Centrale Raad van Beroep, 18-02-2015 / 14-2045 WSF


ECLI:NL:CRVB:2015:507

Inhoudsindicatie
Herziening toegekende studiefinanciering naar de norm voor een thuiswonende studerende. Terugvordering. Voldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van de Minister dat appellante ten tijde van belang niet woonde op haar GBA-adres.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-18
Publicatiedatum
2015-02-24
Zaaknummer
14-2045 WSF
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

14/2045 WSF

Datum uitspraak: 18 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van

6 maart 2014, 13/1010 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap (Minister)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. ing. J.J. Patelski, advocaat, hoger beroep ingesteld.

De Minister heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 17 december 2014. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Patelski. De Minister heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. P.M.S. Slagter.

OVERWEGINGEN


1.1.

De Minister heeft, voor zover hier van belang, over het jaar 2012 aan appellante studiefinanciering op grond van de Wet studiefinanciering 2000 (Wsf 2000) toegekend, berekend naar de norm voor een uitwonende studerende. Appellante staat vanaf

16 september 2010 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) ingeschreven onder het adres [adres 1], het adres van haar tante [tante]. De ouders van appellante staan in de GBA ingeschreven onder het adres [adres 2]. De afstand tussen de beide GBA-adressen is ruim

1 kilometer. Vanaf 14 maart 2013 staat appellante ingeschreven op het ouderlijk adres.


1.2.

Bij besluit van 30 november 2012 heeft de Minister appellante vanaf 1 januari 2012 alsnog als thuiswonend aangemerkt, de vanaf januari 2012 toegekende studiefinanciering herzien naar de norm voor een thuiswonende studerende en een bedrag van € 2.095,94, dat als gevolg van de herziening te veel aan appellante is betaald, teruggevorderd.


1.3.

Bij besluit van 18 februari 2013 (bestreden besluit) heeft de Minister het bezwaar van appellante tegen het besluit van 30 november 2012 ongegrond verklaard. Aan de herziening en terugvordering heeft de Minister ten grondslag gelegd dat uit een verrichte controle is gebleken dat appellante niet woont op het adres waaronder zij in de GBA staat ingeschreven. De controle heeft bestaan uit een huisbezoek op 31 oktober 2012 op het GBA-adres van appellante, waarvan de resultaten zijn neergelegd in een rapport van 1 november 2012. Het huisbezoek is afgelegd in het bijzijn van appellante. Appellante heeft tegenover de controleurs verklaard dat zij bij haar tante woont omdat zij daar meer vrijheid heeft dan thuis. Meestal slaapt zij op haar GBA-adres, slechts af en toe slaapt zij op het ouderlijk adres. Overdag is zij vaak bij haar ouders, waar zij ook een eigen kamer heeft en haar spullen zijn gelijkelijk verdeeld over het ouderlijke adres en het GBA-adres. Op de door appellante als haar kamer getoonde kamer is door de controleurs aangetroffen een onopgemaakt 1-persoonsbed, een damesjas, twee paar damesschoenen, een tas met laptop waarop appellante kon inloggen, enkele make-up spullen, een kledingkast waarvan de inhoud volgens appellante toebehoort aan haar tante, een tas met oud papier, een stofzuiger en een huishoudtrap. In de slaapkamer van de tante van appellante werd een kledingkast getoond met daarin een volledige damesgarderobe en twee mandjes met in beide sokken en ondergoed. Appellante heeft verklaard dat één van die mandjes van haar is, de kleding in die kast zowel van haar als van haar tante is en zij en haar tante dezelfde kleding- en schoenmaat hebben. Appellante heeft op de vraag welke kledingstukken in de kast van haar zijn een scheiding in de kleding in zowel het linkerdeel als in het rechterdeel van de kast gemaakt. Zij gaf aan dat de kleding aan de rechterkant in de beide kastdelen van haar is. Appellante heeft verder verklaard dat haar studieboeken en schoolspullen op school liggen in haar kluisje, dat zij geen poststukken kan tonen omdat zij belangrijke post aan haar vader geeft en niet belangrijke post weggooit en zij geen sleutel van de woning kan tonen omdat zij haar sleutelbos heeft uitgeleend aan een vriendin omdat die de sleutel van de schoolkluis nodig had.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank is van oordeel dat de bevindingen van het huisbezoek een toereikende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie van de Minister dat appellante niet woonde op haar GBA-adres. Appellante heeft geen tegenbewijs geleverd dat twijfel wekt aan de juistheid van de conclusie van de Minister. Daartoe is overwogen dat, wat er verder ook moge zijn van de gestelde bescheiden levenswijze van appellante, het rapport van het huisbezoek nauwelijks aanwijzingen bevat dat de kamer die aan appellante zou toebehoren door haar ook feitelijk werd bewoond. Zo was het bed niet opgemaakt, werd er geen studiemateriaal van appellante aangetroffen en heeft appellante niet kunnen duiden welke kleding van haar was en welke van haar tante.


