Centrale Raad van Beroep, 18-12-2015 / 14/4042 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:4890

Inhoudsindicatie
In hoger beroep herhaling van de gronden. In de aangevallen uitspraak zijn deze gronden besproken en de rechtbank is met juistheid tot het oordeel gekomen dat deze niet kunnen slagen. Geen onderbouwing standpunt, geen medische stukken ingediend.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-18
Publicatiedatum
2016-01-08
Zaaknummer
14/4042 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/4042 WIA

Datum uitspraak: 18 december 2015



Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zeeland-West-Brabant van 2 juni 2014, 12/5212 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[Appellant] te [woonplaats] (appellant)


de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. P.J. de Rooij hoger beroep ingesteld.


Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 november 2015. Appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W.P.F. Oosterbos.

OVERWEGINGEN

1. Appellant was laatstelijk werkzaam als chauffeur/bezorger voor 39,75 uur per week. Voor dit werk is hij op 9 februari 2009 uitgevallen vanwege nek-, rug- en armklachten. Bij besluit van 24 februari 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 7 februari 2012 op grond van artikel 54 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering. Het Uwv heeft aan dit besluit onder andere een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) ten grondslag gelegd. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is, na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek, bij besluit van 23 augustus 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het verzekeringsgeneeskundig onderzoek dat aan het bestreden besluit ten grondslag ligt niet onzorgvuldig is geweest en dat geen aanleiding bestaat te twijfelen aan het oordeel van de verzekeringsartsen van het Uwv. Uit de rapporten van de verzekeringsartsen blijkt dat zij op de hoogte waren van de door appellant gestelde klachten. Appellant heeft geen medische informatie ingebracht die de rechtbank aanleiding geeft te twijfelen aan de voor hem vastgestelde belastbaarheid. De rechtbank heeft verder de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven.


3.1. Appellant heeft in hoger beroep, onder verwijzing naar wat hij in bezwaar en beroep naar voren heeft gebracht, aangevoerd dat hij meer beperkingen voor het verrichten van arbeid heeft dan door het Uwv blijkens de FML is aangenomen. Hij is door deze beperkingen niet in staat de voor hem geselecteerde voorbeeldfuncties uit te voeren.


3.2. Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.


4. Het oordeel van de Raad.


4.1. De gronden die appellant heeft aangevoerd in hoger beroep zijn in essentie een herhaling van de gronden die appellant heeft aangevoerd in beroep bij de rechtbank. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak deze gronden besproken en is met juistheid tot het oordeel gekomen dat deze niet kunnen slagen. Appellant heeft niet onderbouwd waarom hij de overwegingen van de rechtbank, zoals weergegeven in de aangevallen uitspraak, niet juist acht, noch heeft hij medische stukken overgelegd die aanknopingspunten bieden voor twijfel aan de FML. Voorts wordt het oordeel van de rechtbank onderschreven dat appellant gelet op zijn functionele mogelijkheden de aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde voorbeeldfuncties kan vervullen en dat daarbij geen relevant verlies aan verdienvermogen ontstaat.


4.2. Uit 4.1 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 december 2015.




(getekend) D.J. van der Vos




(getekend) V. van Rij




AP