Centrale Raad van Beroep, 04-02-2015 / 13-4163 AWBZ


ECLI:NL:CRVB:2015:529

Inhoudsindicatie
Het Zorgkantoor heeft laatstelijk voor het jaar 2009 aan appellant een pgb verleend. Bij besluit van 1 oktober 2012 heeft het Zorgkantoor de bewindvoerder van appellant meegedeeld dat geen pgb kan worden toegekend. Met ingang van 14 december 2012 is namens appellant op grond van artikel 4:17 van de Awb aanspraak gemaakt op een dwangsom. Tussen partijen is niet in geschil dat appellant zich niet heeft gehouden aan de bij de verstrekking van een pgb over de jaren 2004 en 2005 opgelegde verplichtingen. Dat betekent dat het Zorgkantoor op grond van artikel 2.6.4, eerste lid, aanhef en onder l, van de Regeling subsidies AWBZ gehouden was om de verlening van een pgb te weigeren. Hierbij is niet van belang of de schending van de verplichtingen verwijtbaar is. Zorg in natura kan bij hem thuis door een zorginstelling worden verleend, daarom kan de vraag of de door appellant genoemde resolutie (van de VN uit 2002) verbindende normen bevat, daargelaten worden. De rechtbank heeft de beroepsgrond met betrekking tot de dwangsom ten onrechte niet inhoudelijk beoordeeld. Deze grond slaagt, vernietiging aangevallen uitspraak in zoverre.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-04
Publicatiedatum
2015-02-26
Zaaknummer
13-4163 AWBZ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

13/4163 AWBZ

Datum uitspraak: 4 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Gelderland van

25 juni 2013, 13/437 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

VGZ Zorgkantoor B.V. (Zorgkantoor)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. T.P.M. Kouwenaar, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Zorgkantoor heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 29 oktober 2014. Voor appellant zijn verschenen zijn moeder,[naam], en mr. Kouwenaar. Het Zorgkantoor heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Y.C.M. van Iersel-de Groot.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende omstandigheden.


1.1.

Appellant is meervoudig gehandicapt. Hij woont bij zijn ouders en bezoekt overdag zorginstelling ’s Heeren Loo. Het Zorgkantoor heeft laatstelijk voor het jaar 2009 aan appellant een persoonsgebonden budget (pgb) voor de zorgfuncties Ondersteunende begeleiding en Persoonlijke verzorging verleend. Bij besluit van 3 december 2009 heeft het Zorgkantoor het pgb met ingang van 1 januari 2009 beëindigd op de grond dat appellant zijn verplichtingen als budgethouder niet is nagekomen. Daarna heeft de moeder van appellant de verzorging van appellant thuis voor eigen rekening verricht.


1.2.

Op 3 mei 2012 heeft de bewindvoerder van appellant aan het Zorgkantoor verzocht om aan appellant een pgb voor Persoonlijke verzorging verlenen. Daarbij is als toelichting gegeven dat appellant dringend belang bij verlening van zorg door zijn moeder heeft en dat hij dag en nacht hulp nodig heeft, die niet kan worden geboden door middel van zorg in natura.


1.3.

Bij besluit van 1 oktober 2012 heeft het Zorgkantoor aan appellant meegedeeld dat aan hem geen pgb kan worden toegekend.


1.4.

Namens appellant heeft mr. Kouwenaar bij brief van 4 oktober 2012 bezwaar gemaakt tegen het besluit van 1 oktober 2012. In zijn brief van 14 december 2012 aan het Zorgkantoor verwijst mr. Kouwenaar naar zijn brief van 29 november 2012 aan het Zorgkantoor. Hij heeft in deze brief het Zorgkantoor meegedeeld dat uiterlijk op die dag een beslissing op bezwaar moet zijn genomen en hij heeft bij die brief tevens het Zorgkantoor in gebreke gesteld. Met ingang van 14 december 2012 maakt hij namens appellant op grond van artikel 4:17 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) aanspraak op een dwangsom.


1.5.

Bij besluit van 20 december 2012 (bestreden besluit) heeft het Zorgkantoor het bezwaar tegen het besluit van 1 oktober 2012 ongegrond verklaard. Daaraan heeft het Zorgkantoor ten grondslag gelegd dat appellant zich bij de verstrekking van een pgb over de jaren 2004, 2005 en 2009 niet heeft gehouden aan de daarbij opgelegde verplichtingen, zodat het Zorgkantoor op grond van artikel 2.6.4, eerste lid, aanhef en onder l, van de Regeling subsidies AWBZ (RsA) de verlening van een pgb heeft moeten weigeren. Bemiddeling naar zorg in natura is volgens het Zorgkantoor de beste oplossing. Verder heeft het Zorgkantoor zich op het standpunt gesteld dat hij geen dwangsom is verschuldigd, aangezien de ingebrekestelling op 14 december 2012 is ontvangen en de termijn van veertien dagen om op het bezwaar te beslissen, op die dag is aangevangen. De brief van 29 november 2012 is volgens het Zorgkantoor pas bij een faxbericht van 17 december 2012 in kopie ontvangen.


