Centrale Raad van Beroep, 07-01-2015 / 13-6476 AWBZ


ECLI:NL:CRVB:2015:5

Inhoudsindicatie
Indicatiestelling. De rechtbank heeft onder andere overwogen dat om een indicatie voor Ondersteunende begeleiding te kunnen verlenen in aanvulling op een behandeling, door de aanvrager inzichtelijk dient te worden gemaakt dat de inzet van deze functie naast de behandelmogelijkheden binnen het kader van de Zorgverzekeringswet in zijn of haar geval noodzakelijk en doelmatig is. Uit het overgelegde zorgplan is niet op te maken in hoeverre ten tijde in geding behandeling van de klachten van appellante plaatsvond. Op grond van de in het dossier aanwezige medische informatie kan evenwel niet worden aangenomen dat er op dat moment in zijn geheel geen behandelmogelijkheden meer waren voor de door appellante ondervonden klachten. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-07
Publicatiedatum
2015-01-13
Zaaknummer
13-6476 AWBZ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6476 AWBZ

Datum uitspraak: 7 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

23 oktober 2013, 10/1712 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] e/v [naam] te [woonplaats] (appellante)

Centrum indicatiestelling zorg (CIZ)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. P.A.A. Smits, advocaat, hoger beroep ingesteld.

CIZ heeft een verweerschrift ingediend.

Appellante heeft aanvullende stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft, gevoegd met de zaken 13/6459 AWBZ en 13/6479 AWBZ, plaatsgevonden op 3 december 2014. Voor appellante is mr. Smits verschenen. CIZ heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.E. Koedood. Na de behandeling ter zitting zijn de zaken gesplitst.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Bij besluit van 25 februari 2008 heeft CIZ een aanvraag om een indicatie voor zorg op grond van de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ) afgewezen.


1.2.

Bij besluit van 3 oktober 2008 heeft CIZ het bezwaar tegen het besluit van 25 februari 2008 gedeeltelijk gegrond verklaard en een indicatie gesteld voor de zorgfunctie Persoonlijke verzorging, klasse 2, voor de periode van 1 juli 2008 tot 1 oktober 2008.


1.3.

Bij uitspraak van 9 december 2009 (08/4003) heeft de rechtbank ’s-Hertogenbosch het beroep tegen het besluit van 3 oktober 2008 gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat CIZ een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen.


1.4.

