Centrale Raad van Beroep, 30-09-2015 / 13/6373 ZW


ECLI:NL:CRVB:2015:5011

Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag voor een WIA-uitkering. Juist rapport van verzekeringsarts bezwaar en beroep. Geen toename van beperkingen ten opzichte van de eerdere WIA-beoordeling.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-09-30
Publicatiedatum
2017-04-13
Zaaknummer
13/6373 ZW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/6373 ZW, 13/6374 ZW, 13/6375 WIA

Datum uitspraak: 30 september 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

17 oktober 2013, 12/3398, 12/4650 en 12/6172 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. R. Kaya, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend met als bijlage een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep.

Appellante heeft nadere medische stukken in het geding gebracht waarop door het Uwv gereageerd is.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 augustus 2015 waarbij de zaken gevoegd zijn behandeld. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Kaya. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. drs. F.A. Steeman.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante was laatstelijk werkzaam als tuinbouwmedewerkster voor 38 uur per week. Na beëindiging van het dienstverband is haar een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) toegekend. Vanuit deze situatie heeft zij zich in april 2009 ziek gemeld wegens rug- en beenklachten. Aan appellante is per 27 april 2009 een uitkering op grond van de Ziektewet (ZW) toegekend. Bij besluit van 26 juli 2011 heeft het Uwv geweigerd om aan appellante met ingang van 25 april 2011 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) toe te kennen, omdat zij per deze datum minder dan 35% arbeidsongeschikt werd geacht. Het tegen dit besluit door appellante gemaakte bezwaar is bij beslissing op bezwaar van 15 november 2011 ongegrond verklaard.


1.2.

Terwijl zij een WW-uitkering ontving, heeft appellante zich op 2 maart 2012 ziek gemeld wegens pijnklachten in rug, schouders, benen en armen. Bij besluit van 27 maart 2012 is appellante per 2 maart 2012 geschikt geacht voor het verrichten van haar arbeid. Het bezwaar van appellante is bij besluit van 8 mei 2012 (bestreden besluit I), onder verwijzing naar een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 7 mei 2012, ongegrond verklaard.


1.3.

Appellante heeft zich, terwijl ze nog steeds een WW-uitkering ontving, op 6 juni 2012 opnieuw ziek gemeld wegens pijnklachten in haar gehele lichaam. Bij besluit van 22 juni 2012 heeft het Uwv appellante per 6 juni 2012 geschikt geacht voor het verrichten van haar arbeid. Bij besluit van 7 augustus 2012 (bestreden besluit II) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 22 juni 2012 ongegrond verklaard. Aan bestreden besluit II liggen een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 23 juli/26 juli 2012 en een rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 6 augustus 2012 ten grondslag.


1.4.

Hangende de bezwaarprocedure tegen het besluit van 22 juni 2012 heeft appellante zich per 1 maart 2012 in het kader van de Wet WIA toegenomen arbeidsongeschikt gemeld. Bij besluit van 12 juli 2012 heeft het Uwv appellantes aanvraag om per 1 maart 2012 in aanmerking te komen voor een WIA-uitkering afgewezen. Aan dit besluit ligt ten grondslag het standpunt van de verzekeringsarts van 11 juli 2012 dat appellantes mogelijkheden om te werken niet minder zijn geworden ten opzichte van de eerdere WIA-beoordeling. Het bezwaar van appellante is bij besluit van 3 oktober 2012 (bestreden besluit III), onder verwijzing naar een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 1 oktober 2012, ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van appellante tegen bestreden besluit I, II en III ongegrond verklaard.


2.1.