3. Appellante heeft zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Zij kan zich niet vinden in het oordeel van de rechtbank dat de bevindingen van het huisbezoek voldoende feitelijke grondslag bieden voor het door de Minister ingenomen standpunt dat zij ten tijde hier van belang niet woonde op haar GBA-adres. Appellante stelt dat zij met de door haar gegeven verklaringen met betrekking tot de kleding, de afwezigheid van luxe artikelen, schoolspullen en correspondentie op het GBA-adres en het niet kunnen tonen van de huissleutel, voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij destijds woonde op haar GBA-adres. Voorts hebben de controleurs nagelaten de badkamer te onderzoeken waar zich toilet- en make-upartikelen van appellante bevonden. In het licht van het voorgaande had de Minister meer bewijs moeten aandragen.


4. De Raad oordeelt als volgt.


4.1.1.

In artikel 1.1, eerste lid, van de Wsf 2000 wordt onder thuiswonende studerende verstaan de studerende die niet een uitwonende studerende is, en wordt onder uitwonende studerende verstaan de studerende die voldoet aan de verplichtingen, bedoeld in artikel 1.5.


4.1.2.

Ingevolge artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000, zoals deze bepaling luidde ten tijde hier van belang, komt voor het normbedrag voor een uitwonende studerende in aanmerking de studerende die voldoet aan de volgende verplichtingen:

a. de studerende woont op het adres waaronder hij in de GBA staat ingeschreven, en

b. het woonadres van de studerende is niet het adres waaronder zijn ouders of een van hen in de GBA staat of staan ingeschreven.


4.1.3.

De vraag waar de studerende woont als bedoeld in artikel 1.5, eerste lid, van de Wsf 2000 dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.


4.1.4.

Op grond van artikel 7.1, tweede lid, aanhef en onder c, van de Wsf 2000 kan herziening plaatsvinden op grond van het feit dat te veel of te weinig studiefinanciering is toegekend op basis van onjuiste of onjuist verwerkte gegevens.


4.1.5.

Ingevolge artikel 9.9, tweede lid, van de Wsf 2000, voor zover hier van belang, vindt de herziening - volgens het opschrift bij ‘niet voldoen aan verplichtingen artikel 1.5 door studerende’ - plaats met ingang van de datum van de laatste adreswijziging van de studerende in de GBA.


4.2.

Een herziening als hier aan de orde is een belastend besluit zodat de Minister aannemelijk moet maken dat appellante niet heeft voldaan aan de verplichtingen die in artikel 1.5 van de Wsf 2000 zijn gesteld. Aan die bewijslast heeft de Minister voldaan. Met de rechtbank wordt geoordeeld dat de bevindingen van het onderzoek op het GBA-adres van appellante voldoende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt van de Minister dat appellante ten tijde van belang niet woonde op haar GBA-adres. Daartoe wordt het volgende overwogen.


4.3.

