Centrale Raad van Beroep, 17-02-2015 / 14-756 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:508

Inhoudsindicatie
Intrekking bijstand. Het college is er niet in geslaagd met objectieve gegevens aannemelijk te maken dat betrokkene economisch eigenaar is van de woning, dan wel dat betrokkene de volledige feitelijke beschikking heeft over deze woning en dit vermogensbestanddeel te gelde kan maken om in zijn noodzakelijke kosten van bestaan te kunnen voorzien. Ten aanzien van de schade-uitkering van € 40.909,- heeft het college aan de hand van de overgelegde stukken nog steeds niet aannemelijk gemaakt dat betrokkene over deze schade-uitkering kon beschikken. Het college heeft ter voorbereiding van het nadere besluit geen aanvullend onderzoek verricht. Omdat de rechtbank het bestreden besluit heeft vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb heeft het college bij het besluit ter uitvoering van die uitspraak niet kunnen volstaan met aanvulling en wijziging van de motivering van dat besluit. Het bezit van de Mercedes kan niet meer aan de besluitvorming ten grondslag worden gelegd, omdat het college tegen dat onderdeel van de aangevallen uitspraak geen hoger beroep heeft ingesteld.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-17
Publicatiedatum
2015-03-10
Zaaknummer
14-756 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • JWWB 2015/119
Uitspraak

14/756 WWB, 14/6859 WWB

Datum uitspraak: 17 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Oost-Brabant van 24 december 2013, 13/5044 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van ’s-Hertogenbosch (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en een nader besluit van 5 november 2014 (nadere besluit) ingezonden.

Namens betrokkene heeft mr. G. Oudshoorn, advocaat, een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2015. Appellant heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. Hulsen. Betrokkene is verschenen, bijgestaan door

mr. Oudshoorn.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Betrokkene ontving vanaf 3 december 1999 bijstand, laatstelijk op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder met een toeslag van 5% in verband met medebewoning. Met ingang van 1 februari 2006 ontving betrokkene bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder met een toeslag van 20%. Hierop werd een bedrag in mindering gebracht in verband met het ontbreken van woonlasten.


1.2.

Medio 2009 zijn zowel bij de Belastingdienst als bij de politie signalen binnengekomen over de familie [R.], wonende op en in de omgeving van [adres 1] te [woonplaats]. Betrokkene maakt deel uit van deze familie. Naar aanleiding van deze signalen is in december 2010 eerst door de Belastingdienst en later door de politie een grootscheeps onderzoek gestart en is door de sociale recherche bij betrokkene onderzoek verricht. Uit dat onderzoek is onder meer naar voren gekomen dat op 30 januari 2007 aan betrokkene een bedrag van € 10.203,32 is uitgekeerd in verband met een schade. Uit een bankafschrift op naam van [L.], een zus van betrokkene, en het onderzoek is gebleken dat op

20 februari 2006 een bedrag van € 40.909,- is gestort door [de besloten vennootschap] als schadevergoeding voor de verkleuring van het metselwerk aan de woning aan [adres 2] te [woonplaats], de woning waarin betrokkene verblijft. Verder is uit het onderzoek naar voren gekomen dat [D.], een persoon die in Amerika woont en verblijft, juridisch eigenaar is van de woning aan [adres 2] te [woonplaats] en dat betrokkene geen huurcontract heeft en ook geen huur betaalt. Volgens de sociale recherche moet ervan worden uitgegaan dat betrokkene de volledige beschikkingsmacht over de woning heeft en het economisch eigendom van de woning bij betrokkene dan wel zijn (half)broer ligt. De sociale recherche is op basis van deze bevindingen tot de conclusie gekomen dat het recht op bijstand niet langer vastgesteld kan worden. De bevindingen van het onderzoek zijn onder meer neergelegd in een rapportage van 20 augustus 2012.


1.3.

De onderzoeksresultaten waren voor appellant aanleiding om bij besluit van

13 september 2012 de bijstand van betrokkene met ingang van 1 september 2012 in te trekken op de grond dat hij de inlichtingenverplichting heeft geschonden waardoor het recht op bijstand niet is vast te stellen.


1.4.