De rechtbank heeft over bestreden besluit I overwogen dat als maatgevende arbeid de functie van soldering technician geldt. Dit was een van de eerder in het kader van de WIA procedure geduide functies. De rechtbank heeft in dit kader gewezen op de uitspraak van de Raad van 25 september 2013, ECLI:NL:CRVB:2013:1855. De rechtbank heeft voorts geen aanleiding gezien om te twijfelen aan het oordeel van de verzekeringsarts, zoals neergelegd in het rapport van 27 maart 2012 en de verzekeringsarts bezwaar en beroep, zoals neergelegd in het rapport van 7 mei 2012. De rechtbank heeft van belang geacht dat beide artsen appellante persoonlijk op het spreekuur hebben gezien en onderzocht. Voorts heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep in zijn nadere rapporten gereageerd op de in beroep overgelegde medische gegevens van de behandelend sector en afdoende gemotiveerd dat bij de beoordeling in voldoende mate rekening is gehouden met de verminderde belastbaarheid van appellante en dat zij, als rekening wordt gehouden met deze belastbaarheid, in staat geacht kan worden de functie van soldering technician te verrichten. De rechtbank is dan ook tot de conclusie gekomen dat het Uwv appellante met ingang van 2 maart 2012 terecht in staat heeft geacht tot het verrichten van haar maatgevende arbeid.


2.2.

Met betrekking tot bestreden besluit II heeft de rechtbank vastgesteld dat appellante dezelfde gronden heeft aangevoerd als in beroep tegen bestreden besluit I. De rechtbank heeft geconstateerd dat de verzekeringsartsen zich ook in deze zaak op het standpunt hebben gesteld dat in voldoende mate rekening is gehouden met de verminderde belastbaarheid van appellante voortvloeiende uit de chronische pijnklachten en onderliggende pathologie. De geduide functies, waaronder die van soldering technician, die ook in deze zaak als maatgevende arbeid gelden zijn bovendien fysiek niet belastend. Vervolgens heeft de rechtbank, onder verwijzing naar haar overwegingen ten aanzien van het beroep tegen bestreden besluit I, geoordeeld geen reden te zien om te twijfelen aan de conclusie van de artsen van het Uwv dat appellante op 6 juni 2012 in medisch opzicht in staat was de functie van soldering technician te verrichten.


2.3.

Tot slot heeft de rechtbank over bestreden besluit III overwogen dat zij geen aanleiding ziet te twijfelen aan de conclusie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, zoals neergelegd in het rapport van 1 oktober 2012. Deze arts heeft op basis van bevindingen uit lichamelijk onderzoek en uit voorhanden zijnde medische informatie van de behandelend sector geconcludeerd dat niet is gebleken van verdergaande objectiveerbare beperkingen dan de beperkingen die reeds in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 31 oktober 2011, opgesteld in het kader van de eerdere WIA beoordeling, zijn vastgesteld. Nu naar het oordeel van de rechtbank niet gebleken is van toegenomen medische beperkingen heeft het Uwv een arbeidskundig onderzoek achterwege kunnen laten.


3.1.

Appellante heeft in hoger beroep in essentie dezelfde gronden als in beroep aangevoerd. Zij stelt zich, in het kader van de ZW-besluiten, op het standpunt dat bij de medische beoordeling per data in geding onvoldoende rekening is gehouden met haar klachten voortkomende uit onder meer een pijnsyndroom met kenmerken van fibromyalgie. Appellante heeft de indruk dat de artsen van het Uwv zich enkel gebaseerd hebben op eerdere, reeds bekende, informatie en de nieuwe medische informatie terzijde hebben geschoven. In het kader van het WIA-besluit heeft appellante aangevoerd dat zij onmiskenbaar heeft aangetoond dat de klachten zijn toegenomen en dat onvoldoende rekening is gehouden met de inmiddels vastgestelde diagnoses fibromyalgie en Chronische Vermoeidheidssyndroom. Ter onderbouwing van haar standpunt dat zij meer beperkt is dan door het Uwv is aangenomen en zij daardoor niet in staat is haar arbeid danwel enige arbeid te verrichten heeft zij nadere medische gegevens in het geding gebracht.


3.2.

In verweer heeft het Uwv, in reactie op de aangevoerde gronden, een rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 10 januari 2014 en van 14 augustus 2015 overgelegd. Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.


4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.


4.1.