Uit het rapport van het huisbezoek volgt dat op de als kamer van appellante getoonde kamer behalve een laptop, jas en twee paar schoenen geen persoonlijke spullen van appellante zijn aangetroffen. Dat de kleding van appellante zich zou bevinden in de kledingkast op de slaapkamer van de hoofdbewoonster is merkwaardig, waar zich een kledingkast op de als haar kamer getoonde kamer bevindt. Bovendien was de kleding in de kledingkast, die bestond uit twee delen, op de kamer van haar tante niet gescheiden zoals je mag verwachten als het de garderobe van twee vrouwen betreft. Appellante heeft eerst op de vraag van de controleurs welke kleding van haar was een scheiding aangebracht in de aanwezige kleding en daarbij aangegeven dat haar kleding zich in beide delen van de kast bevond aan de rechterzijde. Met deze omstandigheden in samenhang bezien heeft appellante geen geloofwaardige verklaring gegeven over de aanwezigheid van haar kleding op het GBA-adres.


4.4.

Appellante heeft verklaard dat zij ten tijde hier van belang voor haar bestemde post deels digitaal en deels op haar GBA-adres ontving. Evenwel is op het GBA-adres in het geheel geen post of administratie van appellante aangetroffen. De daarvoor door appellante gegeven verklaring dat haar vader haar post wenst te controleren is onvoldoende om het ontbreken van iedere correspondentie op het GBA-adres te verklaren. Zo valt niet in te zien dat post, na controle door haar vader, zou blijven op het ouderlijk adres. Bewaring daarvan op het woonadres ligt voor de hand. Bovendien heeft appellante in de bezwaarprocedure noch in de procedure in beroep of hoger beroep afschriften van aan haar op het GBA-adres gerichte poststukken overgelegd, in het bijzonder van afzenders die niet automatisch gebruik maken van het GBA-adres.


4.5.

Bij de controle zijn geen studieboeken en/of schoolspullen van appellante aangetroffen. Appellante heeft haar stelling dat zij haar schoolspullen en studieboeken bewaarde in een kluisje op school niet onderbouwd met verifieerbare gegevens zoals bijvoorbeeld een huur- of gebruiksovereenkomst van die kluis dan wel een verklaring van de onderwijsinstelling.


4.6.

Appellante wordt ook niet gevolgd in haar stelling dat het huisbezoek onzorgvuldig is geweest omdat de controleurs niet hebben onderzocht of er persoonlijke spullen van appellante stonden in de badkamer op het GBA-adres. Zouden er persoonlijke spullen van appellante hebben gestaan in de badkamer dan had appellante deze uit eigen beweging aan de controleurs kunnen laten zien nu zij wist dat het doel van het bezoek was om vast te stellen of appellante daar woont.


4.7.

Ten slotte is de verklaring voor het niet kunnen tonen van de huissleutel van het

GBA-adres niet geloofwaardig. In de situatie dat een kluisje wordt gedeeld met een andere studente en er maar één sleutel beschikbaar is dan zal deze sleutel over en weer worden uitgewisseld. Evenwel is niet goed voorstelbaar dat appellante haar gehele sleutelbos, inclusief de huissleutel, uitleent bij een gedeeld gebruik van een kluisje.


4.8.

De Raad komt tot de slotsom dat in wat appellante heeft gesteld geen aanleiding wordt gevonden voor twijfel aan de door de Minister uit de waarnemingen van de controleurs getrokken conclusie. Dat appellante aanwezig was op het GBA-adres ten tijde van de controle maakt dit oordeel niet anders. Het feit dat appellante geen huissleutel kon tonen en de vaststelling dat er bijzonder weinig tot appellante herleidbare spullen zijn aangetroffen die erop wijzen dat appellante daar woonde, wegen zwaarder. De door appellante daarvoor gegeven verklaringen zijn in samenhang bezien te onwaarschijnlijk om op grond daarvan aannemelijk te achten dat appellante feitelijk woonde op het GBA-adres.


4.9.

Uit wat is overwogen in 4.1 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak wordt daarom bevestigd.


5. Nu het hoger beroep niet slaagt, en de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit in stand blijven, is er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.


Deze uitspraak is gedaan door J. Brand als voorzitter en H.J. de Mooij en A.J. Schaap als leden, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2015.




(getekend) J. Brand




(getekend) D. van Wijk






NK