Bij besluit van 20 februari 2013 heeft appellant het bezwaar tegen het besluit van

13 september 2012 ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 7 mei 2013 (13/1875 en 13/1876) heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank (rechtbank) het beroep van betrokkene tegen het besluit van 20 februari 2013 gegrond verklaard. De rechtbank heeft - kortgezegd en voor zover hier van belang - geoordeeld dat appellant niet met objectieve gegevens aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene economisch eigenaar is van de woning aan [adres 2]

te [woonplaats] en dat deze woning daarmee tot het vermogen van betrokkene behoorde. Voorts heeft de rechtbank geoordeeld dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de schade-uitkering van € 40.909,- ter beschikking van betrokkene stond dan wel heeft gestaan. Ten aanzien van de schade-uitkering van € 10.203,32 heeft de rechtbank geoordeeld dat deze uitkering kan worden geschaard onder de uitkeringen en vergoedingen als bedoeld in artikel 31, tweede lid, aanhef en onder m, van de WWB en dat deze uitkering uit 2007 niet van dien aard was dat dit bedrag in 2012 nog van invloed kon zijn op het recht op bijstand. Het besluit van 20 februari 2013 was daarom in strijd met artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet met de nodige zorgvuldigheid voorbereid.


1.5.

Appellant heeft geen hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank van

7 mei 2013, zodat deze uitspraak kracht van gewijsde heeft gekregen. Ter uitvoering van deze uitspraak heeft appellant bij besluit van 2 oktober 2013 (bestreden besluit) opnieuw het bezwaar tegen het besluit van 13 september 2012 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, dit besluit vernietigd en appellant opgedragen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.


3.1.

Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


3.2.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft appellant bij het nadere besluit opnieuw het bezwaar tegen het besluit van 13 september 2012 ongegrond verklaard. Betrokkene heeft op de hierna te bespreken gronden beroep ingesteld tegen het nadere besluit.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


De aangevallen uitspraak


4.1.

Appellant heeft het bestreden besluit genomen ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank van 7 mei 2013. Omdat partijen tegen die uitspraak geen hoger beroep hebben ingesteld, diende dat besluit te worden genomen in overeenstemming met wat de rechtbank in die uitspraak heeft overwogen. Thans dient daarom te worden beoordeeld of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat appellant met het bestreden besluit niet op de juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de uitspraak van de rechtbank van 7 mei 2013. Daarbij is van belang dat, nu partijen tegen deze uitspraak geen hoger beroep hebben ingesteld, van de juistheid van het in de uitspraak door de rechtbank expliciet en zonder voorbehoud gegeven oordeel over de grondslag van het besluit moet worden uitgegaan en daartegen gerichte beroepsgronden hierover nu verder niet meer ter beoordeling staan.


4.2.

Voorop staat dat het hier gaat om de intrekking van een eerder toegekend recht op bijstand, een voor betrokkene belastend besluit. Dit betekent dat het aan appellant is om de nodige kennis te vergaren over relevante feiten en omstandigheden en op appellant de bewijslast rust ten aanzien van de vraag of voldaan is aan de voorwaarden om tot intrekking van het recht op bijstand over te gaan.


4.3.

De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat appellant er nog altijd niet in is geslaagd met objectieve gegevens aannemelijk te maken dat betrokkene economisch eigenaar is van de woning aan [adres 2] te [woonplaats], dan wel dat betrokkene de volledige feitelijke beschikking heeft over deze woning en dit vermogensbestanddeel te gelde kan maken om in zijn noodzakelijke kosten van bestaan te kunnen voorzien. De Raad verwijst daartoe naar de overwegingen van de rechtbank en maakt deze tot de zijne. In wat appellant in hoger beroep heeft aangevoerd zijn geen aanknopingspunten gelegen om in andere zin dan de rechtbank te oordelen.


4.4.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellant ten aanzien van de schade-uitkering van € 10.230,32 geen gehoor heeft gegeven aan de opdracht van de rechtbank in de uitspraak van 7 mei 2013 om een nieuw besluit te nemen met inachtneming van die uitspraak. De rechtbank heeft in die uitspraak immers geoordeeld dat de schade-uitkering kan worden geschaard onder artikel 31, tweede lid, aanhef en onder m, van de WWB en dat niet is gemotiveerd waarom deze uitkering in 2007 van dien aard is dat dit bedrag in 2012 nog van invloed kan zijn op het recht op bijstand in 2012. Nu de rechtbank in de uitspraak van

7 mei 2013 expliciet en zonder voorbehoud een oordeel heeft gegeven over de grondslag van het besluit, moet hiervan worden uitgegaan en kan de beroepsgrond dat de situatie een omkering van de bewijslast rechtvaardigt hier verder buiten bespreking blijven.