Met de rechtbank oordeelt de Raad dat bij beide bestreden ZW-besluiten sprake is geweest van een voldoende zorgvuldig en volledig medisch onderzoek door de artsen van het Uwv. Van belang wordt geacht dat appellante door de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep op het spreekuur is onderzocht en voorts dat informatie van de behandelend sector bij de beoordeling van appellantes belastbaarheid per data in geding,

2 maart 2012 en 6 juni 2012, is betrokken. Daarnaast is in zowel beroep als in hoger beroep door de verzekeringsarts bezwaar en beroep inhoudelijk gereageerd op de door appellante aangevoerde gronden en overgelegde medische informatie.


4.2.

Er is geen aanleiding aan te nemen dat de artsen van het Uwv de belastbaarheid van appellante, hebben overschat. Uit de rapporten van de artsen van het Uwv valt af te leiden dat appellantes klachten worden erkend, zowel op psychisch als op lichamelijk vlak. Uit het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 23 en 26 juli 2012 blijkt dat deze arts op basis van dossierstudie, spreekuuronderzoek en in bezwaar verkregen informatie van de behandelend sector stelt dat er ten opzichte van de eerdere WIA-beoordeling op beide ZW-data geen toegenomen beperkingen zijn. Omdat de FML van 31 oktober 2011 die aan de WIA-beoordeling ten grondslag ligt niet geheel consistent is met het daaraan ten grondslag liggend rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 31 oktober 2011, heeft de arts aanleiding gezien de FML aan te passen. Zoals uit het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 6 augustus 2012 volgt, heeft dit echter geen gevolgen voor de geschiktheid van appellante voor een van de geduide functies. De verzekeringsartsen bezwaar en beroep hebben in de in beroep en hoger beroep overgelegde rapporten afdoende inzichtelijk gemotiveerd waarom per data in geding geen aanleiding bestaat om appellante meer beperkt te achten dan aangenomen ten tijde van de WIA-beoordeling in 2011. Daarbij zijn zij ingegaan op de aangevoerde gronden en de ruime hoeveelheid overgelegde medische informatie. Zoals de verzekeringsarts bezwaar en beroep, in zijn rapport van 3 juli terecht opmerkt, is de gestelde diagnose fibromyalgie voor de beoordeling van de belastbaarheid van appellante niet zo relevant omdat bij het vaststellen van haar belastbaarheid reeds rekening is gehouden met haar chronische pijnklachten.


4.3.

Uit het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 6 augustus 2012 blijkt dat appellante, uitgaande van de FML van 26 juli 2012, op beide data in geding geschikt is voor de functie van soldering technician. Er wordt geen aanleiding gezien anders te oordelen dan de rechtbank heeft gedaan.


4.4.

Het Uwv heeft appellante terecht per 2 maart 2012 en 6 juni 2012 hersteld verklaard voor haar arbeid, zijnde de functie van soldering technician.


5.1.

Met de rechtbank oordeelt de Raad dat, mede gelet op het rapport van verzekeringsarts bezwaar en beroep van 1 oktober 2012 en de in beroep en hoger beroep overgelegde rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep, geen aanleiding wordt gezien om het door het Uwv ingenomen standpunt over de WIA-aanspraken onjuist te achten. Uit de zich in het dossier bevindende medische rapporten blijkt dat appellante klachten heeft, dat deze klachten op zich door de artsen worden erkend, maar dat deze per datum in geding, 1 maart 2012 niet leiden tot een toename van beperkingen ten opzichte van de eerdere WIA-beoordeling. Naar het oordeel van de Raad hebben de artsen dit voldoende inzichtelijk gemotiveerd. Dat uit de door appellante overgelegde medische informatie blijkt dat inmiddels sprake is van een verergering van haar klachten, wat ook in het rapport van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 14 augustus 2015 wordt onderkend, kan niet tot een ander oordeel leiden. Uit de gegevens blijkt immers niet dat daarvan ook op de datum in geding al sprake was. Met een eventuele toename van beperkingen na 1 maart 2012 kan in dit geding geen rekening worden gehouden.


5.2.

Uit wat in 4.1 tot en met 5.1 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


6. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling



III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en J. Smeets en F.J.L. Pennings als leden, in tegenwoordigheid van P. Uijtdewillegen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2015.




(getekend) J.S. van der Kolk




(getekend) P. Uijtdewillegen



UM