Centrale Raad van Beroep, 23-12-2015 / 14/5650 WAO


ECLI:NL:CRVB:2015:4973

Inhoudsindicatie
Vernietiging aangevallen uitspraak voor zover daarbij geen schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn is toegekend en voor zover het de veroordeling in de proceskosten betreft.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-23
Publicatiedatum
2016-01-14
Zaaknummer
14/5650 WAO
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • ABkort 2016/55
  • SZR-Updates.nl 2016-0034
Uitspraak

14/5650 WAO

Datum uitspraak: 23 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

27 augustus 2014, 09/959 en 12/631 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft J.R. Beukema hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en, op verzoek van de Raad, nadere stukken ingestuurd.

Naar aanleiding van het verzoek van appellante om schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn door de bestuursrechter heeft de Raad de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) als partij aangemerkt.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar een enkelvoudige kamer van de Raad. Met toepassing van artikel 8:57, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 8:108 van die wet, heeft de Raad, nadat appellante en het Uwv daartoe toestemming hebben verleend, bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN


1.1.

Bij besluit van 31 oktober 2008 heeft het Uwv de uitkering van appellante op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 29 november 2005 herzien. De mate van arbeidsongeschiktheid is vastgesteld op 80-100%. Bij besluit van

27 augustus 2009 is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 31 oktober 2008 ongegrond verklaard.


1.2.

Bij besluit van 25 mei 2011 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 11 maart 2011, inhoudende een afwijzing van haar verzoek om terug te komen van de besluiten van 15 mei 2003 en 31 oktober 2008, ongegrond verklaard.

2.1.

De rechtbank heeft het beroep (nummer 09/959) van appellante tegen het besluit van

27 augustus 2009 gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en, zelf in de zaak voorziend, de mate van arbeidsongeschiktheid van appellante per 24 mei 2002 bepaald op 80-100% en bepaald dat de uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit. De rechtbank heeft het beroep (nummer 12/631) tegen het besluit van 25 mei 2011 wegens het ontbreken van procesbelang niet-ontvankelijk verklaard met verwijzing naar haar oordeel in het beroep met nummer 09/959. De rechtbank heeft het Uwv veroordeeld in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 1.741,57 en het verzoek tot schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) afgewezen.


2.2.

Voor wat betreft de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding wegens schending van de redelijke termijn heeft de rechtbank in de zaak met nummer 09/959 ten aanzien van de bestuurlijke fase overwogen dat de bezwaarfase weliswaar meer dan een half jaar heeft geduurd maar dat appellante gelet op de aard en de ingewikkeldheid van de zaak geen aanspraak kan maken op schadevergoeding. Ten aanzien van de rechterlijke fase heeft de rechtbank overwogen dat geen sprake is van overschrijding van de redelijke termijn omdat de wachttijd die was gemoeid met het op verzoek van appellante afwachten van een uitspraak van de Centrale Raad van Beroep, en het uitbrengen van een deskundigenrapport van een door appellante ingeschakelde deskundige, niet meegerekend wordt. Evenmin heeft de rechtbank meegerekend de tijd waarin de rechtbank in het belang van appellante heeft gezocht naar een deskundige met de juiste expertise, het uitbrengen van een rapport door de deskundige, het reageren van partijen en het nog tweemaal behandelen van de beroepen op de zitting.


3. Appellante heeft hoger beroep ingesteld uitsluitend voor wat betreft de hoogte van de veroordeling in de proceskosten en het afwijzen van de schadevergoeding. Appellante heeft voor wat betreft de hoogte van de veroordeling in de proceskosten aangevoerd dat zij zich er niet mee kan verenigen dat er voor het bijwonen van drie zittingen slechts een halve punt per zitting is toegekend, waarbij voor twee van de drie zittingen geldt dat deze alleen al vanwege het tijdsverloop en de aan de orde zijnde casuïstiek een vol punt verdienen. Met betrekking tot de afwijzing van het verzoek om schadevergoeding in verband met overschrijding van de redelijke termijn stelt appellante dat de door de rechtbank aangevoerde argumenten geen doel kunnen treffen nu het zaken betreft van een gemiddeld gewicht die overschrijding van de redelijke termijn niet verschonen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De vraag of de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM is overschreden moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de complexiteit van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van verzoeker gedurende de procesgang, de aard van het besluit en het daardoor getroffen belang van verzoeker van belang, zoals dat ook uit de jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens naar voren komt.


