Centrale Raad van Beroep, 30-12-2015 / 13/449 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:4971

Inhoudsindicatie
Weigering WIA-uitkering. Onvoldoende medische grondslag. De door de Raad geraadpleegde psychiater heeft verdergaande beperkingen van toepassing geacht. Onvoldoende passende functies te duiden. Onvoldoende arbeidskundige grondslag. Dit leidt tot het oordeel dat appellant in aanmerking moet worden gebracht voor een WIA-uitkering.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-30
Publicatiedatum
2016-01-14
Zaaknummer
13/449 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/449 WIA

Datum uitspraak: 30 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van

19 december 2012, 12/858 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. U. Ugur, advocaat, hoger beroep ingesteld en een rapport van psychiater dr. H.A. Droogleever Fortuyn van 21 augustus 2013, gericht aan de sector handel en kanton van de rechtbank Utrecht, ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en op het rapport van 21 augustus 2013 gereageerd.

Op verzoek van de Raad heeft M.F.G. Mennen, psychiater, in samenwerking met

D. ten Wolde, arts-assistent psychiatrie, op 6 juli 2015 een rapport uitgebracht.

Het Uwv heeft op het rapport van 6 juli 2015 gereageerd en bij brieven van 19 en

29 oktober en 11 november 2015 vragen van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ugur. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door M.M.J.E. Budel.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant is op 19 maart 2009 wegens cognitieve klachten en pijnklachten na een verkeersongeval uitgevallen voor zijn werk als [naam functie] in dienst van de Stichting [naam stichting] van de gemeente [woonplaats].


1.2.

Na onderzoek door een verzekeringsarts, die tot de conclusie is gekomen dat appellant in staat wordt geacht zijn voormalige arbeid te verrichten, heeft het Uwv bij besluit van

23 februari 2012 vastgesteld dat appellant met ingang van 1 januari 2012 niet in aanmerking komt voor een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). In bezwaar heeft een verzekeringsarts bezwaar en beroep arbeidsbeperkingen voor appellant vastgesteld en deze vastgelegd in een Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van

10 juli 2012. Vervolgens heeft een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep geconcludeerd dat appellant in staat is passend werk te doen waardoor zijn mate van arbeidsongeschiktheid beneden 35% blijft. Bij besluit van 20 juli 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 23 februari 2012 ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. De rechtbank heeft zich met de in beroep aangepaste FML kunnen verenigen en, daarvan uitgaande, het aannemelijk geacht dat appellant in staat was de aan hem voorgehouden functies te verrichten.


3.1.

In hoger beroep heeft appellant - kort samengevat - aangevoerd dat zijn beperkingen zijn onderschat en dat hij in verband met een scala aan klachten niet in staat is de geselecteerde functies te vervullen. Hij heeft daarbij verwezen naar de in het kader van een letselschadeprocedure uitgebrachte expertise door psychiater Droogleever Fortuyn.


3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, bepleit en het standpunt gehandhaafd dat afdoende rekening is gehouden met de beperkingen van appellant en hij met de geselecteerde functies minder dan 35% arbeidsongeschikt blijft.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Psychiater Droogleever Fortuyn heeft in zijn rapport geconcludeerd dat bij appellant sprake is van een somatisatiestoornis. De psychiater vermeldt dat de huisarts al op

7 november 2012 deze diagnose heeft gesteld. Verder kan de psychiater niet uitsluiten dat appellant in 2011 een depressieve episode doormaakte. Er doen zich volgens de psychiater beperkingen voor in de motoriek, gevoeligheid voor lage temperaturen, vertraging, energietekort, stemmingsproblemen, in enige mate aandachts- en geheugenproblemen en in periodes niet goed kunnen lezen. De beperkingen kunnen in de tijd en in ernst wisselen. De verwachting is een min of meer chronisch beloop.


4.2.

In overeenstemming met het rapport van psychiater Droogleever Fortuyn heeft de door de Raad benoemde deskundige Mennen geconcludeerd dat bij appellant sprake is van een somatisatiestoornis. Daarnaast heeft de deskundige geconcludeerd tot het bestaan van een depressieve stoornis. Hij acht het aannemelijk dat de diagnoses ook op 1 januari 2012 gesteld hadden kunnen worden, in ieder geval de somatisatiestoornis. Vermeld is dat zowel de somatisatiestoornis als de depressieve klachten al jaren in periodes aanwezig lijken te zijn en dat er geen periodes aanwezig lijken te zijn waarbij appellant gefunctioneerd heeft zoals voor het (eerste van drie) ongeval(len) in 2003. De deskundige heeft vraagtekens geplaatst bij de FML ten aanzien van concentratie, vasthouden en verdelen van aandacht, handelingstempo, onregelmatige werktijden met nachtdiensten en heeft gewezen op het handhaven van een adequaat, voorspelbaar en gestructureerd activiteitenpatroon.


4.3.

