Centrale Raad van Beroep, 30-12-2015 / 15/223 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:4928

Inhoudsindicatie
Geen recht meer op een WGA-uitkering. Voldoende medische en arbeidskundige grondslag.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-30
Publicatiedatum
2016-01-13
Zaaknummer
15/223 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

15/223 WIA

Datum uitspraak: 30 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van

3 december 2014, 14/2199 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 7 december 2015. Appellante is verschenen met bijstand van mr. H. Tadema, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. I. Smit.

OVERWEGINGEN


1.1.

Bij besluit van 2 april 2007 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante met ingang van 19 februari 2007 recht is ontstaan op een loongerelateerde WGA-uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA).


1.2.

In het kader van een herbeoordeling is appellante op het spreekuur van een verzekeringsarts van het Uwv onderzocht. Die arts heeft in zijn rapport van 2 januari 2014 vermeld dat, gelet op de beschikbare medische gegevens, er geen goede medisch objectiveerbare verklaring is voor de (ernst) van de door appellante ervaren arm- en beenklachten/beperkingen aan de rechterzijde. Wel is er een rugoperatie in 1993 geweest en twee operaties aan de linkerknie in 2006 en 2007. De verzekeringsarts heeft, hoewel de oorzaak van de door appellante ervaren arm- en beenklachten rechts niet aanwijsbaar is, het wel aannemelijk geacht dat zij beperkt is wat betreft haar belastbaarheid. De verzekeringsarts heeft de beperkingen van appellante voor het verrichten van arbeid vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Hij heeft appellante daarbij als rolstoelafhankelijk beschouwd. Een arbeidsdeskundige heeft vervolgens aan de hand van geselecteerde voorbeeldfuncties in zijn rapport van 11 februari 2014 berekend dat de mate van appellantes arbeidsongeschiktheid minder dan 35% is.


1.3.

Bij besluit van 12 februari 2014 heeft het Uwv vastgesteld dat appellante met ingang van 13 april 2014 geen recht meer heeft op een WGA-uitkering omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid met ingang van 11 februari 2014 minder dan 35% is.


1.4.

Appellante heeft zich door middel van een wijzigingsformulier van 19 februari 2014 en een wijzigingsformulier van 21 februari 2014 met ingang van 14 februari 2014 toegenomen arbeidsongeschikt gemeld in verband met een buikoperatie.


1.5.

Naar aanleiding van het bezwaar van appellante tegen het besluit van 12 februari 2014 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn rapport van 15 juli 2014 te kennen gegeven dat de meeste klachten van appellante eerder terug te voeren zijn op deconditionering en gewoontevorming dan op onderliggende pathologie. De buikklachten kunnen nog langere tijd na een buik(wand)operatie aanwezig zijn, maar belemmeren niet in het functioneren, zeker niet met de forse in de FML opgenomen beperkingen. De buikoperatie is daarom geen grond tot meer beperkingen op de datum 13 april 2014.


1.6.

Bij besluit van 21 juli 2014 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 12 februari 2014, onder verwijzing naar het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft het beroep van appellante tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard.


3.1.

Appellante heeft in hoger beroep aangevoerd dat uit de informatie van de huisarts blijkt dat haar gezondheidstoestand slechter is dan waar het Uwv vanuit is gegaan. Zij heeft betoogd dat er onvoldoende rekening is gehouden met haar rolstoelafhankelijkheid. Ze heeft voorts aangevoerd dat het Uwv ten onrechte geen rekening heeft gehouden met de psychische klachten en spanningsklachten die de besluitvorming van het Uwv heeft opgeleverd.

Bij brief van 29 september 2015 heeft appellante een brief van de revalidatiearts van ViaReva te Deventer van 24 juli 2015 ingebracht, in welke brief wordt vermeld dat thans is aangetoond dat appellante ernstige artrose aan beide handen heeft. Ter zitting heeft appellante aangevoerd dat uit deze brief blijkt dat bij appellante de diagnose hypermobiliteitssyndroom is vastgesteld. Deze diagnose leidt volgens appellante tot de conclusie dat er te weinig beperkingen in de FML zijn vastgesteld.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht om de aangevallen uitspraak te bevestigen.


4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.


4.1.

De rechtbank heeft met juistheid gewezen op het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 15 juli 2014. Uit dit rapport blijkt dat appellante lichamelijk en psychisch is onderzocht door die verzekeringsarts. Het rapport bevat een deugdelijk gemotiveerde verzekeringsgeneeskundige reactie op appellantes bezwaren. Voorts is gemotiveerd waarom de buikoperatie geen grond oplevert voor meer beperkingen op 13 april 2014. In de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep geaccordeerde FML zijn forse beperkingen voor de fysieke belasting opgenomen. Het Uwv heeft in hoger beroep terecht opgemerkt dat gedurende de bezwaar- en beroepsprocedure ontwikkelde psychische en spanningsklachten geen betrekking hebben op de datum in geding. Van psychische problematiek is eerder niet gebleken. Tegenover het verzekeringsgeneeskundig oordeel waarop het Uwv zich baseert met betrekking tot appellantes fysieke klachten heeft appellante geen onderbouwd medisch oordeel gesteld dat doet twijfelen aan de juistheid van dat standpunt van het Uwv. In de in hoger beroep overgelegde brief van de revalidatiearts van 24 juli 2015 wordt vermeld dat inmiddels ernstige CMC-I artrose is aangetoond. In de medische stukken die betrekking hebben op de situatie voorafgaand aan de datum in geding was dit nog niet het geval. Uit deze brief is, in tegenstelling tot hetgeen appellante stelt, niet af te leiden dat de FML een onjuist beeld geeft van appellantes beperkingen voor het verrichten van arbeid ten tijde van de datum in geding.


4.2.

Terecht heeft de rechtbank de beroepsgrond verworpen dat, uitgaande van de juistheid van de FML, de ten aanzien van appellante geselecteerde functies in medisch opzicht niet passend zijn. In de bij het rapport van de arbeidsdeskundige van 1 februari 2014 behorende functiebeschrijvingen is inzichtelijk en overtuigend gemotiveerd dat appellante deze functies kan verrichten.


4.3.

Gezien hetgeen is overwogen in 4.1 en 4.2 slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 december 2015.




(getekend) C.P.J. Goorden




(getekend) C.M.A.V. van Kleef




AP