Centrale Raad van Beroep, 18-02-2015 / 13-1871 WAJONG


ECLI:NL:CRVB:2015:504

Inhoudsindicatie
Weigering Wajong-uitkering. De rechtbank heeft terecht de door haar geraadpleegde deskundige gevolgd in zijn oordeel dat het Uwv de voor appellant geldende beperkingen niet onjuist heeft ingeschat. Desgevraagd heeft die deskundige de Raad geantwoord dat met het inschakelen van een jobcoach in de gebruikelijke zin van het woord in voldoende mate rekening wordt gehouden met de beperkingen ten aanzien van het inzicht in eigen kunnen van appellant.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-18
Publicatiedatum
2015-02-24
Zaaknummer
13-1871 WAJONG
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/1871 WAJONG

Datum uitspraak: 18 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Nederland van 27 februari 2013, 10/1966 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G.A. Versteegh, advocaat, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingezonden.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend en een nadere reactie ingezonden.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 28 maart 2014. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Versteegh. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. P.J. Reith.

Na de behandeling van het geding ter zitting van de Raad is gebleken dat het onderzoek niet volledig is geweest, in verband waarmee de Raad heeft besloten het onderzoek te heropenen.

De Raad heeft aan de door de rechtbank benoemde deskundige dr. C.C. Kan, psychiater, nadere vragen gesteld. De deskundige heeft bij brief van 16 juni 2014 gerapporteerd.

De meervoudige kamer heeft de zaak verwezen naar de enkelvoudige kamer.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting op 17 december 2014. Partijen zijn - met kennisgeving - niet verschenen.

OVERWEGINGEN


1.1.

Voor een uitvoerige weergave van de feiten en het toepasselijk wettelijk kader wordt verwezen naar de aangevallen uitspraak. De Raad volstaat met het volgende.


1.2.

Appellant, geboren op [datum] 1976, heeft op 24 december 2009 bij het Uwv een aanvraag ingediend om hem in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong).


1.3.

Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 4 maart 2010 de aanvraag van appellant afgewezen, onder overweging dat hij na zijn 17e verjaardag niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt is geweest en daarna voor minder dan 25% arbeidsongeschikt is geacht.


1.4.

Het Uwv heeft het bezwaar van appellant tegen het besluit van 4 maart 2010 ongegrond verklaard bij beslissing op bezwaar van 25 oktober 2010 (bestreden besluit).


2.1.

Appellant heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft psychiater dr. C.C. Kan als deskundige benoemd. In zijn rapport van 11 juni 2012, aangevuld op 27 augustus 2012 en 16 oktober 2012, heeft de deskundige gesteld grotendeels te kunnen instemmen met de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 21 oktober 2010. De belangrijkste beperking van appellant ligt volgens de deskundige in het afwisselend over- en onderschatten van zijn eigen mogelijkheden door de onderliggende identiteitszwakte. De deskundige heeft voorgesteld om appellant als beperkt te beschouwen op “inzicht in eigen kunnen” als indicatie voor jobcoaching in een functie die volgens de arbeidsdeskundige tegemoetkomt aan de overige beperkingen in de FML, ten behoeve van het in stand houden van betrokkenheid van appellant bij deze functie.

2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geen aanleiding gezien om te twijfelen aan de juistheid van het advies van de deskundige of aan de zorgvuldigheid waarmee dit tot stand gekomen is. Het standpunt van de deskundige volgend heeft de rechtbank geoordeeld dat het Uwv de voor appellant geldende medische beperkingen niet onjuist heeft ingeschat en dat in de FML van 21 oktober 2010 in voldoende mate rekening is gehouden met de door de deskundige aangegeven beperkingen ten aanzien van persoonlijk en sociaal functioneren. Voorts hebben de verzekeringsartsen naar het oordeel van de rechtbank op juiste gronden geen verdergaande lichamelijke beperkingen bij appellant aangenomen. Gelet op het standpunt van de deskundige en de nadere motivering door de verzekeringsarts bezwaar en beroep, heeft de rechtbank geoordeeld dat het arbeidsvermogen van appellant niet onjuist is ingeschat en dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep voldoende heeft gemotiveerd dat appellant, ondanks de voor hem vastgestelde beperkingen, in staat wordt geacht de geduide functies te vervullen. Daarbij heeft de rechtbank van belang geacht dat in de geduide functies geen beroep wordt gedaan op het al dan niet beperkte inzicht van appellant in eigen kunnen en dat het gaat om functies met overzichtelijke taken en met vaste en bekende werkwijzen, die uitgevoerd worden in een rustige werkomgeving zonder te veel storende geluiden. Ten aanzien van de al dan niet benodigde jobcoach heeft de rechtbank het standpunt van het Uwv gevolgd dat het aanstellen van een jobcoach in redelijkheid van een werkgever kan worden verlangd en dat dit het duiden van functies niet in de weg kan staan.