2. In de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard en daarbij onder andere het volgende overwogen. Het Zorgkantoor werpt appellant niet langer tegen dat voor het jaar 2009 een deel van het pgb niet juist is verantwoord. Nu evenwel niet in geschil is dat appellant over de jaren 2004 en 2005 niet heeft voldaan aan de bij de verstrekking van het pgb opgelegde verplichtingen, waardoor een vordering is ontstaan van € 15.382,51, heeft het Zorgkantoor, gelet op het bepaalde in artikel 2.6.4, eerste lid, aanhef en onder l, van de RsA, het gevraagde pgb moeten weigeren. De beroepsgrond dat het ontstaan van het probleem met de verantwoording over die jaren is gerepareerd door een bewindvoerder te benoemen, slaagt dan ook niet. Dat het appellant niet zou kunnen worden verweten dat hij destijds niet aan de verplichtingen heeft voldaan, omdat hij meervoudige beperkingen heeft, kan ook niet tot een ander oordeel leiden, aangezien in de toepasselijke wet- en regelgeving terzake geen hardheids- of uitzonderingsclausule is opgenomen. Verder is bij de toepassing van voormelde bepaling niet van belang of de zorg in natura kan worden verleend.


3. Appellant heeft de aangevallen uitspraak bestreden en het volgende aangevoerd. Hem kan niet worden verweten dat hij zich niet heeft gehouden aan de bij de verstrekking van een pgb over de jaren 2004 en 2005 opgelegde verplichtingen, nu hij meervoudig gehandicapt is. Appellant onderkent dat in de toepasselijke wet- en regelgeving geen hardheids- of uitzonderingsclausule is opgenomen, maar stelt zich op het standpunt dat de wet- en regelgeving zijn recht op gezondheid en gezondheidszorg schendt. Appellant wijst in dit verband op een door de Verenigde Naties (VN) in 2002 aangenomen resolutie. Volgens deze resolutie heeft een ieder recht op het genieten van de hoogst haalbare standaard van lichamelijke en geestelijke gezondheid. Alleen met een door zijn bewindvoerder aan te wenden pgb kan die hoogst haalbare standaard van lichamelijke en geestelijke gezondheid worden behaald. Uit een rapport van ’s Heeren Loo volgt dat verlening van zorg in natura aan appellant geen reële optie is. Tot slot verzoekt appellant te bepalen dat het Zorgkantoor hem een dwangsom is verschuldigd omdat te laat op zijn bezwaar is beslist. Al in zijn brief van

29 november 2012 heeft hij het Zorgkantoor in gebreke gesteld.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

In artikel 2.6.4, eerste lid, aanhef en onder l, van de Rsa is bepaald dat het zorgkantoor verlening van een persoonsgebonden budget weigert indien de verzekerde zich niet heeft gehouden aan bij de verstrekking van een eerder persoonsgebonden budget opgelegde verplichtingen.


4.2.

Tussen partijen is niet in geschil dat appellant zich niet heeft gehouden aan de bij de verstrekking van een pgb over de jaren 2004 en 2005 opgelegde verplichtingen. Dat betekent dat het Zorgkantoor op grond van voormelde bepaling gehouden was om de verlening van een pgb te weigeren. De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat de beroepsgrond van appellant dat hem van de schending van de opgelegde verplichtingen geen verwijt kan worden gemaakt omdat hij meervoudig gehandicapt is, niet tot een ander oordeel leidt. Gelet op het dwingendrechtelijk karakter van deze bepaling is namelijk niet van belang of de schending van de verplichtingen verwijtbaar is.


4.3.

Voor zover appellant betoogt dat het Zorgkantoor een pgb had moeten verlenen omdat de verlening van zorg in natura bij hem thuis door een zorginstelling niet mogelijk is, merkt de Raad nog het volgende op. Volgens de gedingstukken heeft het Zorgkantoor in de beroepsfase contact opgenomen met instanties die aan appellant zorg verlenen of hebben verleend. Uit contact met zorginstelling STMR is het Zorgkantoor gebleken dat die instelling zowel overdag als ’s nachts op geplande tijden en op oproep zorg kan verlenen. Uit het door appellant ingediende rapport van ’s Heeren Loo blijkt niet dat die zorg ondanks de mate en ernst van zijn handicap niet in natura zou kunnen worden verleend. Daargelaten de vraag of de door appellant genoemde resolutie (resolutie van de Mensenrechtencommissie van de VN van 22 april 2002, 2002/31) verbindende normen bevat, leidt het niet toekennen van een pgb daarom niet tot een situatie die in strijd kan worden geacht met die resolutie.


