Centrale Raad van Beroep, 30-12-2015 / 14/2470 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:4925

Inhoudsindicatie
Geen recht op een uitkering op grond van de Wet WIA. Juist rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep. Juiste FML.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-30
Publicatiedatum
2016-01-13
Zaaknummer
14/2470 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/2470 WIA

Datum uitspraak: 30 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

26 maart 2014, 14/485 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. J.G.P. de Wit, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Partijen hebben nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2015. Appellante en haar gemachtigde zijn met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is laatstelijk werkzaam geweest als administratief medewerkster voor 29,3 uur per week. Vanuit de situatie dat zij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving, is zij op 20 augustus 2010 uitgevallen door klachten van het geheugen, de rechterschouder en rechterpols en hoofdpijnklachten die na een ernstig auto-ongeval in februari 2008 zijn ontstaan.


1.2.

Na onderzoek door een verzekeringsarts en een arbeidsdeskundige heeft het Uwv bij besluit van 24 oktober 2012 vastgesteld dat voor appellante op 7 december 2012 geen recht is ontstaan op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) omdat zij met ingang van deze datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Bij besluit van 26 februari 2013 heeft het Uwv het bezwaar tegen dit besluit, onder verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, ongegrond verklaard.


1.3.

De rechtbank Den Haag heeft het beroep tegen dit besluit bij uitspraak van 24 juli 2013 gegrond verklaard en het besluit van 26 februari 2013 vernietigd. Daarbij heeft zij overwogen dat zij een expertise-onderzoek naar appellantes cognitieve beperkingen aangewezen acht. Tevens is overwogen dat er wordt getwijfeld aan de juistheid van het standpunt van de verzekeringsarts bezwaar en beroep aangaande de belastbaarheid van de rechterpols.


1.4.

Neuropsycholoog P.J.J. van der Werff heeft in opdracht van het Uwv een neuropsychologisch onderzoek bij appellante uitgevoerd. In zijn rapport van 31 oktober 2013 heeft hij vermeld dat bij het onderzoek naar de cognitieve functies van appellante op alle onderzochte gebieden bijzonder sterke stoornissen aanwezig zijn, die in het laatste anderhalf jaar voor het onderzoek in ernst en omvang toegenomen lijken te zijn. De oorzaak van deze achteruitgang is onduidelijk. De twijfel over de validiteit van een eerder in februari 2012 in het kader van de letselschadezaak afgenomen neuropsychologisch onderzoek is hierdoor sterker geworden. Daarbij presteert appellante bij gericht onderzoek naar eventueel onderpresteren zeer slecht, zodat het onderhavige onderzoek niet (of met veel voorbehoud) beschouwd kan worden als een valide neerslag van haar cognitief functioneren.


1.5.

De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft in zijn rapport van 22 november 2013 vermeld dat er op grond van de expertise geen nieuwe inzichten naar voren zijn gekomen. In de uitslag van de expertise wordt geen aanleiding gezien om nadere of andere beperkingen aan te nemen met betrekking tot de cognitieve functies. In verband met de klachten aan de rechterpols heeft hij, gelet op hetgeen de rechtbank in haar uitspraak daarover heeft opgemerkt, meer beperkingen in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) opgenomen. De arbeidsdeskundige bezwaar en beroep heeft vervolgens in zijn rapport van 10 december 2013 vermeld dat de geselecteerde voorbeeldfuncties met de gewijzigde FML geschikt blijven voor appellante.


1.6.

Bij besluit van 12 december 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar tegen het besluit van 24 oktober 2012, onder verwijzing naar de rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, opnieuw ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft het beroep tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.


3.1.

Appellante heeft in hoger beroep haar gronden uit de eerdere procedures herhaald. Appellante heeft meer en zwaardere beperkingen dan in de FML is opgenomen. Daarbij is er ten onrechte geen urenbeperking aangenomen. Ten aanzien van de uitslag van het onderzoek door neuropsycholoog Van der Werff heeft appellante aangevoerd dat het slechte presteren niet wordt veroorzaakt door het zich niet inspannen, maar door het zich niet kunnen inspannen. Het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de rechtbank dat zij bewust onderpresteert met een secundair belang is niet gemotiveerd en steunt niet op het medisch oordeel van de deskundige. De rechtbank heeft daarbij ten onrechte meer gewicht toegekend aan het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dan aan het oordeel van de door haar in het kader van de letselschadezaak geraadpleegde verzekeringsarts Timmerhuis van de Medisch Advies Groep (MAG). Voorts heeft de rechtbank ten onrechte geen deskundige benoemd. Appellante heeft ook in hoger beroep verzocht om een deskundige te benoemen. Appellante acht zich voorts niet in staat om de geselecteerde voorbeeldfuncties te verrichten.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.