3.1.

Appellant kan zich met de uitspraak van de rechtbank niet verenigen en heeft zich in hoger beroep opnieuw op het standpunt gesteld dat het Uwv zijn beperkingen heeft onderschat. Ter onderbouwing daarvan heeft hij een door zijn huisarts bevestigde verklaring ingezonden over zijn medische situatie. Voorts heeft hij betoogd dat hij het niet eens is met de conclusie van het Uwv dat hij met hulp van een jobcoach de geduide functies kan vervullen. Hij heeft de Raad verzocht de deskundige nadere vragen te stellen over de aard en de omvang van de door de door hem aanbevolen jobcoach te bieden begeleiding en over de verwachting dat appellant met een jobcoach zou kunnen functioneren in de geduide functies.


3.2.

Het Uwv heeft zich ter zitting van de Raad van 28 maart 2014 verenigd met het verzoek van appellant om de deskundige nadere vragen te stellen.


3.3.

In zijn nadere rapport van 16 juni 2014 heeft de deskundige gereageerd op een nadere vraag van de Raad.


4. De Raad oordeelt als volgt.


4.1.

Het geding tussen partijen heeft zich in hoger beroep toegespitst op de vraag of de rechtbank terecht de deskundige heeft gevolgd in zijn oordeel dat het Uwv de voor appellant geldende beperkingen niet onjuist heeft ingeschat en met name op de vraag of appellant met behulp van een jobcoach kan functioneren in de voor hem geduide functies.


4.2.

De deskundige heeft in zijn reactie van 16 juni 2014 opnieuw de kern van de problematiek van appellant weergegeven. Door de aard van de identiteitsstoornis komt appellant na verloop van tijd in iedere werksituatie met zichzelf in conflict. Als hij wordt overvraagd dan zullen zijn faalangst en vermijdingsgedrag geactiveerd worden; als hij wordt ondervraagd zal zijn hoge ideaalbeeld gefrustreerd worden. De deskundige heeft de taak van een jobcoach voor appellant toegelicht, namelijk dat diens belangrijkste functie dan zal zijn het in stand houden van commitment bij appellant ten aanzien van zijn functie, ondanks alle negatieve belevingen die dit bij hem zal oproepen. Desgevraagd heeft de deskundige de Raad geantwoord dat met het inschakelen van een jobcoach in de gebruikelijke zin van het woord in voldoende mate rekening wordt gehouden met de beperkingen ten aanzien van het inzicht in eigen kunnen van appellant.


4.3.

Als uitgangspunt geldt dat de bestuursrechter het oordeel van een onafhankelijke, door hem ingeschakelde deskundige volgt als de motivering van deze deskundige hem overtuigend voorkomt. Mede gezien de bij 4.2 gegeven nadere motivering van de deskundige heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat deze situatie zich hier voordoet. Hetgeen door appellant is aangevoerd geeft onvoldoende aanleiding aan het standpunt te twijfelen dat in voldoende mate rekening is gehouden met zijn beperkingen en dat hij ondanks die beperkingen in staat moet worden geacht de geduide functies te kunnen vervullen.


4.4.

Gelet op hetgeen in 4.1 tot en met 4.3 is overwogen slaagt het hoger beroep niet. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door B.M. van Dun, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2015.




(getekend) B.M. van Dun




(getekend) M.P. Ketting




RB