Centrale Raad van Beroep, 24-02-2015 / 13-5878 BBZ


ECLI:NL:CRVB:2015:521

Inhoudsindicatie
Afwijzing aanvraag om bijstand. Woonadres niet in de gemeente. Niet kan worden gezegd dat het college tekort is geschoten in zijn onderzoeksplicht. Het lag op de weg van appellant om duidelijkheid te verschaffen over zijn woonplaats. Appellant heeft geen enkele wijze met controleerbare en verifieerbare gegevens onderbouwd, dat hij zijn woonplaats had op het opgegeven adres.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-24
Publicatiedatum
2015-02-26
Zaaknummer
13-5878 BBZ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/5878 BBZ

Datum uitspraak: 24 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

27 september 2013, 13/554 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Stadskanaal (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. G. Bakker, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2015. Voor appellant is verschenen mr. Bakker. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door J. Snijders.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellant en zijn echtgenote hebben van 1 november 2011 tot 1 juli 2012 bijstand naar de norm voor gehuwden ontvangen op grond van het Bijstandsbesluit zelfstandigen 2004

(Bbz 2004). Op 20 juli 2012 heeft appellant een aanvraag ingediend om verlenging van de bijstand met als gewenste ingangsdatum 1 juli 2012. Daarbij heeft appellant het adres [adres] als woonadres opgegeven (opgegeven adres), op welk adres hij sinds 24 juli 2007 in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens (GBA) van de gemeente [gemeente 1] stond ingeschreven.


1.2.

Naar aanleiding van een door appellant doorgegeven wijziging in het leerlingenvervoer van zijn kinderen heeft het Samenwerkingsverband Sociale Recherche Noord & Oost Groningen (sociale recherche) op 20 maart 2012 een rapport uitgebracht in het kader van de aanspraken van appellant op grond van de regeling tegemoetkoming leerlingenvervoer. De sociale recherche heeft vastgesteld dat appellant, zijn echtgenote en hun kinderen sinds

5 maart 2012 buiten de gemeente [gemeente 1] verblijven.


1.3.

Bij besluit van 30 augustus 2012 heeft het college de aanvraag afgewezen, op de grond dat appellant niet zijn daadwerkelijke woonadres heeft in de gemeente [gemeente 1].


1.4.

Tijdens de bezwaarprocedure heeft de sociale recherche een nader onderzoek ingesteld naar de woonsituatie op het opgegeven adres. De bevindingen van dit onderzoek zijn neergelegd in een proces-verbaal van bevindingen van 16 november 2012.


1.5.

Bij besluit van 8 april 2013 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant tegen het besluit van 30 augustus 2012 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het college ten grondslag gelegd dat appellant buiten de gemeente [gemeente 1] verblijft.


1.6.

In juni 2013 heeft de sociale recherche nog aanvullend onderzoek verricht en daarbij op 25 juni 2013 vier omwonenden van het opgegeven adres als getuigen gehoord.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

In geval van een aanvraag om bijstand loopt de door de bestuursrechter te beoordelen periode in beginsel vanaf de datum waarop de betrokkene zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen tot en met de datum van het besluit op de aanvraag. Appellant heeft op 20 juli 2012 verzocht om verlenging van de bijstand vanaf 1 juli 2012. Dat betekent dat in dit geval de te beoordelen periode loopt van 1 juli 2012 tot en met 30 augustus 2012.


4.2.

Volgens vaste rechtspraak van de Raad (uitspraak van 20 september 2010, ECLI:NL:CRVB:2010:BN9432) komt bij de vraag waar iemand woonplaats heeft als bedoeld in artikel 40, eerste lid, van de Wet werk en bijstand (WWB) geen doorslaggevende betekenis toe aan de inschrijving in het GBA. De vraag waar iemand woonplaats heeft, dient te worden beantwoord aan de hand van concrete feiten en omstandigheden.


4.3.

Het gaat om een besluit tot afwijzing van een aanvraag om bijstand. Een aanvrager moet in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen. Dat betekent hier onder meer dat appellant aannemelijk moet maken dat hij in de te beoordelen periode woonplaats had in de gemeente [gemeente 1].


4.4.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat het college op grond van de onderzoeksbevindingen inzake de woon- en leefsituatie van appellant terecht het standpunt heeft ingenomen dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de te beoordelen periode woonplaats had op het opgegeven adres in de gemeente [gemeente 1]. Uit de door de sociale recherche verrichte onderzoeken blijkt dat appellant en zijn echtgenote vanaf

1 februari 2012 een woning huren in [gemeente 2]. Twee kinderen van appellant, die voorheen onderwijs volgden in Groningen, zijn op 23 februari 2012 uitgeschreven van hun school in Groningen, omdat zij onderwijs gingen volgen in de naast de huurwoning gelegen basisschool in [gemeente 2]. De directeur van deze basisschool heeft op 16 maart 2012 bevestigd dat de kinderen van appellant sinds 5 maart 2012 op deze school in [gemeente 2] onderwijs volgen. Hij heeft daarbij verklaard dat de kinderen sinds kort samen met hun ouders en broers en zussen in de woning naast de school wonen. Daarnaast blijkt uit de verklaringen van [naam 1], [naam 2], [naam 3]en [naam 4], omwonenden van het opgegeven adres, dat appellant met zijn gezin in de voorjaarsvakantie 2012 respectievelijk februari/maart 2012 is verhuisd, dat zij vanaf dat moment niet meer wonen op het opgegeven adres en dat zij incidenteel nog wel eens langs komen. De verklaringen van de hiervoor genoemde buurtbewoners over de feitelijke bewoning van het adres komen voort uit eigen waarneming van wat zich aan de straatkant van de schutting afspeelde en bevatten voldoende concrete beschrijvingen. De verklaringen van de buren zijn ook in lijn met elkaar en met de overige onderzoeksbevindingen.


4.5.

Gelet op 1.2, 1.4 en 1.6 kan niet worden gezegd dat het college tekort is geschoten in zijn onderzoeksplicht, zodat de beroepsgrond dat het college in strijd met de zorgvuldigheid geen verder onderzoek heeft verricht wordt verworpen. Daarbij wordt aangetekend dat het gelet op 4.3 op de weg lag van appellant om duidelijkheid te verschaffen over zijn woonplaats. Appellant heeft echter zijn standpunt dat hij in de te beoordelen periode zijn woonplaats had op het opgegeven adres op geen enkele wijze met controleerbare en verifieerbare gegevens onderbouwd.


4.6.

Uit 4.1 tot en met 4.5 volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten is geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik als voorzitter en P.W. van Straalen en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2015.




(getekend) Y.J. Klik




(getekend) C.M.A.V. van Kleef




HD