4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.


4.1.

De hoger beroepsgronden vormen voornamelijk een herhaling van de gronden die appellante reeds in beroep heeft aangevoerd. Die gronden heeft de rechtbank terecht verworpen.


4.2.

Voor zover die gronden betrekking hebben op de verzekeringsgeneeskundige kant van de onderhavige besluitvorming heeft de rechtbank met juistheid gewezen op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 22 november 2013. In dit rapport is een inhoudelijke en gemotiveerde reactie gegeven op de resultaten van het neuropsychologisch onderzoek van 4 november 2013. Omdat in het expertiserapport te kennen wordt gegeven dat het onderzoek niet (of met veel voorbehoud) beschouwd kan worden als een valide neerslag van het cognitief functioneren van appellante wordt geen aanleiding gezien om het oordeel van de verzekeringsarts bezwaar en beroep als onvoldoende gemotiveerd te beschouwen. Daarbij heeft de neuropsycholoog die de expertise heeft verricht zelf in zijn brief van 14 november 2013 vermeld dat de nodige kanttekeningen zijn te plaatsen bij de inzet en motivatie van appellante om tot maximale/optimale prestaties te komen en dat onduidelijk is of, en zo ja, in welke mate secundair belang een rol heeft gespeeld. Dit leidt weliswaar nog niet tot de conclusie dat er sprake is van bewust onderpresteren met een secundair belang, maar heeft voor de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht geen reden gegeven om in de FML meer beperkingen op te nemen wegens cognitieve stoornissen. In zijn eerdere rapport van

19 februari 2013 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep vermeld dat het niet nodig is om een urenbeperking vast te stellen, omdat er geen beperking is op grond van de drie indicatiegebieden. In de FML zijn wel beperkingen opgenomen op energetisch en locomotorisch gebied. Voorts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 11 maart 2014 in reactie op de diverse in beroep overgelegde medische rapporten te kennen gegeven dat ook in de verklaring van de neuroloog geen nieuwe inzichten naar voren zijn gekomen omtrent de belastbaarheid en dat de in het kader van de letselschadezaak ingeschakelde medisch adviseur dezelfde mening heeft over de cognitieve stoornissen van appellante als hij. Voorts heeft hij opgemerkt dat uit het neuropsychologisch onderzoek naar voren is gekomen dat er geen aanwijzingen zijn voor een ernstige psychische stoornis. In de FML is rekening is gehouden met appellantes psychische belastbaarheid en de beperkingen door haar hoofdpijnklachten. Op de in hoger beroep door appellante ingebrachte medische rapporten heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 10 juni 2015 gereageerd. Ook deze rapporten geven volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep geen nieuwe inzichten ten aanzien van de datum in geding. Tegenover het verzekeringsgeneeskundig oordeel waarop het Uwv zich baseert met betrekking tot appellantes klachten heeft appellante geen dusdanig onderbouwd medisch oordeel gesteld dat er twijfel is aan de juistheid van dat standpunt van het Uwv. Uit de in het kader van de letselschadezaak opgestelde stukken van de orthopedisch chirurg van 3 juli 2014 (definitieve versie: 26 augustus 2014) en de MAG valt, zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep terecht heeft opgemerkt, niet af te leiden dat de FML een onjuist beeld geeft van appellantes beperkingen voor het verrichten van arbeid. Dit laatste geldt ook voor de brief van de neuropsycholoog en de neuroloog van 26 juni 2014.


4.3.

Uit hetgeen is overwogen in 4.2 volgt dat er geen aanleiding is een medisch deskundige te benoemen om de Raad van advies te dienen.


4.4.

Terecht heeft de rechtbank de beroepsgrond verworpen dat de ten aanzien van appellante geselecteerde functies in medisch opzicht niet passend zijn. Daarbij heeft de rechtbank ook met juistheid verwezen naar het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van

22 februari 2013. In dit rapport en het rapport van deze arbeidsdeskundige van 10 december 2013, waarin rekening is gehouden met de aangescherpte FML, is inzichtelijk en overtuigend beargumenteerd dat appellante werkzaamheden kan verrichten verbonden aan de eerder geselecteerde functies waarin de belasting in overeenstemming is met haar verzekeringsgeneeskundig vastgestelde mogelijkheden en beperkingen.


4.5.

Gezien hetgeen is overwogen in 4.1 tot en met 4.4 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd. Er is dan ook geen reden om het Uwv te veroordelen tot schadevergoeding.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- bevestigt de aangevallen uitspraak.

- wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.



Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 december 2015.




(getekend) C.P.J. Goorden




(getekend) C.M.A.V. van Kleef





AP