4.2.

Zoals de Raad heeft overwogen in zijn uitspraak van 26 januari 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BH:1009) is de redelijke termijn voor een procedure in zaken zoals deze in beginsel niet overschreden als die procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen. In die uitspraak heeft de Raad verder overwogen dat de behandeling van het bezwaar ten hoogste een half jaar, de behandeling van het beroep ten hoogste anderhalf jaar en de behandeling van het hoger beroep ten hoogste twee jaar mag duren, terwijl doorgaans geen sprake zal zijn van een te lange behandelingsduur in de rechterlijke fase in haar geheel als deze niet meer dan drie en een half jaar heeft geduurd. Verder heeft de Raad in die uitspraak overwogen dat in beginsel een vergoeding is gepast van € 500,- per half jaar of gedeelte daarvan waarmee de redelijke termijn is overschreden. De in overweging 4.1 vermelde criteria kunnen onder omstandigheden aanleiding geven overschrijding van deze behandelingstermijn gerechtvaardigd te achten.


4.3.

Voor het voorliggende geval betekent dat het volgende.


4.3.1.

In de procedure met nummer 09/959 is vanaf de ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift van appellante op 5 november 2008 tot de datum van deze uitspraak ruim

zeven jaar verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar ruim

negen maanden geduurd, heeft de behandeling van het beroep bij de rechtbank vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 7 oktober 2009 tot de uitspraak op 27 augustus 2014,

vier jaar, tien maanden en drie weken geduurd, en heeft de behandeling van het hoger beroep door de Raad vanaf de ontvangst van het hoger beroepschrift op 8 oktober 2014 tot de datum van deze uitspaak, ruim veertien maanden geduurd. Omdat door appellante in de bestuurlijke fase is verzocht om aanhouding van het bezwaar tot de uitspraak van de rechtbank in een andere zaak (nummer 08/994) op 21 juli 2009, is geen sprake van termijnoverschrijding in de bestuurlijke fase. De redelijke termijn is wel geschonden in de rechterlijke fase. De rechtbank heeft overwogen dat het onderzoek ter zitting op 12 april 2010 op verzoek van appellante is geschorst om een uitspraak van de Raad in een andere procedure af te wachten. Daarin wordt aanleiding gevonden om de wachttijd die met dit verzoek is gemoeid, van de zittingsdatum

12 april 2010 tot de datum van de betreffende uitspraak van de Raad op 5 november 2010, zijnde zes maanden en ongeveer drie weken, in mindering te brengen op de duur van de overschrijding. Voor het overige zijn noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van appellante aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaar zou mogen bedragen. Het rapport van de door appellante ingeschakelde deskundige B.H.R. Wolffenbuttel is reeds ingestuurd bij brief van

7 januari 2010. Appellante heeft bij brief van 9 november 2010 aan de rechtbank verzocht om de procedure te hervatten omdat inmiddels de uitspraak van de Raad van 5 november 2010, waarop haar aanhoudingsverzoek was gebaseerd, beschikbaar was. Appellante heeft nadien nog driemaal naar de voortgang in de zaak geïnformeerd met verwijzing naar haar brief van

9 november 2010. Het inschakelen van een deskundige door de rechtbank rechtvaardigt geen verlenging van de behandelingsduur in de rechterlijke fase. Dit brengt mee dat de redelijke termijn in de procedure bij de rechtbank is overschreden met twee jaar en tien maanden, wat leidt tot een schadevergoeding van € 3.000,- voor rekening van de Staat. De rechtbank heeft dit niet onderkend zodat de aangevallen uitspraak in zoverre dient te worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad de Staat veroordelen tot betaling van het bedrag van € 3.000,- aan appellante.


4.3.2.

