Centrale Raad van Beroep, 23-02-2015 / 13-1075 WIA-T


ECLI:NL:CRVB:2015:530

Inhoudsindicatie
Tussenuitspraak. Weigering IVA-uitkering. Duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid. Het Uwv heeft enkel gesteld dat behandeling van appellant zijn medische situatie zal verbeteren, maar heeft daarbij in het geheel niet inzichtelijk gemaakt of er reële behandelmogelijkheden voor appellant bestaan met het oog op de problematiek en welk mogelijk resultaat deze behandeling eventueel voor appellant kan hebben. Het bestreden besluit is onvoldoende gemotiveerd. De Raad geeft het Uwv opdracht het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-23
Publicatiedatum
2015-02-26
Zaaknummer
13-1075 WIA-T
Procedure
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/1075 WIA-T

Datum uitspraak: 23 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van 15 februari 2013, 11/1103 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant is hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 12 januari 2015. Namens appellant is verschenen mr. B. van Dijk, advocaat. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. A.I. Damsma.

OVERWEGINGEN

1.1.

Na verzekeringsgeneeskundig en arbeidskundig onderzoek heeft het Uwv bij besluit van 20 april 2011 vastgesteld dat voor appellant geen recht op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat hij met ingang van

14 juni 2011 minder dan 35% arbeidsongeschikt was. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is, onder verwijzing naar rapporten van de verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep, bij besluit van 27 september 2011 ongegrond verklaard.


1.2.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 27 september 2011. De rechtbank heeft psychiater dr. W.H.J. Mutsaers (hierna: Mutsaers) als deskundige benoemd. Naar aanleiding van zijn onderzoeksrapport van 15 mei 2012 heeft het Uwv het besluit van

27 september 2011 ingetrokken en het bezwaar van appellant bij besluit van 24 juli 2012 (bestreden besluit) alsnog gegrond verklaard. Daarbij heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant met ingang van 14 juni 2011 op grond van artikel 54 van de Wet WIA recht is ontstaan op een loongerelateerde uitkering in verband met Werkhervatting gedeeltelijk arbeidsgeschikten (WGA). Het Uwv heeft de mate van arbeidsongeschiktheid van appellant vastgesteld op 80 tot 100%.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het besluit van 27 september 2011 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3.1.

In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt dat sprake is van volledige en duurzame arbeidsongeschiktheid herhaald. Appellant wenst daarom in aanmerking te komen voor een uitkering in verband met de Inkomensverzekering voor volledig en duurzaam arbeidsongeschikten (IVA). Ter ondersteuning van dit standpunt heeft hij verwezen naar het rapport van Mutsaers. Vanwege diens overwegingen over loochening door appellant van zijn psychoproblematiek, een eerdere langdurige behandeling en gebrek aan ziekte-inzicht bij appellant moet danig getwijfeld worden aan de behandelmogelijkheden die de verzekeringsarts bezwaar en beroep voor appellant ziet. Appellant ziet die zelf niet en zal er vanwege zijn persoonlijkheidspathologie ook niet uit zichzelf aan beginnen. Voor zover behandeling wel ingezet zou kunnen worden, is het voorts de vraag of vanwege de persoonlijkheidspathologie van appellant een redelijke of goede verwachting bestaat dat verbetering van zijn belastbaarheid zal optreden, ook met betrekking tot de langere termijn. Een theoretische behandelmogelijkheid met een algemeen verwachtingspatroon voldoet volgens appellant niet aan het maatwerk dat geleverd moet worden bij de beoordeling in het kader van de IVA.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.


4. Het oordeel van de Raad over de aangevallen uitspraak.


4.1.

De Raad stelt vast dat het geschil tussen partijen alleen betreft de vraag of de volledige arbeidsongeschiktheid van appellant met ingang van 14 juni 2011 moet worden geacht tevens duurzaam te zijn in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, zodat appellant ingevolge artikel 47 van de Wet WIA recht heeft op een IVA-uitkering in plaats van de nu toegekende

WGA-uitkering.


4.2.

Volledig en duurzaam arbeidsongeschikt is volgens artikel 4, eerste lid, van de Wet WIA, hij die als rechtstreeks en objectief medisch vast te stellen gevolg van ziekte, gebrek en zwangerschap of bevalling duurzaam slechts in staat is om met arbeid ten hoogste 20% te verdienen van het maatmaninkomen per uur. Ingevolge het tweede lid wordt onder duurzaam verstaan een medisch stabiele of verslechterende situatie. Volgens het derde lid wordt onder duurzaam mede verstaan een medische situatie waarbij op lange termijn een geringe kans op herstel bestaat.


4.3.

