Centrale Raad van Beroep, 20-02-2015 / 10-6282 WAO


ECLI:NL:CRVB:2015:494

Inhoudsindicatie
Intrekking WAO-uitkering. Minder dan 15% arbeidsongeschikt. Met (de)rapporten van deskundige Van Duijn en van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is in hoger beroep een afdoende medische en arbeidskundige grondslag voor het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering van appellante per 28 oktober 2009 gegeven. Voor het aannemen van meer beperkingen, als door appellante betoogd bestaat geen aanleiding nu zij voor dit standpunt geen (nieuwe) medische onderbouwing heeft gegeven. In hetgeen appellante overigens in hoger beroep heeft aangevoerd wordt geen aanleiding gezien om tot het oordeel te komen dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor haar niet passend zouden zijn.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-20
Publicatiedatum
2015-02-23
Zaaknummer
10-6282 WAO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

10/6282 WAO

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Zwolle-Lelystad van

13 oktober 2010, 10/227 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 20 februari 2015

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.A.J. van Putten, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift, met daarbij een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep, ingediend.

Bij brief van 23 mei 2012 is namens appellante nadere medische informatie overgelegd.

Het Uwv heeft in reactie op de nadere medische informatie een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 13 juni 2012 ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 31 augustus 2012. Appellante is verschenen bij gemachtigde, mr. Van Putten. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.J. van Steenwijk.

De Raad heeft het onderzoek heropend en heeft dr. E. Van Duijn, psychiater, als deskundige benoemd voor het instellen van een nader medisch onderzoek.

De deskundige heeft op 23 mei 2013 van zijn bevindingen rapport uitgebracht aan de Raad.

Het Uwv heeft op het deskundigenrapport gereageerd met een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 26 juni 2013.

Namens appellante is op 15 augustus 2013 een schriftelijke reactie gegeven op het deskundigenrapport.

De deskundige heeft, desgevraagd door de Raad, bij brief van 12 september 2013 zijn zienswijze gegeven op de reacties van partijen.

Naar aanleiding van de zienswijze van de deskundige heeft het Uwv een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 25 september 2013 overgelegd.

In antwoord op vragen van de Raad heeft het Uwv een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 16 oktober 2013 overgelegd.

Bij brief van 14 november 2013 is namens appellante een nadere reactie gegeven op het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep.

De Raad heeft nadere vragen gesteld aan het Uwv, die door het Uwv zijn beantwoord met een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 20 januari 2014.

Bij brief van 25 februari 2014 heeft de Raad het Uwv bericht dat nog niet al de door Raad gestelde vragen zijn beantwoord.

In antwoord op de brief van 25 februari 2014 heeft het Uwv een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 12 maart 2014 overgelegd.

De Raad heeft de deskundige nadere vragen gesteld. De deskundige heeft deze vragen beantwoord bij brief van 6 augustus 2014.

Het onderzoek ter zitting heeft vervolgens plaatsgevonden op 19 december 2014. Namens appellante is mr. Van Putten verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.J.G. Lindeman.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellante is op 31 maart 2003 ten gevolge van psychische klachten uitgevallen voor haar werk als tolk op een middelbare school in dienst van Stichting Kompaan te Almere. Aan appellante is met ingang van 23 maart 2004 een uitkering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) toegekend, berekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.


1.2.

Na een herbeoordeling heeft het Uwv bij besluit van 27 augustus 2009 de WAO-uitkering van appellante met ingang van 28 oktober 2009 ingetrokken omdat de mate van haar arbeidsongeschiktheid minder dan 15% was.


1.3.

Bij besluit van 4 januari 2010 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 27 augustus 2009 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit zijn door het Uwv ten grondslag gelegd het rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 10 december 2009, die de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) heeft aangescherpt, en het rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van

23 december 2009, die naar aanleiding van de aangescherpte FML enkele van de voor appellante geselecteerde functies heeft laten vallen, waarmee nog voldoende functies resteerden voor de schatting.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak de medische en arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onderschreven en het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond verklaard.