4.5.

Ten aanzien van de schade-uitkering van € 40.909,- heeft appellant betoogd dat betrokkene de inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de ontvangst van dat bedrag. De rechtbank kan worden gevolgd in haar oordeel dat appellant aan de hand van de overgelegde stukken nog steeds niet aannemelijk heeft gemaakt dat betrokkene over deze schade-uitkering kon beschikken. Deze uitkering is immers overgemaakt op de bankrekening van de zus van betrokkene. Niet is gebleken dat betrokkene toegang had tot deze bankrekening. Nu niet kan worden vastgesteld dat betrokkene over deze schade-uitkering kon beschikken, heeft betrokkene de op hem rustende inlichtingenverplichting ten aanzien van deze schade‑uitkering niet geschonden. De beroepsgrond van appellant dat de bewijslast bij betrokkene ligt en dat het aan hem is om aan te tonen wat de bestemming van de gelden is geweest, slaagt dan ook niet.


4.6.

Appellant heeft aan de besluitvorming ten grondslag gelegd dat uit onderzoek van justitie en de Belastingdienst blijkt dat, hoewel betrokkene niet is aangemerkt als verdachte in de lopende strafzaak tegen zijn familie, hij wel op basis van kasberekeningen aantoonbaar bevoordeeld is geweest door de witwas- en fraudepraktijken van de familie [R.]. Dit vloeit volgens appellant onder meer voort uit het feit dat de familie op basis van eigen verklaringen alles met elkaar deelt en elkaar financieel ondersteunt. De gehele familie heeft geprofiteerd van de handelingen van enkelen binnen de gemeenschap. De woonsituatie van betrokkene en de hem ter beschikking staande voertuigen zijn volgens appellant slechts enkele voorbeelden die dit voordeel illustreren. Volgens appellant heeft de rechtbank genoemde omstandigheden ten onrechte niet bij de beoordeling betrokken.


4.7.

Appellant heeft bij de rechtbank hierover nadere stukken overgelegd, die zich niet onder de gedingstukken bevonden in de procedure bij de rechtbank die heeft geleid tot de uitspraak van 7 mei 2013. De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak wat appellant, mede op basis van de nadere stukken, ten aanzien van het deel uitmaken van de familie [R.] aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd evenwel niet in haar oordeel betrokken. De Raad acht dat niet in overeenstemming met het bepaalde in artikel 8:69, eerste lid, van de Awb. De hierop betrekking hebbende beroepsgrond van appellant treft daarom doel. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd voor zover de rechtbank daarbij heeft nagelaten een oordeel te geven over het hier aan de orde zijnde onderdeel van het bestreden besluit. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad dit onderdeel van het bestreden besluit alsnog en met inachtneming van de beroepsgronden beoordelen.


4.8.

Uit het rapport van de politie van 13 december 2012 komt naar voren dat betrokkene in het kader van het onderzoek van de politie naar de familie van betrokkene (de familie [R.]) als verdachte is gehoord. Uit het ingestelde strafrechtelijk onderzoek bleek dat alle uitkeringen van de gehele familie [R.] in één pot werden gedaan en met de gehele familie werden gedeeld. Om te beoordelen of de uitgaande contante geldstromen kunnen worden verklaard uit de legale contante ontvangsten werd een kasopstelling gemaakt. Anders dan appellant stelt, kan uit dat onderzoek niet worden afgeleid dat betrokkene daadwerkelijk gelden heeft ontvangen van zijn familieleden. Dat blijkt ook niet uit de door [G.] op 5 april 2012 afgelegde verklaring. Hij heeft desgevraagd verklaard dat betrokkene in de woning aan [adres 2] te [woonplaats] woont, samen met nog een aantal anderen, en dat betrokkene, net als alle volwassenen op dat adres, een uitkering krijgt. [G.] heeft verklaard dat de mensen die op dat adres wonen de kosten met betrekking tot dit adres betalen. Overigens heeft appellant al bij de toekenning van bijstand rekening gehouden met het feit dat betrokkene geen woonkosten heeft, zodat een melding over het niet hebben van woonkosten voor de (omvang van de) bijstand niet van belang was. Verder is niet gebleken dat betrokkene over meer middelen kon beschikken dan over de bijstand. De beroepsgrond van appellant dat betrokkene de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden, slaagt dan ook niet.


