Centrale Raad van Beroep, 23-12-2015 / 14/6923 WTCG


ECLI:NL:CRVB:2015:4862

Inhoudsindicatie
Aanvraag van appellant voor een tegemoetkoming op grond van de Wtcg voor het jaar 2012, is ten onrechte afgewezen. De Raad leidt uit de wetsgeschiedenis af dat de wetgever een forfaitaire regeling heeft willen treffen voor een op uitvoerbare wijze te bepalen doelgroep en zonder een rechtstreekse verbinding tussen de tegemoetkoming en de door de doelgroep te maken kosten. Appellant en zijn partner hebben in 2012 meer dan 26 weken huishoudelijke zorg gekregen gedurende vier uren per week. Gelet op deze omstandigheden moet ervan worden uitgegaan dat appellant voldoet aan de voorwaarden van artikel 2 van het Btcg. Geen reden om aan te nemen dat appellant niet aan de draagkrachttoets voldoet.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-23
Publicatiedatum
2016-01-07
Zaaknummer
14/6923 WTCG
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

14/6923 WTCG

Datum uitspraak: 23 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van 12 november 2014, 14/5389 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

CAK



PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E.M.T. Korff hoger beroep ingesteld.


CAK heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft tezamen met de zaak van appellant met kenmerk 14/5093 WTCG plaatsgevonden op 14 oktober 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door

mr. Korff. CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. S.W.M. Boelee.



OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant voert met zijn partner [naam partner] (de partner) een gezamenlijke huishouding.


1.2.

Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag (college) heeft op 29 november 2011 op naam van de partner op grond van de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) hulp bij het huishouden toegekend in de vorm van zorg in natura voor de periode 29 november 2011 tot en met 24 november 2013. Het college heeft in een besluit van 26 september 2014 op naam van de partner verklaard dat het besluit van 29 november 2011 tevens betrekking heeft op appellant.


1.3.

Uit de administratie van CAK blijkt dat RSN Thuiszorg ten behoeve van de partner in 2012 (nagenoeg) iedere week huishoudelijke zorg heeft gedeclareerd. TSN Thuiszorg heeft op 27 oktober 2014 verklaard dat appellant en zijn partner in 2012 ieder meer dan 26 weken huishoudelijke verzorging hebben ontvangen gedurende vier uur per week.


1.4.

CAK heeft de partner op grond van de Wet tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Wtcg) voor het jaar 2012 een tegemoetkoming toegekend.


1.5.

CAK heeft op 27 februari 2014 de aanvraag van appellant voor een tegemoetkoming op grond van de Wtcg voor het jaar 2012 afgewezen.


1.6.

Bij beslissing op bezwaar van 21 mei 2014 (bestreden besluit) heeft CAK het bezwaar ongegrond verklaard. Daaraan heeft CAK ten grondslag gelegd (voor zover nu van belang) dat de besluiten voor huishoudelijke hulp op naam staan van de partner en dat niet van belang is dat beiden gebruik maken van die vorm van zorg.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank verwezen naar zijn eerdere uitspraak 14/2792 voor het jaar 2011. De verandering in de tenaamstelling bij het collegebesluit van 26 september 2014 doet er niet aan af dat de zorg in 2012 feitelijk is verleend aan de partner.


3. In hoger beroep hebben partijen hun in beroep ingenomen stelling herhaald en nader onderbouwd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1.

Artikel 2, eerste lid, van de Wtcg (tekst 2012) luidt, voor zover van belang, als volgt:


“Recht op een van de draagkracht afhankelijke tegemoetkoming van het CAK heeft degene die in het berekeningsjaar behoort tot een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen groep van personen:

(…)

c. die gebruik maken van een individuele voorziening, die beoogt hen in staat te stellen een huishouden te voeren als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdeel a, van de Wet maatschappelijke ondersteuning.”


Artikel 2a van de Wtcg beperkt de kring van gerechtigden tot personen die voldoen aan de draagkrachttoets.


4.2.

De in de Wtcg genoemde algemene maatregel van bestuur is het Besluit tegemoetkoming chronisch zieken en gehandicapten (Btcg). Artikel 2, van het Btcg (tekst 2012) luidt, voor zover van belang, als volgt:


“1. De tegemoetkoming, bedoeld in artikel 2, eerste lid, van de wet, bedraagt € 290,- indien de rechthebbende in het kalenderjaar waarop de tegemoetkoming betrekking heeft, jonger was dan 65 jaar of 65 jaar is geworden (…) en:

(…)

i. in dat jaar al dan niet aaneengesloten 26 weken of meer gedurende één tot tien uren per week in natura huishoudelijke verzorging als bedoeld in artikel 1, eerste lid, onderdeel h, van de Wet maatschappelijke ondersteuning heeft ontvangen of daartoe op grond van een indicatiebesluit was aangewezen en een persoonsgebonden budget heeft ontvangen, met dien verstande dat voor het vaststellen van de periode van

26 weken wordt aangesloten bij de indeling in weken als bedoeld in artikel 4.1, derde lid, van het Besluit maatschappelijke ondersteuning, (…)”


4.3.