4.4.

De rechtbank heeft de door appellant aangedragen beroepsgrond dat het Zorgkantoor aan hem een dwangsom is verschuldigd buiten de beoordeling gelaten, omdat deze beroepsgrond te laat is voorgesteld. De Raad volgt niet het oordeel van de rechtbank dat appellant niet tijdig in beroep heeft aangevochten dat het Zorgkantoor bij het bestreden besluit geen dwangsom heeft toegekend. Met betrekking tot dit besluitonderdeel kan hem niet afzonderlijk de beroepstermijn worden tegengeworpen. Nu appellant deze grond ter zitting van de rechtbank heeft aangedragen en hierop van de kant van het Zorgkantoor inhoudelijk is gereageerd, heeft de rechtbank deze beroepsgrond ten onrechte niet inhoudelijk beoordeeld.


4.5.

Appellant heeft het college bij faxbericht van 29 november 2012 in gebreke gesteld. Appellant heeft de verzending van de ingebrekestelling aannemelijk gemaakt door het overleggen van het faxjournaal van 3 december 2012. Daarop staat vermeld dat appellant het faxbericht op 29 november om 17:04 uur naar het in gebruik zijnde nummer van het Zorgkantoor heeft verzonden. Er is geen aanleiding te twijfelen aan de juistheid van dit faxjournaal. Dit betekent dat vervolgens aan de orde is de vraag of het Zorgkantoor redenen naar voren heeft gebracht op grond waarvan de ontvangst van het faxbericht redelijkerwijs moet worden betwijfeld. De enkele omstandigheid dat het Zorgkantoor in reactie op het faxbericht van appellant van 14 december 2012, waarin appellant refereert aan het eerder verzonden faxbericht van 29 november 2012, stelt dat eerste faxbericht niet te hebben ontvangen is daartoe onvoldoende. Het moet er daarom voor worden gehouden dat het Zorgkantoor de per faxbericht verzonden ingebrekestelling van 29 november 2012 op die datum heeft ontvangen.


4.6.

Op grond van artikel 4:17, derde lid, van de Awb is de eerste dag waarop de dwangsom is verschuldigd, de dag waarop twee weken zijn verstreken na de dag waarop de termijn voor het geven van een beschikking is verstreken en het bestuursorgaan van de aanvrager een schriftelijke ingebrekestelling heeft ontvangen. Uitgaande van de verzending van het besluit van 1 oktober 2012 op diezelfde dag was ten tijde van de ingebrekestelling de termijn van zes weken voor het nemen van de beslissing op bezwaar verstreken. In aanmerking genomen dat het Zorgkantoor op 20 december 2012 op het bezwaar heeft beslist betekent dit dat het Zorgkantoor een dwangsom is verschuldigd van zeven dagen.


4.7.

Uit 4.4 tot en met 4.6 volgt dat het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen zal de Raad het beroep tegen het bestreden besluit van 20 december 2012 gegrond verklaren. Dit besluit is in strijd met artikel 4:17 van de Awb, voor zover het college heeft geoordeeld geen dwangsom verschuldigd te zijn. De Raad zal dit besluit in zoverre vernietigen. De Raad zal zelf in de zaak voorzien en de hoogte van de verbeurde dwangsom vaststellen op € 140,-.


5. De Raad ziet aanleiding om het Zorgkantoor te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze worden begroot op € 980,- in beroep en op € 980,- in hoger beroep voor verleende rechtsbijstand.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • - verklaart het beroep tegen het besluit van 20 december 2012 gegrond en vernietigt dat besluit voor zover daarbij is nagelaten een dwangsom toe te kennen aan appellant;
  • - bepaalt dat het college aan appellant een dwangsom verbeurt van € 140,- en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het besluit van 20 december 2012, voor zover vernietigd;
  • - veroordeelt het college in de proceskosten van appellant tot een bedrag van €1.960,-;
  • - bepaalt dat het college aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 160,- vergoedt.


De uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en M.F. Wagner en

G. van Zeben-de Vries als leden, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier.

De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 februari 2015.



(getekend) A.J. Schaap




(getekend) M.P. Ketting




TM