Centrale Raad van Beroep, 18-12-2015 / 13/6709 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:4867

Inhoudsindicatie
Intrekking WIA-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige onderbouwing.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-18
Publicatiedatum
2016-01-07
Zaaknummer
13/6709 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6709 WIA

Datum uitspraak: 18 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

7 november 2013, 12/2028 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. M. van der Veen, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Mr. S. Aytemur heeft nadere gronden ingezonden en stukken overgelegd.

Het Uwv heeft nog een reactie ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. G. Öntas, advocaat. M. Cordes was aanwezig als tolk.

Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.M.J. Evers.

OVERWEGINGEN


1.1.

Bij besluit van 9 oktober 2007 heeft het Uwv de appellante eerder toegekende loongerelateerde WGA-uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), waarbij de mate van arbeidsongeschiktheid is gesteld op 80 tot 100%, met ingang van 15 september 2007 omgezet in een WGA-loonaanvullingsuitkering. De mate van arbeidsongeschiktheid is daarbij vastgesteld op 80 tot 100%.


1.2.

Op grond van een herbeoordeling heeft het Uwv bij besluit van 23 november 2011 vastgesteld dat voor appellante met ingang van 24 januari 2012 geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA meer bestaat omdat zij vanaf die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 3 juli 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daarbij overwogen dat uit de voorhanden zijnde medische informatie en onderzoeksgegevens niet kan worden afgeleid dat de verzekeringsartsen van het Uwv verdergaande beperkingen hadden moeten aannemen dan in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 21 oktober 2011 zijn weergegeven. Die beperkingen zijn op verantwoorde wijze en na voldoende zorgvuldig medisch onderzoek vastgesteld. Daarbij is rekening gehouden met de bevindingen van de behandelend sector en de expertise van de door het Uwv ingeschakelde psychiater W.M.J. Hassing. Het bestreden besluit is dan ook gebaseerd op een deugdelijke medische grondslag. Voorts komt de rechtbank tot het oordeel dat ook de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit juist is. De rechtbank wijst er hierbij op dat de arbeidsdeskundige de voorbeeldfuncties heeft besproken met de verzekeringsarts en dat die arbeidsdeskundige in zijn rapport van

28 juni 2012 een toelichting heeft gegeven op alle bij de functies voorkomende signaleringen. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het Uwv terecht en op goede gronden de mate van arbeidsongeschiktheid heeft vastgesteld op minder dan 35% en dat de uitkering ingevolge de Wet WIA terecht met ingang van 24 januari 2012 is beëindigd.


3. In hoger beroep is namens appellante aangevoerd dat het Uwv onzorgvuldig en op basis van vooringenomenheid onderzoek heeft verricht. Er is onvoldoende rekening gehouden met de fysieke en psychische beperkingen van appellante. Anders dan het Uwv aanneemt is er wel sprake van onvermogen in persoonlijk en sociaal functioneren, nu appellante 24 uren per dag verzorging en bijstand nodig heeft en zij een gevaar voor zichzelf en haar omgeving vormt. Het is daarom voor appellante onmogelijk te functioneren in een werkomgeving. Nu er gelet op de voorhanden gegevens onduidelijkheid bestaat met betrekking tot de gevolgen van de psychische klachten en de in dat verband gestelde diagnose verzoekt appellante een deskundige te benoemen. Op het arbeidskundige vlak stelt appellante dat de

functies - gegeven het geldende opleidingsniveau 2 - niet voor haar geschikt zijn, nu bij haar opleidingsniveau 1 aan de orde is.


4. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.


5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


5.1.

Aan rapporten opgesteld door een verzekeringsarts bezwaar en beroep en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep komen, indien deze rapporten op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, geen inconsistenties bevatten en concludent zijn, naar vaste rechtspraak van de Raad een bijzondere waarde toe in die zin, dat het Uwv zijn besluiten omtrent de arbeidsongeschiktheid van een betrokkene op dit soort rapporten mag baseren. Zulks betekent echter volgens de vaste rechtspraak van de Raad geenszins dat deze rapporten en het daarop gebaseerde besluit in beroep of in hoger beroep onaantastbaar zijn. Het is echter gelet op artikel 8:69 van de Algemene wet bestuursrecht wel aan appellante om aan te voeren en zo nodig aannemelijk te maken dat de rapporten niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, inconsistenties bevatten, niet concludent zijn, dan wel dat de in de rapporten gegeven beoordeling onjuist is. Het aannemelijk maken dat de rapporten niet op zorgvuldige wijze tot stand zijn gekomen, inconsistenties bevatten, dan wel niet concludent zijn kan geschieden door niet-medisch geschoolden. Voor het aannemelijk maken dat de gegeven beoordeling onjuist is, is in beginsel een rapport van een regulier medicus noodzakelijk. De Raad wijst op zijn uitspraken van 17 december 2004, ECLI:NL:CRVB:2004:AR8889,

13 juli 2005, ECLI:NL:CRVB:2005:AT9828 en 10 januari 2007, ECLI:NL:CRVB:2007:AZ6138.


