Centrale Raad van Beroep, 23-12-2015 / 14/6827 WSF


ECLI:NL:CRVB:2015:4931

Inhoudsindicatie
Vaststelling vordering wegens meerinkomen. De vordering is vastgesteld in overeenstemming met de wettelijke regeling. Van strijd met Verdragsrecht is geen sprake.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-23
Publicatiedatum
2016-01-13
Zaaknummer
14/6827 WSF
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/6827 WSF


Datum uitspraak: 23 december 2015


Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer










Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag van

28 oktober 2014, 14/4668 (aangevallen uitspraak)






Partijen:


[appellante] te [woonplaats] (appellante)



De Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (minister)


PROCESVERLOOP


Appellante heeft hoger beroep ingesteld.

De minister heeft een verweerschrift ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 november 2015. Appellante is niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. G.J.M. Naber.



OVERWEGINGEN


1.1.

Aan appellante is, voor zover hier van belang, voor de maand januari 2011 en voor de periode van september tot en met december 2011 studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend.


1.2.

Bij besluit van 1 februari 2014 heeft de minister voor het jaar 2011 voor appellante een vordering van € 1.271,17 vastgesteld wegens meerinkomen.


1.3.

Appellante heeft deze vordering in bezwaar bestreden.


1.4.

De minister heeft het bezwaar bij besluit van 1 mei 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Daaraan heeft de minister ten grondslag gelegd dat de vordering is opgelegd conform de wettelijke regeling. Voor toepassing van de hardheidsclausule heeft de minister geen aanleiding gezien.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat de vordering is vastgesteld in overeenstemming met de wettelijke regeling. Daartoe is overwogen dat de beoordeling of sprake is van meerinkomen in de zin van artikel 3.17 van de Wsf 2000 plaatsvindt over het gehele kalenderjaar. Het inkomen dat eiseres in de periode van februari 2011 tot en met augustus 2011 heeft genoten heeft is dan ook te beschouwen als meerinkomen naast de in 2011 ontvangen studiefinanciering. Appellantes uitleg van het woord “bijverdienen” dat de minister in dit verband op zijn website heeft gebruikt, wordt niet gevolgd. De stelling van appellante dat artikel 3.17, vijfde lid, van de Wsf 2000 ongrondwettig of onredelijk is, kan niet leiden tot een geslaagd beroep. Het staat de rechter op grond van artikel 120 van de Grondwet en artikel 11 van de Wet algemene bepalingen niet vrij om een wettelijke bepaling op haar grondwettigheid, innerlijk waarde of billijkheid te toetsen. Het beroep op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet omdat appellante zich in een andere situatie bevindt dan iemand die voor aanvang of na afloop van zijn studie inkomen geniet. De beroepsgrond van appellante met betrekking tot artikel 14 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden slaagt in zoverre evenmin. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in hetgeen appellante naar voren heeft gebracht geen aanleiding hoeven te zien de in artikel 11.5, eerste lid, van de

Wsf 2000 vervatte hardheidsclausule toe te passen. In dit verband wijst de rechtbank op de bewoording van artikel 3.17, vijfde lid, van de Wsf 2000, waarin de wetgever expliciet heeft opgenomen onder welke voorwaarden inkomen buiten beschouwing moet blijven. Gesteld noch gebleken is dat het voor appellante onmogelijk was haar bijverdiensten in 2011 te staken.


3. Appellante heeft in hoger beroep de aangevallen uitspraak gemotiveerd bestreden.


4. De Raad oordeelt als volgt.


4.1.

Hetgeen appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht is een (vrijwel) woordelijke herhaling van hetgeen zij in beroep naar voren heeft gebracht. De rechtbank heeft de bij haar naar voren gebrachte gronden alle besproken en daarover een gemotiveerd oordeel gegeven. Nieuwe gezichtspunten zijn door appellante niet aangevoerd. Evenmin heeft zij aangegeven waarom het oordeel van de rechtbank onvoldoende of onjuist gemotiveerd zou zijn. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank die tot het oordeel hebben geleid dat de minister de aan appellante opgelegde vordering in overeenstemming met de wettelijke regeling heeft vastgesteld. Terecht is de rechtbank ook tot de conclusie gekomen dat van strijd met Verdragsrecht geen sprake is. Van een op grond van vermogen gemaakt verboden onderscheid is, zoals de rechtbank heeft geoordeeld, geen sprake. Eveneens terecht heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister in wat appellante heeft gesteld geen aanleiding heeft hoeven zien met toepassing van de hardheidsclausule (gedeeltelijk) van het opleggen van een vordering af te zien. De Raad voegt hieraan volledigheidshalve toe dat, gelet op artikel 11.5, tweede lid, van de Wsf 2000 toepassing van de hardheidsclausule niet mogelijk is wat betreft het begrip toetsingsinkomen.


4.2.

Wat is overwogen in 4.1 brengt mee dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Nu de aangevallen uitspraak wordt bevestigd en het bestreden besluit in stand blijft is er geen aanleiding de minister te veroordelen in de proceskosten van appellante.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2015.




(getekend) J. Brand




(getekend) N. Veenstra




AP