Centrale Raad van Beroep, 16-02-2015 / 13-3047 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:525

Inhoudsindicatie
Weigering WIA-uitkering. Geen twijfel aan de juistheid van de FML. Daarvan uitgaande moet appellante in staat worden geacht de aan haar voorgehouden functies te vervullen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-16
Publicatiedatum
2015-02-26
Zaaknummer
13-3047 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/3047 WIA

Datum uitspraak: 16 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

25 april 2013, 12/527 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. A.Z. van Braam, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Met toestemming van partijen heeft de Raad bepaald dat het onderzoek ter zitting achterwege blijft, waarna het onderzoek is gesloten.

OVERWEGINGEN

1. Bij besluit van 24 november 2011 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellante geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen is ontstaan omdat zij met ingang van 24 oktober 2011 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit is bij besluit van 27 juni 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft als haar oordeel gegeven dat het medisch onderzoek door de verzekeringsarts en de verzekeringsarts bezwaar en beroep op zorgvuldige wijze heeft plaatsgevonden en dat er geen aanknopingspunten zijn om het medisch oordeel voor onjuist te houden. Daarbij heeft zij van belang geacht dat de betrokken verzekeringsartsen bij de beoordeling zijn uitgegaan van de diagnose Sudeck dystrofie/atrofie. Uitgaande van de juistheid van de vastgestelde belastbaarheid van appellante heeft de rechtbank geen aanleiding gezien de geschiktheid in medisch opzicht van de aan de schatting ten grondslag liggende functies voor onjuist te houden.


3.1.

In hoger beroep is namens appellante, onder aankondiging van nog in te zenden medische stukken, aangevoerd dat haar dystrofische klachten zijn onderschat en dat zij op grond daarvan niet in staat is de geselecteerde functies te vervullen. Voorts heeft zij erop gewezen dat zij zich - in verband met de bij haar persisterende klachten - opnieuw onder behandeling heeft moeten stellen.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De gronden waarop het hoger beroep berust, zijn een herhaling van hetgeen namens appellante in bezwaar en beroep is aangevoerd. De rechtbank heeft het beroep terecht en op juiste gronden ongegrond verklaard.


4.2.

Appellante heeft in hoger beroep volstaan met een herhaling van de bij de rechtbank ingediende gronden. Zij stelt dat bij de in geding zijnde besluitvorming te weinig rekening is gehouden met haar dystrofische klachten. De aangekondigde nieuwe medische informatie daarover is niet in het geding gebracht.


4.3.

Terecht is de rechtbank van oordeel dat de beschikbare gedingstukken - ook in het licht van de informatie van de behandelend sector - geen aanleiding geven tot twijfel aan de juistheid van de conclusies van de (bezwaar)verzekeringsartsen met betrekking tot de belastbaarheid van appellante als weergegeven in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 15 november 2011. Uitgaande van de juistheid van de FML moet appellante in staat worden geacht de aan haar voorgehouden functies - gegeven de daarin voorkomende belasting - te vervullen.


5. Uit hetgeen onder 4.2 is overwogen volgt dat het hoger beroep geen doel treft. De aangevallen uitspraak wordt bevestigd.


6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door D.J. van der Vos als voorzitter, in tegenwoordigheid van

S. Aaliouli als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 16 februari 2015.




(getekend) D.J. van der Vos




(getekend) S. Aaliouli




CVG