5.2.

In hetgeen appellante heeft aangevoerd vindt de Raad geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek niet op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden, de ter zake opgestelde rapporten inconsistenties bevatten of niet concludent zijn, dan wel dat de medische beoordeling onjuist is of aan de juistheid van deze beoordeling twijfel bestaat. De Raad kan appellante - gegeven de formulering van de aan de psychiater W.M.J. Hasssing gestelde vragen en de voorliggende rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en van voornoemde psychiater - niet volgen in haar stelling dat er bij de verzekeringsartsen van het Uwv en de ingeschakelde psychiater sprake is geweest van vooringenomenheid of dat het onderzoek overigens onzorgvuldig is geweest. Zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 16 juli 2015 te kennen geeft, is er door de verzekeringsartsen dossieronderzoek gedaan, eigen psychiatrisch en lichamelijk onderzoek verricht, contact geweest met de curatieve sector en hadden die artsen de beschikking over het rapport van de psychiater Hassing. Ook die psychiater heeft blijkens haar rapport van

26 september 2011 kennisgenomen van de informatie van de behandelend sector alsook uitgebreid psychiatrisch onderzoek gedaan. De beschikbare gedingstukken - ook in het licht van de nadere informatie van de behandelend sector, het rapport van Hassing en gelet op de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep in dat verband gegeven motiveringen - geven geen aanleiding tot twijfel aan de juistheid van de conclusies van de verzekeringsartsen met betrekking tot de belastbaarheid van appellante als weergegeven in de FML van

21 oktober 2011. Daarbij is nog van belang dat de psychische klachten en de nek- en rugklachten van appellante door de verzekeringsartsen van het Uwv zijn onderkend en dat die klachten ook hebben geleid tot in de FML opgenomen beperkingen. De verzekeringsarts bezwaar en beroep stelt in zijn rapport van 16 juli 2015 daarbij terecht dat niet de gestelde diagnose (en aanwezig geachte klachten) van doorslaggevende betekenis zijn, maar of die diagnose (of klachten) aanleiding geven tot het aannemen van beperkingen voor het verrichten van arbeid. Naar vaste rechtspraak van de Raad, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 6 februari 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:308, behoort het tot de specifieke taak en deskundigheid van een verzekeringsarts (bezwaar en beroep) om medische gegevens te wegen en te vertalen in medische beperkingen. Zoals reeds overwogen heeft de verzekeringsarts in zijn rapporten van 11 juni 2012 en 16 juli 2015 afdoende gemotiveerd waarom er geen aanleiding bestaat tot het aannemen van meer of andere beperkingen dan die in de FML van 21 oktober 2011 zijn vermeld. In hoger beroep heeft appellante geen wezenlijk andere gezichtspunten of andere medische gegevens naar voren gebracht die tot een ander oordeel kunnen leiden.


5.3.

Aan de in hoger beroep overgelegde stukken met betrekking tot de psychische klachten van appellante kan de Raad niet die betekenis toekennen die appellante daaraan gehecht wenst te zien, reeds omdat die stukken niet afkomstig zijn van een psychiater.


5.4.

De rechtbank komt voorts terecht tot het oordeel dat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit juist is. Uitgaande van de juistheid van de FML van 21 oktober 2011 zijn de voorbeeldfuncties die door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep blijkens zijn rapport van 28 juni 2012 aan de schatting ten grondslag zijn gelegd - gelet op de aan die functies verbonden belastende factoren en de door die arbeidskundige gegeven uitvoerige

toelichting - in medisch opzicht geschikt voor appellante. Ook de stelling van appellante dat de functies - gegeven het geldende opleidingsniveau 2 - niet voor haar geschikt zijn, nu bij haar opleidingsniveau 1 aan de orde zou zijn, slaagt niet. Appellante heeft blijkens de gedingstukken in Turkije lager en middelbaar onderwijs gevolgd, is sinds 1988 in Nederland en beheerst de Nederlandse taal in ieder geval op basaal niveau. Dit in acht genomen en onder verwijzing naar de uitspraak van de Raad van 7 mei 2010 (ECLI:NL:CRVB:2010:BM3879) komt de arbeidsdeskundige in zijn rapport van 24 juli 2015 terecht tot de conclusie dat voor appellante opleidingsniveau 2 als juist moet worden aangenomen.


6. Uit hetgeen onder 5.2 tot en met 5.4 is overwogen volgt dat het hoger beroep geen doel treft. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst, in tegenwoordigheid van H.J. Dekker als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2015.




(getekend) Ch. van Voorst




(getekend) H.J. Dekker




NK