Bij besluit van 26 april 2010 (bestreden besluit) heeft CIZ het bezwaar tegen het besluit van 25 februari 2008 opnieuw gegrond verklaard en een indicatie gesteld voor de zorgfuncties Persoonlijke verzorging, klasse 2, voor de periode van 1 juli 2008 tot 1 oktober 2008, en Begeleiding groep, klasse 1, voor de periode van 9 december 2009 tot 25 april 2010. CIZ heeft hieraan het medisch advies van G.A. Sennema van 25 maart 2010 ten grondslag gelegd. Na dossierstudie, het opvragen van medische informatie bij psycholoog H. Rhezouani op 3 maart 2010, telefonisch contact met Rhezouani en bestuderen van de ontvangen informatie van F. Kaya, B. Ozsoy en R. Aallali van I-psy van 19 maart 2010, heeft Sennema geconcludeerd dat de indruk is gewekt dat er nauwelijks behandeling heeft plaatsgevonden. Uit het behandelplan van het huidige behandelteam blijkt evenmin, ondanks gerichte vraagstelling daartoe, een noodzaak voor inzet van AWBZ-zorg naast behandeling. De door Kaya geadviseerde begeleiding door MEE is voorliggend op AWBZ-zorg. Verder is telefonisch besproken met Rhezouani dat de huidige behandelaar niet beschikt over meer informatie inzake de diagnostiek, het behandelbeleid en de voortgang van de behandeling ten tijde van de in geding zijnde periode. De psychiatrische problematiek was in 2008 niet anders dan nu, alleen is appellante nu psychiatrisch gediagnosticeerd. Volgens Sennema kan dan ook niet worden onderbouwd dat er in 2008 een heel ander behandelbeleid nodig was dan nu. Het is nog onbekend wat het resultaat is van de huidige behandeling. Ten slotte overweegt Sennema dat inzet van ondersteuning juist belemmerend kan werken op de behandeling.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank onder andere overwogen dat om een indicatie voor Ondersteunende begeleiding te kunnen verlenen in aanvulling op een behandeling, door de aanvrager inzichtelijk dient te worden gemaakt dat de inzet van deze functie naast de behandelmogelijkheden binnen het kader van de Zorgverzekeringswet in zijn of haar geval noodzakelijk en doelmatig is. Uit het overgelegde zorgplan is niet op te maken in hoeverre ten tijde in geding behandeling van de klachten van appellante plaatsvond. Op grond van de in het dossier aanwezige medische informatie kan evenwel niet worden aangenomen dat er op dat moment in zijn geheel geen behandelmogelijkheden meer waren voor de door appellante ondervonden klachten. Met name heeft de rechtbank hiertoe overwogen dat appellante sinds 26 mei 2009 onder behandeling van een psychiater is. Ook de overige beschikbare medische gegevens van de behandelaars bieden onvoldoende concrete aanknopingspunten om te beoordelen welk doel de inzet van Ondersteunende begeleiding dient, hoe lang deze inzet door de behandelaar noodzakelijk wordt geacht en op welk moment in de behandeling de inzet zal worden geëvalueerd. Appellante heeft haar stelling dat de verstrekte zorg- en behandelplannen wel voldoende informatie bieden ook niet nader geconcretiseerd. Ook Rhezouani heeft in zijn ter zitting gegeven toelichting slechts in algemene zin aangegeven welk nut Ondersteunende begeleiding tijdens de behandeling heeft, maar heeft evenmin geconcretiseerd welke informatie CIZ dan over het hoofd heeft gezien of ten onrechte niet in aanmerking heeft genomen. Ter zitting heeft de gemachtigde van appellante nog aangegeven dat het telefoongesprek van de medisch adviseur met Rhezouani slechts algemeen van aard is geweest en dat de medisch adviseur ten onrechte de indruk wekt alsof zij met hem ook heeft gesproken over de specifieke behandelsituatie van appellante, wat niet het geval is geweest. Dat moge zo zijn, vaststaat dat de medisch adviseur beschikte over de individuele behandelgegevens van appellante op het moment dat zij haar advies aan CIZ uitbracht. Zij heeft kennelijk geen aanleiding gezien om, in aanvulling daarop, nog contact te zoeken met de behandelaars van appellante. De rechtbank ziet geen aanleiding voor het oordeel dat het advies daardoor niet volledig is of onvoldoende zorgvuldig is voorbereid. Het had op de weg van appellante gelegen om, als er aanvullende en door haar relevant geachte informatie voorhanden was geweest, deze in het kader van de beroepsprocedure in het geding te brengen.


3. Appellante heeft de aangevallen uitspraak op de volgende gronden bestreden. Appellante voert aan dat voldoende informatie aan CIZ is verstrekt waaruit de noodzaak blijkt om Ondersteunende begeleiding te indiceren. Voorts heeft CIZ volgens appellante in strijd met het zorgvuldigheidsbeginsel gehandeld nu is nagelaten informatie die volgens CIZ zou ontbreken bij de behandelaars op te vragen, contact met hen op te nemen of appellante bijvoorbeeld uit te nodigen voor een gesprek en/of onderzoek.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Wat appellante in hoger beroep heeft aangevoerd bevat, in vergelijking met haar stellingname in beroep, geen wezenlijk nieuwe gezichtspunten. De rechtbank heeft de beroepsgronden van appellante afdoende besproken en genoegzaam gemotiveerd waarom die gronden niet slagen. De Raad onderschrijft de overwegingen van de rechtbank volledig.


4.2.

Uit het vorenoverwogene volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Gelet hierop is veroordeling tot vergoeding van schade niet mogelijk, zodat het verzoek daartoe wordt afgewezen.

5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - bevestigt de aangevallen uitspraak;
  • - wijst het verzoek om veroordeling tot vergoeding van schade af.


Deze uitspraak is gedaan door W.H. Bel als voorzitter en A.J. Schaap en D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 januari 2015.




(getekend) W.H. Bel




(getekend) J.R. van Ravenstein




MK