Centrale Raad van Beroep, 29-12-2015 / 14-2611 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:4886

Inhoudsindicatie
Intrekking en terugvordering bijstandsuitkering. Mensenhandel, prostitutie. Gebruik maken van strafrechtelijk bewijs. Bewijs verklaringen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-29
Publicatiedatum
2016-01-05
Zaaknummer
14-2611 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • ABkort 2016/30
  • JB 2016/50
  • USZ 2016/36
Uitspraak

14/2611 WWB, 14/2785 WWB

Datum uitspraak: 29 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 27 maart 2014, AWB 13/1769 en 13/1770 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Leeuwarden (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R. Siemeling, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

In het kader van het vooronderzoek heeft op 27 oktober 2015 een comparitiezitting plaatsgevonden. Voor appellant is mr. Siemeling verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door H. Inia.

Partijen hebben toestemming gegeven een onderzoek ter zitting achterwege te laten, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant heeft tussen 7 juni 2000 en 29 februari 2012 in een aantal periodes bijstand ontvangen, waaronder de periode tussen 1 september 2003 en 26 september 2004, waarin hij bijstand naar de norm voor gehuwden ontving met zijn partner [naam partner V] (V), ingevolge het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004.


1.2.

Appellant is sinds januari 2005 eigenaar van een woning in Marokko.


1.3.

Het Mensenhandel Interventie Team van de Regiopolitie Fryslȃn (MIT) heeft een strafrechtelijk onderzoek verricht naar onder meer mensenhandel, gepleegd door appellant. Op basis van dit onderzoek zijn appellant onder meer de strafbare feiten mensenhandel en valsheid in geschrifte ten laste gelegd.


1.4.

Appellant is op 3 januari 2012 in detentie gesteld.


1.5.

De resultaten van het strafrechtelijk onderzoek zijn ter beschikking gesteld aan de Sociale Recherche Fryslȃn (sociale recherche), die op verzoek van het college een nader onderzoek heeft ingesteld naar het recht op bijstand van appellant. In dat kader heeft de sociale recherche onder meer dossieronderzoek verricht en kennis genomen van het definitieve proces-verbaal betreffende appellant van 14 maart 2012, van een rapport van de Regiopolitie Drenthe van

17 april 2012 en van een proces-verbaal betreffende V van 2 april 2012. De resultaten van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 18 mei 2012 en een proces-verbaal van 24 mei 2012


1.6.

De resultaten van het onderzoek zijn voor het college aanleiding geweest bij besluit van 24 mei 2012 de bijstand van appellant vanaf 7 juni 2000 tot en met 3 januari 2012 in te trekken op de grond dat appellant niet heeft voldaan aan zijn inlichtingenverplichting door niet aan het college te melden dat hij tot en met 2008 inkomsten uit prostitutie van één of meer vrouwen en vanaf 2005 een woning in Marokko had, waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen. Tevens heeft het college de bijstand vanaf 4 januari 2012 ingetrokken op de grond dat appellant vanwege zijn detentie geen recht op bijstand heeft.

1.7.

Bij besluit van eveneens 24 mei 2012 heeft het college de over de periode 1 januari 2001 tot en met 29 februari 2012 ten onrechte gemaakte kosten van bijstand tot een bedrag van

€ 108.190,56 van appelllant teruggevorderd.


1.8.

Bij vonnis van 26 juli 2012 heeft de rechtbank Leeuwarden (strafrechter) appellant veroordeeld tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van zes jaren. De rechtbank heeft onder meer bewezen geacht dat appellant zich van 1 oktober 2000 tot en met het jaar 2007 schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel en in de periodes tussen 1 oktober 2000 tot en met augustus 2005, januari 2009 tot en met juli 2009 en november 2009 tot en met 3 januari 2011 valsheid in geschrifte heeft gepleegd, doordat hij in verband met de aan hem verleende bijstand geen opgave heeft gedaan dat hij inkomsten uit de prostitutie van één of meer vrouwen en dat hij vermogen had, bestaande onder meer uit een huis in Marokko.


1.9.

Bij besluit van 26 juni 2013 (bestreden besluit) heeft het college de bezwaren tegen de besluiten van 24 mei 2012 ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Niet in geschil is dat appellant vanaf 3 januari 2012 geen recht op bijstand had, zodat de hier te beoordelen periode loopt van 7 juni 2000, de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken, tot 3 januari 2012 (te beoordelen periode).


4.2.

Appellant voert aan dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte haar oordeel heeft gebaseerd op de bewezenverklaring door de strafrechter van de strafbare feiten. Dit is met name onjuist omdat het strafrechtelijk vonnis nog niet onherroepelijk is. Indien dat vonnis wordt vernietigd heeft de rechtbank in de aangevallen uitspraak haar oordeel gevormd op basis van feiten die in de strafrechtelijke procedure niet bewezen zijn. Indien een strafvonnis nog niet in kracht van gewijsde is gegaan dient de bestuursrechter met het volgen van het strafbewijs terughoudend te zijn. Deze terughoudendheid heeft de rechtbank niet in acht genomen.


4.3.