In de procedure met nummer 12/631 is vanaf de ontvangst door het Uwv van het bezwaarschrift van appellante op 15 maart 2011 tot de datum van deze uitspraak vier jaar en ruim negen maanden verstreken. Van dit tijdsverloop heeft de behandeling van het bezwaar ruim twee maanden geduurd, heeft de behandeling van het beroep bij de rechtbank vanaf de ontvangst van het beroepschrift op 9 juni 2011 tot de uitspraak op 27 augustus 2014 ruim

drie jaar geduurd, en heeft de behandeling van het hoger beroep door de Raad vanaf de ontvangst van het hoger beroepschrift op 8 oktober 2014 tot de datum van deze uitspaak, ruim veertien maanden geduurd. Hieruit volgt dat de redelijke termijn is geschonden in de rechterlijke fase. De Raad heeft noch in de zaak zelf, noch in de opstelling van verzoeker aanknopingspunten gevonden voor het oordeel dat in dit geval de totale lengte van de procedure meer dan vier jaren zou mogen bedragen. De Raad stelt vast dat het hier twee gevoegde beroepsprocedures betreft die beide betrekking hadden op appellantes recht op een WAO-uitkering zodat zij in hoofdzaak betrekking hadden op hetzelfde onderwerp. Van extra spanning en frustratie was door de tweede procedure derhalve geen sprake. Met betrekking tot deze procedure kan naar het oordeel van de Raad worden volstaan met de vaststelling dat de redelijke termijn in de rechterlijke fase is geschonden.


5. De Raad zal tevens de aangevallen uitspraak vernietigen voor wat betreft de hoogte van de proceskosten tot betaling waarvan het Uwv is veroordeeld. De rechtbank is uitgegaan van een hele punt vergoeding voor de eerste zitting op 12 april 2010 en telkens een halve punt voor de drie nadere zittingen op respectievelijk 18 juni 2012, 28 mei 2014 en 4 juni 2014. In de brief van 14 april 2010 geeft de rechtbank partijen te kennen dat sprake is van heropening van het onderzoek, maar uit de brief blijkt tevens dat het om schorsing ter zitting op grond van het bepaalde in artikel 8:64 van de Awb gaat, zodat een halve punt vergoeding voor de zitting van 18 juni 2012 voldoet. Dit geldt ook voor de zitting van 4 juni 2014. In de omstandigheid dat de zitting van 28 mei 2014 heeft plaatsgevonden na heropening van het onderzoek in verband met de benoeming van een deskundige wordt aanleiding gevonden om voor deze zitting, anders dan de rechtbank heeft gedaan, een vergoeding van een hele punt toe te kennen. Tijdsverloop is geen grond voor het toekennen van meer punten. Evenmin vormt de ingewikkeldheid van de zaak daartoe aanleiding. Appellante heeft zelf, met juistheid, betoogd dat het zaken van gemiddeld gewicht betreft.


6. Wat hiervoor is overwogen leidt tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak moet worden vernietigd voor zover daarbij geen schadevergoeding is toegekend en voor zover het de veroordeling in de proceskosten betreft.


7. De Raad ziet aanleiding voor een veroordeling van het Uwv in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van € 1.997,07 voor verleende rechtsbijstand in beroep (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 3 punten voor het verschijnen ter zitting), inclusief € 37,07 voor door de huisarts verstrekte informatie en

€ 490,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep (1 punt voor het indienen van het hoger beroepschrift), in totaal € 2.487,07.

























BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover daarin het verzoek om schadevergoeding is

afgewezen en voor wat betreft de hoogte van de proceskosten;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden (Ministerie van Veiligheid en Justitie) tot betaling aan

appellante van een vergoeding van schade wegens overschrijding van de redelijke termijn tot

een bedrag van € 3.000,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats komt van de aangevallen

uitspraak voor zover vernietigd;

- veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellante tot een bedrag van € 2.487,07;

- bepaalt dat het Uwv aan appellante het in hoger beroep betaalde griffierecht van € 122,-

vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door G. van Zeben-de Vries, in tegenwoordigheid van

J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

23 december 2015.




(getekend) G. van Zeben-de Vries




(getekend) J.R. van Ravenstein




AP