rekening hebben gehouden met de klachten en beperkingen die hij ondervindt als gevolg van zijn hartproblematiek. Zijn conditie is hierdoor zeer beperkt; een geringe inspanning zorgt voor pijn op de borst. Voorts is als gevolg van de schildklieroperaties de draaibewegelijkheid van de nek sterker beperkt dan is aangenomen door de verzekeringsartsen. Appellant acht zich door zijn slechte gezondheidstoestand niet in staat om loonvormende arbeid te verrichten. Ter ondersteuning van zijn standpunt heeft appellant een expertiserapport van 11 oktober 2012 van revalidatiearts R. van Mechelen ingezonden. Van Mechelen komt in zijn rapport tot de conclusie dat de conditionele beperkingen door de hartproblematiek, de forse beperking van nekspieren als gevolg van de schildklierverwijdering, het forse functieverlies van de linkerhand en de verstoorde kniefunctie er toe leiden dat appellant net genoeg functioneert om te “overleven”. Deze beperkingen brengen mee dat appellant in het geheel niet in staat is om loonvormende arbeid te verrichten. De prognose op herstel acht hij uitermate dubieus. De slotconclusie van Van Mechelen is dat bij appellant sprake is van een situatie waarin geen duurzaam benutbare mogelijkheden zijn aan te geven.


2.2.

In haar rapport van 19 oktober 2012 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in aanvulling op de eerdere rapporten te kennen gegeven dat de kortademigheid van appellant noch bij de verzekeringsarts noch bij haar is waargenomen en zij appellant dicht rond de datum in geding hebben gezien. Voorts is ischemie naar voren gekomen uit de gegevens van de behandelend cardioloog. Van Mechelen heeft appellant negen maanden na de datum in geding gezien zodat gelet op de door hem geconstateerde kortademigheid gesproken kan worden van een verslechterende situatie op grond waarvan appellant een nieuwe beoordeling kan vragen. Tot slot zijn in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 29 augustus 2011 forse beperkingen neergelegd op grond waarvan appellant voor halve dagen te belasten is met licht werk.


2.3.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het besluit van 14 juni 2012 ongegrond verklaard, daartoe overwegende dat er geen aanknopingspunten zijn om het medisch onderzoek onzorgvuldig te achten en dat de medische beperkingen van appellant niet onjuist zijn gewaardeerd. De rechtbank acht door de verzekeringsarts bezwaar en beroep het oordeel van Van Mechelen, dat appellant gelet op zijn cardiale toestand in het geheel niet belastbaar zou zijn, voldoende weersproken. Evenmin wordt doorslaggevende betekenis toegekend aan het door Van Mechelen gegeven oordeel dat appellant voor de nekklachten en handfunctie links meer beperkt is dan aangenomen in de FML. Tot slot heeft de rechtbank geoordeeld dat in de rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende is gemotiveerd dat de geduide functies voor appellant als passend kunnen worden aangemerkt.


3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat de rechtbank te weinig waarde heeft gehecht aan de conclusies van Van Mechelen. Het feit dat Van Mechelen zijn onderzoek negen maanden na datum in geding heeft gedaan, is geen grond om zijn conclusies niet in volle omvang en waarde mee te wegen. In dat verband is gewezen op de nadere reactie van Van Mechelen bij brief van 2 mei 2013 waarin deze heeft aangegeven bekend te zijn met de definities en interpretatiekaders bij arbeidsongeschiktheidsbeoordelingen, waaronder de ex tunc beoordeling. Voorts heeft hij in reactie op het rapport van 19 oktober 2012 van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, uiteengezet dat met vrijwel aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid voorspelbaar is dat appellant als gevolg van hartproblematiek bij minieme inspanning zijn werkzaamheden zal staken door optredende angina pectoris, op grond waarvan Van Mechelen hem niet in staat acht loonvormende arbeid te verrichten.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Het hoger beroep van appellant slaagt. Het expertiserapport van Van Mechelen en zijn aanvullende brief van 2 mei 2013 getuigen van een zorgvuldig verricht en diepgaand onderzoek waarbij op basis van anamnese, fysiek onderzoek van appellant en bestudering van de medische informatie tot inzichtelijke en consistente conclusies is gekomen. Uit het onderzoek door Van Mechelen is duidelijk naar voren gekomen dat bij appellant sprake is van een chronisch gebrek aan energie. Deze bevinding heeft Van Mechelen afgezet tegen de cardiologische informatie uit de behandelend sector alsmede tegen bevindingen van de verzekeringsartsen. Van Mechelen is vervolgens tot de overtuigende conclusie gekomen dat het geringe inspanningsvermogen van appellant in de weg staat aan het verrichten van loonvormende arbeid.


4.2.

Hetgeen de verzekeringsarts bezwaar en beroep met de rapporten van 11 oktober 2012 en 9 juli 2014 tegen het rapport van Van Mechelen heeft ingebracht, is mede gelet op het weinig inhoudelijke karakter van de in deze rapporten vervatte reacties, onvoldoende om de uitgebreide en inzichtelijke afwegingen en conclusies van Van Mechelen te weerleggen, waardoor deze rapporten overtuigingskracht missen. Voorts heeft Van Mechelen terecht opgemerkt dat de verzekeringsartsen zelf geen onderzoek hebben gedaan naar de kortademigheid noch is in het verzekeringsgeneeskundig onderzoek een beschrijving gegeven van het ademhalingspatroon ter staving van de eigen onderzoeksbevindingen. De stelling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, dat nadien een verslechtering in de gezondheidssituatie van appellant is opgetreden, mist een medische grondslag omdat een daarop gericht onderzoek niet is verricht.


4.3.

Tot slot blijkt uit het rapport van 11 oktober 2012 en de brief van 2 mei 2013 inzichtelijk dat Van Mechelen oog heeft gehad op de situatie op de datum in geding.


4.4.

Gelet op hetgeen in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen, moet worden geoordeeld dat het bestreden besluit op een onvoldoende deugdelijke medische grondslag berust en daarom ontoereikend is gemotiveerd. Om te kunnen komen tot een definitieve beslechting van het geschil ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 21, zesde lid, van de Beroepswet het Uwv opdracht te geven dit gebrek in het bestreden besluit te herstellen. In dit oordeel ligt besloten dat de Raad revalidatiearts Van Mechelen volgt in zijn conclusie dat bij appellant op de datum in geding geen benutbare mogelijkheden bestaan op medische gronden en dat appellant volledig arbeidsongeschikt dient te worden beschouwd. In zoverre dient de FML te worden aangepast. Voorts dient, gelet op het aangevoerde in beroep en hoger beroep, nog een nadere medische beoordeling en besluitvorming plaats te vinden over de vraag of naast volledige ook sprake is van duurzame arbeidsongeschiktheid. Daarbij dient eveneens het rapport van Van Mechelen betrokken te worden.























BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van deze uitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.



Deze uitspraak is gedaan door J.W. Schuttel als voorzitter en P.H. Banda en R.P.T. Elshoff als leden, in tegenwoordigheid van K. de Jong als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2015.




(getekend) J.W. Schuttel




(getekend) K. de Jong






NK