Centrale Raad van Beroep, 23-12-2015 / 14-387 WSF


ECLI:NL:CRVB:2015:4879

Inhoudsindicatie
Herziening studiefinanciering in die zin dat appellant als thuiswonende studerende is aangemerkt. Niet woonachtig op gba-adres. Geen sprake van inbreuk op het huisrecht door controleurs.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-23
Publicatiedatum
2016-01-07
Zaaknummer
14-387 WSF
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/387 WSF

Datum uitspraak: 23 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

5 december 2013, 13/1126 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. D. Schaap, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Schaap. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant heeft bij besluit van 27 april 2012 met ingang van 1 april 2012 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend gekregen berekend naar de norm die geldt voor een uitwonende studerende.


1.2.

Op 26 september 2012 hebben twee controleurs van Investiga BV in opdracht van de minister onderzoek gedaan naar de woonsituatie van appellant. Daartoe is onder meer een huisbezoek afgelegd op het adres waaronder appellant op dat moment in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (gba) was ingeschreven om te controleren of hij op dit adres woont. In de desbetreffende woning is onderzoek gedaan en is een verklaring van appellant opgenomen. Van het onderzoek is op 28 september 2012 een rapport opgemaakt.


1.3.

De minister heeft, voor zover hier van belang, op basis van het onder 1.2 genoemde rapport de over de periode april tot en met december 2012 aan appellant toegekende studiefinanciering bij besluit van 22 oktober 2012 herzien, in die zin dat appellant vanaf

1 april 2012 als thuiswonende studerende is aangemerkt. Het aan appellant tot en met september 2012 te veel betaalde bedrag van € 952,70 is daarbij van hem teruggevorderd.


1.4.

De minister heeft het tegen het besluit van 22 oktober 2012 gemaakte bezwaar bij besluit van 7 januari 2013 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat uit het door de controleurs opgemaakte rapport is gebleken dat appellant niet op het gba-adres woonde.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe is overwogen dat aanleiding voor het huisbezoek vormde, zoals verweerder ter zitting nader heeft toegelicht, de geringe afstand tussen appellants (kamer)adres en het adres van de ouderlijke woning. Naar het oordeel van de rechtbank heeft minister hiermee voldoende gemotiveerd dat sprake was van een redelijke grond voor het afleggen van een huisbezoek. Uit de stukken blijkt dat voor het huisbezoek toestemming is gegeven door de hoofdbewoner van de woning waar appellant een kamer zou bewonen. De controleurs hebben zich gelegitimeerd en de reden van het bezoek uitgelegd.

De hoofdbewoner heeft het formulier Verklaring Toestemming huisbezoek ondertekend. Met de toestemming van de hoofdbewoner is voldaan aan de vereisten voor het binnentreden van een woning. Niet gesteld of gebleken is dat appellant over een eigen afsluitbare kamer beschikte, zodat niet valt in te zien waarom de hoofdbewoner de kamer die is getoond niet zou hebben mogen tonen. De rechtbank heeft voor haar oordeel verder van belang geacht dat de controleurs appellant in de gelegenheid hebben gesteld zijn kamer en zijn persoonlijke spullen te tonen en dat in verband daarmee door de controleurs nog een verklaring is opgemaakt die door appellant is ondertekend. De inhoud van deze verklaring sluit aan bij het door de controleurs opgemaakte rapport. Aan de eerst in beroep overgelegde getuigenverklaringen hecht de rechtbank minder waarde. Daarbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat een deel van de verklaringen afkomstig is van familieleden en vrienden en dus niet uit objectieve bron en voorts dat het merendeel van de verklaringen in onvoldoende mate concrete waarnemingen beschrijven over appellants woonsituatie.