De Memorie van toelichting bij het voorstel van de Wtcg vermeldt het volgende (Kamerstukken II 2008–2009, 31 706, nr. 3, blz. 5):


“3.2.1 Een nieuwe doelgroepgerichte forfaitaire regeling

De wet heeft tot doel chronisch zieke en gehandicapte verzekerden die geconfronteerd worden met meerkosten door problemen die zij met hun gezondheid ervaren, tegemoet te komen voor die meerkosten. Deze meerkosten zijn niet de kosten van zorg die wordt gefinancierd op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) of de Zorgverzekeringswet (Zvw). Het gaat om bijkomende kosten waarmee chronisch zieken of gehandicapten te maken hebben door de beperkingen die zij ondervinden. Voorbeelden hiervan zijn hogere stookkosten, vervoerskosten voor geneeskundige hulp en extra kosten voor kleding of beddengoed. (…)

Hierbij is het van belang de doelgroep goed af te bakenen. Problematisch daarbij is dat er geen gestandaardiseerde definitie van chronisch zieken en gehandicapten beschikbaar is.”


4.4.

De Raad leidt uit deze wetsgeschiedenis af dat de wetgever een forfaitaire regeling heeft willen treffen voor een op uitvoerbare wijze te bepalen doelgroep en zonder een rechtstreekse verbinding tussen de tegemoetkoming en de door de doelgroep te maken kosten.


4.5.

Bij het beschrijven van de doelgroep heeft de regelgever, voor zover van belang, als rechthebbende aangemerkt degene die in een kalenderjaar gedurende 26 weken of meer huishoudelijke verzorging heeft ontvangen op grond van de Wmo.


4.6.

Het college van de gemeente Den Haag heeft op 31 oktober 2013 verklaard dat appellant op grond van zijn beperkingen in aanmerking komt voor huishoudelijke hulp. Op

26 september 2014 heeft het college bepaald dat het toekenningsbesluit van 29 november 2011 tevens betrekking heeft op appellant. TSN Thuiszorg heeft verklaard dat appellant en zijn partner in 2012 meer dan 26 weken huishoudelijke zorg hebben gekregen gedurende vier uren per week. Gelet op deze omstandigheden moet ervan worden uitgegaan dat appellant voldoet aan de voorwaarden van artikel 2 van het Btcg.


4.7.

CAK heeft niet betwist dat appellant voldoet aan de draagkrachttoets en aan de partner van appellant een tegemoetkoming op grond van de Wtcg toegekend. De Raad ziet daarom geen reden aan te nemen dat appellant niet aan deze draagkrachttoets voldoet.


4.8.

Gelet op 4.1 tot en met 4.7 zal de Raad de uitspraak van de rechtbank vernietigen en bepalen dat CAK aan appellant een tegemoetkoming toekent van € 290,-.


5.1.

De Raad ziet, gelet op het verzoek van appellant en de uitkomst van de procedure, aanleiding CAK te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente vanaf 27 februari 2014 tot de dag van de daadwerkelijke uitbetaling.


5.2.

De Raad ziet voorts aanleiding CAK te veroordelen in de kosten die appellant heeft gemaakt voor beroepsmatig verleende rechtsbijstand. Voor het indienen van het bezwaarschrift komt de vergoeding uit op een bedrag van € 490,-. Voor het indienen van de beroepschriften en het bijwonen van de zittingen bij de rechtbank en de Raad komt de vergoeding uit op € 1.960,- (viermaal € 490,-). Voor de reiskosten van appellant naar de zitting in Utrecht geldt het bedrag van de reiskosten per openbaar vervoer, te weten € 35,40.






















BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • - verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
  • - bepaalt dat CAK aan appellant een tegemoetkoming toekent van € 290,-;
  • - veroordeelt CAK in de kosten van rechtsbijstand en de reiskosten tot een bedrag van

€ 1.995,40;

  • - veroordeelt CAK tot vergoeding van de wettelijke rente als omschreven onder 5.1;
  • - bepaalt dat CAK aan appellant het in beroep en hoger beroep betaalde griffierecht van in

totaal € 167,- (€ 45,- en € 122,-) vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en H.J. de Mooij en J.P.A. Boersma als leden, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2015.




(getekend) J. Brand




(getekend) I. Mehagnoul




AP