In haar reacties van 6 december 2013 en 28 augustus 2015 op de uitgebrachte psychiatrische rapporten en in het rapport van 13 oktober 2015 op vragen van de Raad heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gesteld dat de arts van het Uwv psychische beperkingen heeft aangenomen die passend waren bij het medische feitencomplex op de datum in geding en dat in de FML voldoende aan de klachten en ervaren beperkingen van appellant is tegemoet gekomen. Daarbij heeft zij erop gewezen dat het bij een somatisatiestoornis gaat om lichamelijke klachten zonder aantoonbaar somatisch substraat en dat de subjectieve klachten te allen tijde aan de objectief medische feiten getoetst moeten worden. Ten aanzien van de geschiktheid voor het ’s nachts werken heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep gesteld dat dit in een van de geduide functies incidenteel, dat wil zeggen minder dan vier keer per jaar, voorkomt.


4.4.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Deze situatie doet zich hier voor. Het deskundigenonderzoek geeft blijk van een zorgvuldig onderzoek en is inzichtelijk en consistent. De bevindingen van de deskundige stemmen voorts in hoge mate overeen met het rapport van Droogleever Fortuyn. Uit de beide rapporten blijkt dat beide psychiaters van verdergaande beperkingen voor arbeid bij appellant uitgaan dan de verzekeringsartsen van het Uwv. Blijkens die rapporten vloeien die beperkingen voort uit de door hen vastgestelde diagnoses ten tijde hier van belang. Weliswaar zijn in de bezwaarprocedure, naar aanleiding van de toen voorhanden medische informatie en het op 22 mei 2012 door een verzekeringsarts bezwaar en beroep verrichte onderzoek, al enige beperkingen gesteld, maar de deskundige heeft, uitgaande van genoemde diagnoses, de in 4.2 genoemde, verdergaande beperkingen van toepassing geacht. Het bestreden besluit ontbeert een afdoende medische grondslag.


4.5.

Uitgaande van de op appellant van toepassing zijnde verdergaande beperkingen kan de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep niet worden gevolgd in zijn opvatting dat de in het rapport van 28 oktober 2015 vermelde functies passend zijn. Bij de inpakfuncties (Sbc-code 111190) is sprake van incidenteel nachtwerk, dan wel werk in wisselende diensten en is sprake van een hoog tempo. Onvoldoende is gemotiveerd dat deze aspecten passen binnen de door de deskundige genoemde beperkingen op het gebied van onregelmatige werktijden en handelingstempo. Het werk van productiemedewerker (Sbc-code 111172) vindt plaats op een gladde vloer en er worden scherpe messen gehanteerd. Niet is toegelicht hoe dit zich verdraagt tot de in beroep aanvullend gestelde beperking op het aspect 1.9.9. De functie snackbereider (Sbc-code 111071) kent een kenmerkende belasting handelingstempo die niet nader door de arbeidsdeskundige is toegelicht. Bovendien wordt er in deze functie en in de functie medewerker tuinbouw (Sbc-code 111010) gewerkt met producten die in de koelcel moeten worden geplaatst. Hoewel bij brief van 28 september 2015 is gevraagd om een reactie ten aanzien van de door Droogleever Fortuyn vermelde beperkingen, is geen toelichting verstrekt op deze punten. Geconcludeerd wordt dat de arbeidskundige grondslag van het bestreden besluit onvoldoende is onderbouwd.


4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 moet worden geconcludeerd dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, niet in stand kan blijven omdat ten onrechte de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit van 20 juli 2012 in stand zijn gelaten. Nu ook de na de uitgebrachte psychiatrische rapporten geselecteerde functies op een onvoldoende arbeidskundige grondslag zijn gebaseerd, moet worden geconcludeerd dat het Uwv niet in staat is gebleken om vanuit de in acht te nemen medische beperkingen voldoende passende functies te duiden. Dit leidt tot het oordeel dat appellant in aanmerking moet worden gebracht voor een uitkering op grond van de Wet WIA, gebaseerd op een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. De Raad heeft onvoldoende gegevens om het recht op WIA-uitkering voor appellant zelf vast te stellen, zodat de Raad niet zelf in de zaak kan voorzien. Nu het in dit geval nog slechts gaat om een uitwerking van de aanspraken, die naar verwachting geen nieuwe discussie gaat opleveren, ziet de Raad af van toepassing van de zogeheten bestuurlijke lus om te komen tot finale geschillenbeslechting. Het Uwv zal met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht worden opgedragen een nader besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.


5. Er is aanleiding het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant in hoger beroep. Deze kosten worden bepaald op € 1.225,- voor de kosten van rechtsbijstand.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
  • - bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;
  • - draagt het Uwv op een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen met inachtneming van deze uitspraak;
  • - veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant tot een bedrag van

€ 1.225,-;

- bepaalt dat het Uwv het betaalde griffierecht in hoger beroep van € 115,- aan appellant vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk als voorzitter en J.S. van der Kolk en E.W. Akkerman als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 december 2015.




(getekend) G.A.J. van den Hurk




(getekend) C.M.A.V. van Kleef




MK