3. Appellant heeft in hoger beroep aangevoerd dat de rapportage die de minister aan het besluit tot herziening ten grondslag heeft gelegd, is opgemaakt door controleurs die werken voor een private organisatie. Appellant meent dat de kerntaken bij de uitvoering van de

Wsf 2000 niet mogen worden uitbesteed aan zo’n organisatie. Volgens appellant heeft de rechtbank verder miskend dat de geringe afstand tussen het gba-adres van appellant en het gba-adres van zijn ouders geen redelijke grond oplevert voor het afleggen van een huisbezoek. Ook heeft de rechtbank bij de beoordeling of sprake was van een inbreuk op het huisrecht van appellant ten onrechte van belang geacht dat de kamer van appellant niet afsluitbaar was. Om deze redenen moeten de uitkomsten van het onderzoek als onrechtmatig verkregen bewijs buiten beschouwing worden gelaten. Appellant meent verder dat de rechtbank ten onrechte voorbij is gegaan aan de in beroep overgelegde verklaringen van buurtgenoten, vrienden en familieleden. Aan de verklaringen van de controleurs wordt in dit verband juist te veel waarde gehecht. Tot slot heeft appellant gesteld dat de herziening zich niet mocht uitstrekken over de periode april tot en met september 2012 en dat de herziening een punitief karakter heeft.


4. De Raad oordeelt als volgt.


4.1.1.

In artikel 1.1, eerste lid, van de Wsf 2000, zoals deze bepaling luidt met ingang van

10 december 2011, wordt onder thuiswonende studerende verstaan de studerende die niet een uitwonende studerende is, en wordt onder uitwonende studerende verstaan de studerende die voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5. Voorts is in dit artikel bepaald dat onder studiefinancieringstijdvak wordt verstaan een kalenderjaar of een gedeelte daarvan waarop de toekenning van studiefinanciering betrekking heeft, met dien verstande dat deze periode ten minste één kalendermaand is.


4.1.2.

Ingevolge artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000, zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang, komt voor het normbedrag voor een uitwonende studerende in aanmerking de studerende die voldoet aan de volgende verplichtingen:

a. de studerende woont op het adres waaronder hij in de gba staat ingeschreven, en

b. het woonadres van de studerende is niet het adres waaronder zijn ouders of een van hen in de gba staat of staan ingeschreven.


4.1.3.

De vraag waar de studerende woont als bedoeld in artikel 1.5, eerste lid, van de

Wsf 2000 dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.


4.1.4.

Ingevolge artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000, voor zover hier van belang, vindt de herziening - volgens het opschrift bij ‘niet voldoen aan verplichtingen artikel 1.5 door studerende’ - plaats met ingang van de datum van de laatste adreswijziging van de studerende in de gba.


4.2.

De Raad heeft in zijn uitspraak van 2 december 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:4192, geoordeeld dat artikel 9.1a, eerste lid, onder a, van de Wsf 2000 in verbinding met

artikel 5:11 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), en de bij die bepalingen horende wetsgeschiedenis, bezien in samenhang met de in de praktijk gegeven sturing door de minister aan de controleurs en de afwezigheid van een commercieel belang bij het resultaat van de controle door de gekozen bezoldigingsafspraken, een voldoende wettelijke grondslag biedt om werknemers van een private partij te belasten met het toezicht op de naleving van artikel 1.5 van de Wsf 2000. Dit betekent dat de minister een besluit tot herziening van de uitwonendenbeurs in een thuiswonendenbeurs in beginsel mag baseren op de resultaten van een huisbezoek verricht door werknemers van een daartoe aangewezen privaat bedrijf. In wat appellant heeft aangevoerd wordt geen grond gevonden in deze zaak tot een ander oordeel te komen.


4.3.1.

