Centrale Raad van Beroep, 23-12-2015 / 13/3711 ZW


ECLI:NL:CRVB:2015:4979

Inhoudsindicatie
Beëindiging ZW-uitkering. Niet meer ongeschikt voor haar arbeid. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het hier werkzaamheden betreft op arbeidstherapeutische basis of op basis van een proefplaatsing met behoud van haar WIA-uitkering. In de zich onder de gedingstukken bevindende uitzendovereenkomst wordt daarvan geen melding gemaakt en ook anderszins is daarvan niet gebleken.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-12-23
Publicatiedatum
2016-01-14
Zaaknummer
13/3711 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht

Formele relatie


Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/3711 ZW

Datum uitspraak: 23 december 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

11 juni 2013, 12/2959 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[Appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Appellante heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 13/3709 WIA, 13/3712 WW en 13/3713 WIA, plaatsgevonden op 10 december 2014. Bij die gelegenheid heeft appellante verzocht om wraking van de behandelend rechters, waarna het onderzoek ter zitting is geschorst. Bij uitspraak van 23 maart 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:905 heeft de Raad dit verzoek afgewezen.

Nadat een verzoek om uitstel van de voortgezette mondelinge behandeling van de hoger beroepen op 20 mei 2015 was afgewezen, heeft appellante opnieuw verzocht om wraking van de behandelend rechters. Bij uitspraak van 20 juli 2015, ECLI:NL:CRVB:2015:5517 is ook dit verzoek afgewezen.

Het onderzoek ter zitting is hervat op 11 november 2015. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar vader [naam vader] . Het Uwv heeft zich met voorafgaand bericht niet laten vertegenwoordigen. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante is werkzaam geweest als [naam functie] bij [naam werkgever] . Op 7 december 2009 is zij uitgevallen voor deze werkzaamheden. Met ingang van 5 december 2011 is haar op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA) een loongerelateerde WGA-uitkering toegekend.


1.2.

Appellante is per 6 maart 2012 via uitzendbureau Tempo Team gaan werken als medewerker pensioenen bij [naam bank] te [plaatsnaam] . Op 25 april 2012 heeft zij zich ziek gemeld. Het Uwv heeft appellante met ingang van 27 april 2012 een uitkering toegekend op grond van de Ziektewet (ZW).


1.3.

Bij besluit van 12 juli 2012 heeft het Uwv appellante met ingang van 19 juli 2012 hersteld verklaard voor haar werkzaamheden bij [naam bank] en de

ZW-uitkering beëindigd. Dit besluit is gebaseerd op een rapport van verzekeringsarts Smits van 12 juli 2012. Appellante heeft bezwaar gemaakt tegen dit besluit.


1.4.

Bij besluit van 31 oktober 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv dit bezwaar ongegrond verklaard. Aan dit besluit ligt ten grondslag een rapport van verzekeringsarts bezwaar en beroep M.A. Peerden van 29 oktober 2012.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellante kan zich niet verenigen met deze uitspraak. Zij heeft betoogd dat het

ZW-dossier niet compleet is en inconsistenties bevat, dat het Uwv heeft toegezegd dat het ging om werkzaamheden op arbeidstherapeutische basis met behoud van haar WIA-uitkering en dat het medisch onderzoek door de verzekeringsartsen van het Uwv niet zorgvuldig is geweest. Appellante heeft de Raad verzocht een deskundige te benoemen.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Niet gebleken is dat het ZW-dossier van appellante niet compleet is of inconsistenties bevat.


4.2.

Op grond van artikel 19, eerste en vierde lid, van de ZW heeft de verzekerde bij ongeschiktheid tot het verrichten van zijn arbeid als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte of gebreken recht op ziekengeld.


4.3.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad dient onder “zijn arbeid” in de zin van artikel 19, eerste lid, van de ZW, te worden verstaan de laatstelijk voor de ziekmelding feitelijk verrichte arbeid. Dit betreft de werkzaamheden als medewerker pensioenen bij [naam bank] via Tempo Team uitzendbureau. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het hier werkzaamheden betreft op arbeidstherapeutische basis of op basis van een proefplaatsing met behoud van haar WIA-uitkering. In de zich onder de gedingstukken bevindende uitzendovereenkomst wordt daarvan geen melding gemaakt en ook anderszins is daarvan niet gebleken.


4.4.

Er bestaat geen aanleiding om het medisch onderzoek onzorgvuldig of onvolledig te achten. De verzekeringsarts Smits heeft blijkens zijn rapport van 12 juli 2012 dossierstudie verricht, appellante op het spreekuur gezien en haar lichamelijk onderzocht. Uit het rapport van de verzekeringsarts blijkt dat hij bekend was met de medische voorgeschiedenis van appellante. De verzekeringsarts heeft op basis van zijn bevindingen geconcludeerd dat het ziekteproces dusdanig is verbeterd dat appellante voldoende belastbaar is om haar arbeid te hervatten. De verzekeringsarts bezwaar en beroep Peerden heeft blijkens zijn rapport van

29 oktober 2012 eveneens dossierstudie verricht en appellante op zijn spreekuur gezien. Op basis van de rapporten van de verzekeringsartsen is er geen aanleiding om te twijfelen aan de conclusie dat appellante met ingang van 19 juli 2012 niet meer ongeschikt was tot het verrichten van haar arbeid.


4.5.

Hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd leidt niet tot een ander oordeel. Er is geen aanleiding om een deskundige te benoemen. Het daartoe strekkende verzoek van appellante wordt afgewezen.


4.6.

Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.













BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en C.C.W. Lange als leden, in tegenwoordigheid van V. van Rij als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 december 2015.




(getekend) H.G. Rottier




(getekend) V. van Rij



UM