3. In hoger beroep heeft appellante, evenals in beroep, (samengevat) gesteld dat zij meer beperkt is dan door de verzekeringsarts bezwaar en beroep is aangenomen. Haar klachten zijn ten opzichte van de situatie in 2006, toen zij op grond van een vorige herbeoordeling onverminderd volledig arbeidsongeschikt was bevonden, zelfs verergerd. Appellante heeft paniekaanvallen en gebruikt medicatie om in slaap te komen vanwege dwanggedachten. Appellante heeft verzocht om een deskundige in te schakelen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Het gaat in dit hoger beroep om de vraag of de voor appellante per 28 oktober 2009 geldende arbeidsbeperkingen en de daaruit voortvloeiende mate van arbeidsongeschiktheid door het Uwv juist zijn vastgesteld. De Raad heeft aanleiding gezien zich omtrent de gezondheidstoestand van appellante en haar arbeidsbeperkingen te laten voorlichten door de in rubriek procesverloop genoemde deskundige.


4.2.

Deskundige Van Duijn heeft in zijn rapport van 23 mei 2013, aangevuld met zijn brief van 12 september 2013, geconcludeerd dat voor appellante nadere beperkingen zijn aangewezen in de rubrieken 1 en 2 van de FML.


4.3.

In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door hem ingeschakelde deskundige in beginsel pleegt te volgen, tenzij op grond van bijzondere omstandigheden afwijking van deze hoofdregel is gerechtvaardigd. In dit geval is er geen aanleiding van deze hoofdregel af te wijken. Deskundige Van Duijn, die de beschikking heeft gehad over alle in geding zijnde medische gegevens, heeft op zorgvuldige wijze een onderzoek ingesteld en daarvan op inzichtelijke wijze verslag gedaan en zijn conclusies afdoende gemotiveerd. Voorts heeft Van Duijn naar aanleiding van de reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 26 juni 2013, bij brief van

12 september 2013 gemotiveerd aangegeven bij zijn eerder gegeven oordeel te blijven.


4.4.

Geconcludeerd wordt dat in de door de verzekeringsarts bezwaar en beroep ten aanzien van appellante opgestelde FML van 10 december 2009 onvoldoende beperkingen zijn opgenomen, zodat het bestreden besluit niet op een juiste medische grondslag berust en daarom vernietigd moet worden. Hieruit volgt dat ook de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd.


4.5.

De Raad ziet aanleiding om onder toepassing van artikel 8:72, lid 3, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit in stand te laten en overweegt daartoe als volgt. Uitgaande van de bevindingen van de deskundige, als door hem bevestigd in zijn brief van 6 augustus 2014, dienen in de FML aanvullend beperkingen te gelden op de volgende aspecten:

1.5.1

doelmatig handelen is beperkt, start niet tijdig activiteiten om het gestelde doel te bereiken;

1.5.3

doelmatig handelen is beperkt, controleert het verloop van de activiteiten niet;

1.6.2

zelfstandig handelen is beperkt, stelt zichzelf meestal geen doelen;

2.6.1

emotionele problemen van anderen hanteren is beperkt.

In haar rapport van 16 oktober 2013 is door de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep inzichtelijk en voldoende gemotiveerd geconcludeerd dat voor appellante, met inachtneming van de voor haar geldende beperkingen, de functies van productiemedewerker gebak

(Sbc-code 111172), inpakker (Sbc-code 111190) en medewerker tuinbouw

(Sbc-code 111010), geschikt zijn te achten en dat daarmee de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante ongewijzigd minder dan 15% is. Met voornoemde rapporten van deskundige Van Duijn en van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep is in hoger beroep een afdoende medische en arbeidskundige grondslag voor het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering van appellante per 28 oktober 2009 gegeven. Voor het aannemen van meer beperkingen, als door appellante betoogd bestaat geen aanleiding nu zij voor dit standpunt geen (nieuwe) medische onderbouwing heeft gegeven. In hetgeen appellante overigens in hoger beroep heeft aangevoerd wordt geen aanleiding gezien om tot het oordeel te komen dat de geselecteerde functies in medisch opzicht voor haar niet passend zouden zijn.


5. De Raad ziet aanleiding om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de kosten van appellante in bezwaar, beroep en in hoger beroep. De kosten voor verleende rechtsbijstand worden, uitgaande van een zaak van gemiddeld gewicht en een bedrag van

€ 490,- per procespunt, begroot op € 980,- in bezwaar, op € 980,- in beroep en op € 1960,- in hoger beroep, in totaal € 3920,-.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 152,- vergoedt;

- veroordeelt het Uwv in de kosten van appellante tot een bedrag van € 3920,- .



Deze uitspraak is gedaan door R.E. Bakker als voorzitter en J.J.T. van den Corput en

E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van B. Rikhof als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 februari 2015.




(getekend) R.E. Bakker




(getekend) B. Rikhof





nk