Centrale Raad van Beroep, 23-12-2015 / 14/5882 WTOS


ECLI:NL:CRVB:2015:4861

Inhoudsindicatie
Herziening tegemoetkoming. Terugvordering ten onrechte toegekende tegemoetkomingen. Appellant kan worden geacht te hebben geweten dat hem tegemoetkomingen waren verstrekt waarvan hij wist dat daarop geen recht bestond. Hij is immers niet gedurende de volledige studiejaren ingeschreven geweest en evenmin heeft hij in deze jaren gestudeerd. Gegeven de hiervoor vermelde feiten heeft de minister ook in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn herzieningsbevoegdheid.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-23
Publicatiedatum
2016-01-07
Zaaknummer
14/5882 WTOS
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/5882 WTOS

Datum uitspraak: 23 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van

11 september 2014, 14/1414 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. M.J.A. Bakker, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2015. Voor appellant is verschenen mr. Bakker. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. G.J.M. Naber.

OVERWEGINGEN


1.1.

De minister heeft naar aanleiding van daartoe strekkende aanvragen bij besluiten van respectievelijk 19 september 2009 en 2 oktober 2010 op basis van de Wet tegemoetkoming onderwijsbijdrage en schoolkosten (Wtos) een tegemoetkoming leraren verstrekt aan appellant.


1.2.

Naar aanleiding van een brief van 12 augustus 2013 waarin is vermeld dat appellant de tegemoetkomingen ten onrechte heeft ontvangen, heeft de minister de toegekende tegemoetkomingen bij besluiten van 23 augustus 2013 herzien en deze verlaagd, waarbij van appellant een bedrag van in totaal € 1.953,01 is teruggevorderd.


1.3.

De minister heeft het bezwaar van appellant bij besluit van 4 februari 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daartoe is gesteld dat appellant in de studiejaren 2009-2010 en 2010-2011 slechts enkele maanden ingeschreven is geweest bij een onderwijsinstelling, zodat niet volledig recht bestaat op de tegemoetkomingen. Nu appellant wist of redelijkerwijs kon weten dat er te veel aan tegemoetkoming is betaald en sinds het einde van de studiejaren waarover deze waren toegekend minder dan vijf jaren zijn verstreken, mocht de minister tot herziening overgaan.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat de minister terecht en op een juiste grond tot herziening is overgegaan. De rechtbank is van oordeel dat appellant niet heeft aangetoond dat niet hij maar iemand anders het aanvraagformulier op zijn naam en met gebruikmaking van zijn handtekening heeft ingevuld, de brief van 12 augustus 2013 heeft geschreven en de beschikking over zijn bankrekening heeft gehad. Uit de brief van

12 augustus 2013 volgt dat appellant van te voren wist dat de beschikkingen om hem een tegemoetkoming toe te kennen van september 2009 tot en met augustus 2010 en van september 2010 tot en met augustus 2011 onjuist waren, nu daarin staat dat appellant niet van plan was daadwerkelijk te studeren. De minister heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat appellant wist of redelijkerwijs had kunnen weten dat de toekenningsbeschikkingen onjuist waren en dat sprake is geweest van bedrog, zodat tot herziening mocht worden overgegaan.


3. Appellant heeft de aangevallen uitspraak in hoger beroep gemotiveerd bestreden.




4. De Raad oordeelt als volgt.


4.1.

Tussen partijen is niet in geschil dat de teruggevorderde tegemoetkomingen gedeeltelijk, namelijk over de periodes waarin appellant niet bij een onderwijsinstelling was ingeschreven, ten onrechte zijn verstrekt.


4.2.

Wat partijen verdeeld houdt, is of de minister de aanvankelijk toegekende tegemoetkomingen mocht herzien op de grond dat appellant wist of redelijkerwijs kon weten dat de toekenningsbeschikkingen onjuist waren en of appellant het teruggevorderde bedrag moet betalen. De verplichting tot terugbetaling wordt door appellant bestreden met de stelling dat de tegemoetkomingen niet door hem zijn aangevraagd, maar door een derde, en dat deze derde de door de minister uitbetaalde bedragen heeft overgeschreven naar een andere bankrekening. Appellant bestrijdt de herziening met de stelling dat de tegemoetkomingen ten tijde van de bekendmaking van de besluiten van 19 september 2009 en 2 oktober 2010 rechtmatig werden verstrekt, zodat niet kan worden gezegd dat appellant wist of redelijkerwijs had moeten weten dat deze besluiten onjuist waren.


4.3.

Voor het aanvragen van een tegemoetkoming leraren op grond van de Wtos zijn, zoals ook de minister heeft gesteld, diverse persoonlijke gegevens, zoals een burgerservicenummer en een bankrekeningnummer, nodig. Bovendien moet het aanvraagformulier worden ondertekend. Verder dient een inkomensverklaring aan de minister te worden verstrekt. Ook moet er bij een onderwijsinstelling een inschrijving tot stand gekomen zijn. Daarvoor is aanmelding nodig met een DigiD en een daarbij behorende verificatiecode.


4.4.

Bij de in 4.3 bedoelde aanvragen, alsmede bij de daar genoemde aanmelding, is gebruik gemaakt van de persoonlijke gegevens van appellant. Diverse benodigde gegevens (inkomensverklaring, verificatiecode) zijn appellant toegezonden op het adres van de kliniek waar hij ten tijde van de van de aanvragen verbleef. Deze toezending kan voor appellant niet, ook niet als iemand deze gegevens naderhand zou hebben ontvreemd uit zijn kamer, onopgemerkt zijn gebleven. Als al zou worden aangenomen dat appellant de aanvragen niet zelf, althans niet alleen, heeft gedaan omdat hij op geen enkel moment de beschikking had over internet, dan nog kan - gelet op de hoeveelheid benodigde verschillende persoonlijke gegevens en gelet op wat hiervoor is overwogen - in redelijkheid niet worden volgehouden dat de aanvragen geheel buiten toedoen en/of medeweten van appellant kunnen en moeten zijn gedaan. Ook echter als daarvan wel zou worden uitgegaan, dan blijft vaststaan dat de bedragen aan appellant zijn betaald en dat hij deze dus (ten onrechte) heeft ontvangen. Bovendien is, gelet op de overgelegde behandelrapportage waarin ook appellants financiën worden besproken, niet onaannemelijk dat appellant van de betaling van de tegemoetkomingen op de hoogte was dan wel kon zijn. De stelling dat de bedragen door een derde, buiten medeweten en zonder toestemming van appellant, zijn overgeschreven is niet met enig bewijs gestaafd. De herziening die tot de terugbetalingsverplichting van appellant heeft geleid is, anders dan appellant heeft betoogd, rechtmatig. De hiervoor vermelde feiten maken dat appellant kan worden geacht te hebben geweten dat hem tegemoetkomingen waren verstrekt waarvan hij wist dat daarop geen recht bestond. Hij is immers niet gedurende de volledige studiejaren ingeschreven geweest en evenmin heeft hij in deze jaren gestudeerd. Gegeven de hiervoor vermelde feiten heeft de minister ook in redelijkheid gebruik kunnen maken van zijn herzieningsbevoegdheid.


4.5.

Wat is overwogen in 4.4 leidt tot de conclusie dat de minister de ten onrechte toegekende tegemoetkomingen van appellant heeft kunnen terugvorderen.


4.6.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Nu de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit in stand blijven is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2015.




(getekend) J. Brand




(getekend) N. Veenstra




RB