4.9.

Uit 4.3 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep uitsluitend slaagt op het in 4.7 besproken onderdeel, dat de aangevallen uitspraak slechts in zoverre dient te worden vernietigd en voor het overige dient te worden bevestigd met inachtneming van wat de Raad heeft overwogen.


Nadere besluit


5. Het nadere besluit wordt met toepassing van artikel 6:19, eerste lid, in verbinding met artikel 6:24 van de Awb bij de beoordeling in hoger beroep betrokken.


5.1.

Appellant heeft het nadere besluit genomen ter uitvoering van de aangevallen uitspraak. Beoordeeld dient te worden of appellant met dit besluit op de juiste wijze uitvoering heeft gegeven aan de aangevallen uitspraak.


5.2.

Appellant heeft ter voorbereiding van het nadere besluit geen aanvullend onderzoek verricht. Het besluit is gebaseerd op dezelfde feiten als die de Raad bij de bespreking van de aangevallen uitspraak onvoldoende heeft geoordeeld voor het standpunt van appellant dat betrokkene de op hem rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Omdat de rechtbank het bestreden besluit heeft vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb heeft appellant bij het besluit ter uitvoering van die uitspraak niet kunnen volstaan met aanvulling en wijziging van de motivering van dat besluit.


5.3.

Voor zover appellant met een verwijzing naar het onderzoek van de politie en de Belastingdienst van 13 december 2012 heeft willen onderbouwen dat betrokkene de inlichtingenverplichting heeft geschonden, wordt die onderbouwing onvoldoende geacht. Zoals reeds onder 4.8 is overwogen, kan uit het onderzoek niet worden afgeleid dat betrokkene daadwerkelijk gelden heeft ontvangen van zijn familieleden. Wat appellant daar verder nog over heeft betoogd, leidt niet tot een ander oordeel.


5.4.

Betrokkene heeft terecht aangevoerd dat appellant het bezit van de Mercedes met kenteken[kenteken] niet meer aan de besluitvorming ten grondslag heeft mogen leggen, omdat appellant tegen dat onderdeel van de aangevallen uitspraak geen hoger beroep heeft ingesteld.


5.5.

Uit 5.2 tot en met 5.4 volgt dat het beroep tegen het nadere besluit gegrond moet worden verklaard en dat het nadere besluit moet worden vernietigd wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb. Tevens ziet de Raad aanleiding het besluit van 13 september 2012 te herroepen, aangezien aan dit besluit in zoverre hetzelfde gebrek kleeft als aan het bestreden besluit en het nadere besluit en niet aannemelijk is dat dit gebrek nog kan worden hersteld.


6. Appellant heeft zich ter zitting bereid verklaard aan betrokkene een voorschot ter hoogte van de eerder verleende bijstand te betalen tot de Raad op het hoger beroep heeft beslist. De Raad gaat ervan uit dat appellant gelet op de uitkomst van het hoger beroep de bijstand zal nabetalen vanaf september 2012 onder verrekening van de voorschotten die reeds op grond van de diverse door de rechtbank getroffen voorlopige voorzieningen zijn betaald.


7. De Raad ziet aanleiding appellant te veroordelen in de kosten van betrokkene. Deze kosten worden begroot op € 980,- in bezwaar en op € 980,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover de rechtbank heeft nagelaten daarbij een

oordeel te geven over de in 4.6 vermelde grondslag van het besluit van 2 oktober 2013;

- bevestigt de aangevallen uitspraak voor het overige;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 5 november 2014 gegrond en vernietigt dat besluit;

- herroept het besluit van 13 september 2012;

- veroordeelt appellant in de kosten van betrokkene tot een bedrag van € 1.960,-.



Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en W.H. Bel en

J.T.H. Zimmerman als leden, in tegenwoordigheid van O.P.L. Hovens als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2015.




(getekend) C. van Viegen




(getekend) O.P.L. Hovens




HD