Centrale Raad van Beroep, 18-12-2015 / 14/5410 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:4865

Inhoudsindicatie
Loongerelateerde WGA-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-18
Publicatiedatum
2016-01-07
Zaaknummer
14/5410 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/5410 WIA

Datum uitspraak: 18 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

15 augustus 2014, 13/6782 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (Turkije) (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere gegevens in gezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. I. Mercanoglu, advocaat, en G. Dogruyol, tolk. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Koning.

OVERWEGINGEN


1. Appellant heeft laatstelijk gewerkt als conciërge. Appellant is met ingang van 1 november 2006 in aanmerking gebracht voor een loongerelateerde WGA-uitkering, gebaseerd op een volledige arbeidsongeschiktheid. In het kader van een herbeoordeling heeft het Uwv in 2012 aan het bevoegde orgaan in Turkije verzocht om appellant medisch te onderzoeken. Na ontvangst van de resultaten van dat onderzoek, vastgelegd in een formulier E 213 van 25 april 2012, heeft een verzekeringsarts een expertise gevraagd aan W.M.J. Hassing, psychiater, en E.L.F.B. Raaymakers, orthopeed. Na ontvangst van de rapporten naar aanleiding van de onderzoeken heeft een verzekeringsarts van het Uwv geconcludeerd dat de belastbaarheid van appellant is gewijzigd sinds de beoordeling in 2006 en heeft de beperkingen voor het verrichten van arbeid van appellant opgenomen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 5 maart 2013. Een arbeidsdeskundige van het Uwv heeft vervolgens functies voor appellant geselecteerd en heeft vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant 47,65% bedraagt. Bij besluit van 16 april 2013 heeft het Uwv vastgesteld dat de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 16 april 2013 47,65% bedraagt en dat voor appellant met ingang van 1 mei 2015 de inkomenseis ingevolge artikel 60, tweede lid, van de Wet WIA zal gelden. Bij besluit van 15 oktober 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv, na verzekeringsgeneeskundig onderzoek, het bezwaar van appellant tegen het besluit van 16 april 2013 ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Hierbij heeft de rechtbank overwogen dat het onderzoek door de verzekeringsarts bezwaar en beroep zorgvuldig heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien appellant te volgen in de stelling dat onvoldoende rekening is gehouden met zijn beperkingen. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien voor het oordeel dat de geselecteerde functies in medisch opzicht ongeschikt zouden zijn voor appellant.


3.1.

Appellant kan zich met de uitspraak van de rechtbank niet verenigen en heeft naar voren gebracht dat hij vanwege zijn gezondheidsklachten en de daaruit voortvloeiende beperkingen op en na de datum in geding niet in staat is tot het verrichten van arbeid. Ten onrechte is geen verdergaande urenbeperking aangenomen. De geselecteerde functies zijn niet passend. Ter ondersteuning heeft appellant gewezen op het verslag van Dr. Mediha Özenmis van

12 november 2015.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.

De Raad overweegt als volgt.


4.1.

Het gaat in dit hoger beroep slechts om de vraag of de rechtbank het standpunt van het Uwv dat het verlies aan verdienvermogen van appellant op 16 april 2013 (datum in geding) 47,65% bedraagt terecht heeft onderschreven.


4.2.

In hoger beroep heeft appellant de in eerdere fasen van de procedure naar voren gebrachte gronden en argumenten in essentie herhaald. Deze hebben de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het gemotiveerde oordeel van de rechtbank. Appellant heeft in hoger beroep geen medische stukken overgelegd die nieuw licht op de zaak werpen. Evenmin blijkt van een dusdanig intensieve behandeling dat meer beperkingen dan wel een grotere urenbeperking nodig zou zijn. Uit het verslag van Dr. Mediha Özenmis van 12 november 2015 blijkt niet dat er sprake is van een wijziging van de behandeling. Voor zover appellant meent dat zijn beperkingen na 16 april 2013 zijn toegenomen, kan hij het Uwv om een herbeoordeling vragen.


4.3.

Uitgaande van de juistheid van de met betrekking tot appellant vastgestelde medische beperkingen moeten de functies die aan de beoordeling ten grondslag liggen, gelet op de daaraan verbonden belastende aspecten, als voor appellant in medisch opzicht passend worden aangemerkt.


4.4.

Gezien hetgeen is overwogen in 4.2 en 4.3 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5. Gelet op de omstandigheid dat pas in hoger beroep een volledige en inzichtelijke arbeidskundige onderbouwing is gegeven voor het bestreden besluit is er aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant. De kosten van rechtsbijstand in beroep en hoger beroep worden begroot op een bedrag van € 1.960,-.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • - veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant in beroep en hoger beroep tot een

bedrag van in totaal € 1.960,-;

- bepaalt dat het Uwv aan appellant het door hem in beroep en hoger beroep betaalde

griffierecht van in totaal € 166,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2015.




(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen




(getekend) D. van Wijk




AP