Voor zover appellant met deze beroepsgrond betoogt dat de rechtbank de bewezenverklaring door de strafrechter bepalend heeft geacht voor haar beoordeling, berust dit op een onjuiste lezing van de aangevallen uitspraak. De rechtbank heeft geoordeeld dat het college de in het strafrechtelijk onderzoek afgelegde verklaringen in zijn eigen onderzoek mocht betrekken, gezien het feit dat die verklaringen op ambtseed zijn opgemaakt, en vervolgens dat het college op basis van die verklaringen op goede gronden heeft vastgesteld dat appellant inkomsten uit prostitutie en vermogen in de vorm van een huis en een bankrekening in Marokko had. Aldus heeft de rechtbank de bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek zelf beoordeeld. De omstandigheid dat de rechtbank tevens heeft overwogen dat zij in dit geval aanleiding ziet het strafrechtelijk oordeel te volgen betekent derhalve niet, dat voor de rechtbank de strafrechtelijke bewezenverklaring op zichzelf voldoende reden was om het oordeel van de strafrechter te volgen.

4.4.

Zoals de Raad eerder heeft overwogen (uitspraak van 28 augustus 2012, ECLI:NL:CRVB:BX5869) bestaat geen rechtsregel die zich verzet tegen het betrekken van de vaststelling van feitelijke gegevens uit een strafrechtelijke procedure in een bestuursrechtelijke procedure, ook al is in de strafrechtelijke procedure nog niet onherroepelijk beslist. De bestuursrechter is bovendien in het kader van een bestuursrechtelijke procedure in het algemeen niet gebonden aan het oordeel van de strafrechter, omdat in een strafrechtelijke procedure een ander toetsingskader voorligt en een ander bewijsrecht van toepassing is. Daarom bestaat geen grond voor het oordeel dat in een bestuursrechtelijke procedure terughoudendheid in acht moet worden genomen bij het gebruik van bevindingen uit een strafrechtelijk onderzoek, zolang een strafvonnis nog niet in kracht van gewijsde is gegaan. De beroepsgrond slaagt niet.


4.5.1.

Volgens appellant heeft de rechtbank ten onrechte geoordeeld dat hij inkomsten uit prostitutie of vermogen over de gehele te beoordelen periode had, omdat de verklaringen uit het strafdossier daarvoor te onbepaald en te weinig specifiek zijn. De rechtbank had voor iedere periode waarin bijstand is genoten en waaraan telkens een zelfstandige bijstandsaanvraag ten grondslag ligt, afzonderlijk moeten beoordelen of voldoende feiten aanwezig zijn die aannemelijk maken dat appellant inkomen had uit prostitutie en dat hij, door dat niet te melden, zijn inlichtingenplicht heeft geschonden.


4.5.2.

In ieder geval bestaat volgens appellant in de periode tussen 1 september 2003 en 26 september 2004 geen verband tussen de verklaringen in het strafdossier en de ontvangen uitkering. Op geen enkele manier ondersteunen feiten uit het strafdossier de stelling dat appellant in deze periode inkomsten uit prostitutie zou hebben gehad en derhalve de inlichtingenplicht heeft geschonden. De rechtbank baseert haar oordeel op slechts een algemene verklaring van A.N. Van der Meer (M), die te weinig specifiek en te onbepaald is. Zo kan niet worden getoetst of zij in 2003 en 2004 inkomsten uit prostitutie heeft ontvangen en alle inkomsten aan appellant heeft afgestaan. Bovendien had M belang bij een negatieve verklaring over appellant.


4.6.

De rechtbank heeft met juistheid geoordeeld dat het college in de bevindingen uit het strafrechtelijk onderzoek toereikende grondslag heeft gevonden voor de vaststelling dat appellant in de gehele te beoordelen periode, en daarom ook tussen 1 september 2003 en

26 september 2004, inkomsten uit prostitutie dan wel (vanaf 2005) vermogen heeft gehad. Het college heeft zich in het bestreden besluit gebaseerd op de verklaringen uit het strafdossier van aangeefster M, van V, van een kamerverhuurder, van P. de Poel (P) en op de schuldbekentenissen van V aan P. Uit de verklaringen van M blijkt dat zij voor appellant in de prostitutie heeft gewerkt en haar verdiensten aan hem heeft afgedragen in de periode vanaf 1998 tot medio 2007. De op verschillende data afgelegde verklaringen zijn uitvoerig, consistent en gedetailleerd. Hieruit komt naar voren dat M in die periode voortdurend prostitutiewerkzaamheden heeft verricht. Zij heeft bovendien specifiek verklaard dat zij tot 2004 in Amsterdam heeft gewerkt, daarna naar Utrecht is gegaan tot ongeveer 2006 en toen heen en weer ging tussen Amsterdam en Utrecht. Vanaf de kennismaking met de prostitutie is zij er tot 2007 nooit meer uitgegaan. De prostitutiewerkzaamheden hebben blijkens deze specifieke en voldoende bepaalde verklaring derhalve ook in de periode tussen september 2003 en september 2004 plaatsgevonden. Voorts bestaat geen reden om de verklaringen van M onbetrouwbaar te achten. De belangrijke delen van haar verklaringen vinden immers ondersteuning in gegevens over verhuur van kamers aan haar (onder meer in de periode tussen 2002 en 2006) en andere gedetailleerde verklaringen, onder meer van haar moeder en haar zus. Wat de werkwijze van appellant betreft, vindt de verklaring van M steun in verklaringen van andere vrouwen die ook voor appellant in de prostitutie werkzaam zijn geweest, onder meer de verklaring van M.S. Dito. Hieruit volgt dat van de verklaring van M kan worden uitgegaan. Verweerder heeft derhalve terecht het recht op bijstand over de gehele hier te beoordelen periode ingetrokken en de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand teruggevorderd. De beroepsgrond slaagt niet.


4.7.

Gelet op wat onder 4.5 en 4.6 is overwogen slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I. Korte als voorzitter en M. ter Brugge en

J.L. Boxum als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 december 2015.




(getekend) O.L.H.W.I. Korte




(getekend) M.S. Boomhouwer



HD