Er is geen sprake van inbreuk op het huisrecht als bedoeld in artikel 8 van het EVRM als de rechthebbende toestemming tot binnentreden in de woning heeft gegeven. De toestemming moet vrijwillig zijn verleend en op basis van ‘informed consent’. Van ‘informed consent’ is sprake indien de controleurs zich voorafgaand hebben gelegitimeerd en de toestemming berust op volledige en juiste informatie over reden en doel van het huisbezoek en over de gevolgen van het weigeren van toestemming voor het recht op studiefinanciering. Indien één bewoner van een woning toestemming tot binnentreden verleent, wordt in beginsel geen inbreuk gemaakt op het huisrecht van de overige bewoners. Uit die toestemming kan het gerechtvaardigde vermoeden worden afgeleid dat de overige bewoners instemmen met dit binnentreden. Dit betreft echter niet de in die woning afzonderlijke en afsluitbare gedeelten, bestemd tot exclusief woongebruik van die andere bewoners. Indien een andere bewoner dan degene wiens studiefinanciering in het geding is toestemming tot binnentreden verleent, hoeft ten opzichte van die bewoner niet te zijn voldaan aan het vereiste van ‘informed consent’ in de hiervoor bedoelde zin. Wel is in die situatie voorafgaande legitimatie en mededeling van het doel van het binnentreden vereist. Verwezen wordt naar de uitspraken van de Raad van

3 december 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY4503, en 12 maart 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4108. Dat het doel niet enkel moet worden meegedeeld maar ook in de ondertekende verklaring zou moeten worden omschreven, volgt niet uit deze rechtspraak. Overigens kan in dit geval uit (de openingszinnen in) het rapport eenvoudig worden afgeleid dat het doel van het huisbezoek aan appellant en de hoofdbewoner duidelijk is geweest en dat hen wel moet zijn meegedeeld welk doel de controleurs hadden bij het huisbezoek. Uit het rapport is verder af te leiden dat de kamer die is getoond als de kamer van appellant ten minste ook bij de hoofdbewoner in gebruik was. Appellant heeft daarover immers verklaard dat hij zijn kamer verliet als deze door de hoofdbewoner werd gebruikt om fotoreportages te maken, wat blijkbaar met regelmaat gebeurde. Daarmee staat vast dat de kamer niet bestemd was tot exclusief woongebruik van appellant. De stelling van appellant dat geen redelijke grond bestond voor het huisbezoek doet geen afbreuk aan de rechtmatigheid van het huisbezoek.


4.3.2.

Uit de gedingstukken wordt afgeleid dat de hoofdbewoner toestemming heeft verleend tot het betreden van de woning nadat de controleurs zich hadden gelegitimeerd, het doel van het huisbezoek aan hem hadden uitgelegd en hem hadden gewezen op zijn recht om toegang tot de woning te weigeren. Dat de hoofdbewoner de controleurs niet zou hebben begrepen is, mede gelet op de nadere verklaring van die controleurs hierover, niet aannemelijk.


4.4.

De minister heeft met het onder 1.2 genoemde rapport en de daarin opgenomen verklaringen aannemelijk gemaakt dat appellant niet woonde op het adres waaronder hij in de gba ingeschreven stond. De Raad onderschrijft het daartoe strekkende oordeel van de rechtbank.

4.5.

De rechtbank heeft aan de getuigenverklaringen minder waarde mogen hechten dan aan de verklaringen van de controleurs. Terecht heeft de rechtbank erop gewezen dat de in beroep overgelegde verklaringen gedeeltelijk afkomstig zijn uit minder objectieve bron, dat zij weinig gedetailleerd zijn als het gaat om de feitelijke woonsituatie van appellant en dat zij geen van alle iets afdoen aan de waarnemingen van de controleurs in het huis en de verklaring die appellant op dat moment zelf heeft afgelegd.


4.6.

De stelling van appellant dat de waarneming op 26 september 2012 zich niet mag uitstrekken tot de situatie op 1 april 2012 miskent de werking van het in artikel 9.9 van de Wsf 2000 neergelegde wettelijke vermoeden. In dit verband wordt verwezen naar de uitspraak van de Raad van 2 april 2014, ECLI:NL:CRVB:2014:1146, waarin het door appellant gememoreerde oordeel van de rechtbank Oost-Brabant dat de herziening (gedeeltelijk) een punitief karakter heeft, niet is onderschreven.


4.7.

Wat is overwogen in 4.2 tot en met 4.6 betekent dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Nu de aangevallen uitspraak wordt bevestigd en het bestreden besluit in stand blijft is er geen aanleiding de minister te veroordelen in de proceskosten van appellant.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2015.




(getekend) J. Brand




(getekend) N. Veenstra




RB