De Raad heeft in zijn uitspraak van 4 februari 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BH1896, geoordeeld dat blijkens de wetsgeschiedenis de verzekeringsarts zich een oordeel dient te vormen over de duurzaamheid van de arbeidsongeschiktheid in de zin van artikel 4 van de Wet WIA, waarbij hij een inschatting dient te maken van de herstelkansen, in de zin van een verbetering van de functionele mogelijkheden van de betrokken verzekerde. Bij de vraag of er sprake is van duurzaamheid gaat het om een inschatting van de toekomstige ontwikkelingen van de arbeidsbeperkingen. Dit brengt mee dat de inschatting van de verzekeringsarts van de kans op herstel in het eerste jaar en daarna dient te berusten op een concrete en deugdelijke afweging van de feiten en omstandigheden die bij de betreffende individuele verzekerde aan de orde zijn. In het geval de inschatting van de kans op herstel berust op een (ingezette) medische behandeling, is een onderbouwing vereist die ziet op het mogelijke resultaat daarvan voor de individuele verzekerde.


4.4.

Aan deze laatste voorwaarde is in het onderhavige geval niet voldaan. De Raad acht daarbij het volgende van belang. Mutsaers heeft blijkens zijn rapport van 15 mei 2012 bij appellant de diagnosen agorafobische en claustrofobische klachten en verschijnselen bij een ernstige persoonlijkheidsstoornis met borderline en antisociale kenmerken vastgesteld. Bij het onderzoek valt het Mutsaers op dat appellant meent voor het verrichten van arbeid alleen maar afgekeurd te moeten worden wegens pijnklachten aan de rechterschouder, terwijl het huidige onderzoek van hem één grote manifestatie is van psychopathologische klachten en verschijnselen. Dit verschijnsel wordt loochening genoemd, te weten een primitieve afweervorm van psychische dan wel psychiatrische problematiek, die vaak bij ernstige persoonlijkheidspathologie gezien wordt. Een ander belangrijk afweerfenomeen bij appellant is die van externalisering, de zeer sterke neiging van appellant om de oorzaak van zijn innerlijke conflicten en problemen aan de buitenwereld toe te schrijven. Appellant is in de negentiger jaren langdurig (van 1991 tot 1998) forensisch psychiatrisch begeleid, waarbij melding is gemaakt van twee maal per week gesprekken met een psychiater. Appellant vermeldde daarover dat als het aan die psychiater lag, appellant dagelijks moest komen, maar dat hij dat zelf niet wilde. Hij ging er altijd opgefokt vandaan en sinds de behandeling is gestopt, is hij niet meer wie hij is geweest. Mutsaers heeft ten slotte vermeld, in reactie op de stelling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat appellant nooit gewag maakte van zijn klachten en er ook nooit behandeling voor zocht, dat appellant echter überhaupt nooit heeft willen of kunnen zien dat hij met (ernstige) psychopathologie kampt, laat staan dat hij daar ooit uit zichzelf behandeling voor heeft willen zoeken.


4.5.

Blijkens zijn rapporten van 5 juli 2012 en 23 mei 2013 heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep het standpunt ingenomen dat appellant na kennisname van de bevindingen van Mutsaers meer ziektebesef zal hebben gekregen en dat daarmee ook verwacht mag worden dat appellant aan zijn herstel gaat werken. Vooral de angstklachten zijn goed te behandelen met cognitieve gedragstherapie. Persoonlijkheidsproblematiek is over het algemeen moeilijker te behandelen en zal vaak langdurig zijn, maar ook hier geldt dat men kan leren omgaan met bepaalde aspecten van de persoonlijkheid. Voor beide behandelingen geldt dat verbetering van de belastbaarheid te verwachten is. Dat appellant nu nog geen behandeling volgt, is volgens de verzekeringsarts bezwaar en beroep vooral het gevolg van het beloop van de procedure, waarin pas op een later moment de psychische problematiek naar voren is gekomen.


4.6.

De Raad acht het standpunt van het Uwv, zoals vermeld in het rapport van zijn verzekeringsarts bezwaar en beroep, geen adequate reactie op de bevindingen van Mutsaers. Met name ontbreekt een gemotiveerde reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep op de door Mutsaers aangestipte problematiek van appellant met betrekking tot loochening, zijn beperkte ziekte-inzicht en inzicht in het nut en de noodzaak van een behandeling. Daarbij wijst de Raad op de samenhang met appellants ernstige persoonlijkheidsproblematiek, alsmede op de langdurige forensisch psychiatrische behandeling die appellant heeft gevolgd, waarbij getwijfeld kan worden of deze tot enige verbetering in appellants functioneren heeft geleid. Ook voor de stelling van de verzekeringsarts bezwaar en beroep dat het onderzoek van Mutsaers bij appellant zal hebben geleid tot meer ziekte-inzicht en wil tot herstel, ziet de Raad in de gedingstukken geen enkele aanwijzing. Het Uwv heeft enkel gesteld dat behandeling van appellant zijn medische situatie zal verbeteren, maar heeft daarbij in het geheel niet inzichtelijk gemaakt of er reële behandelmogelijkheden voor appellant bestaan met het oog op de genoemde problematiek en welk mogelijk resultaat deze behandeling eventueel voor appellant kan hebben als bedoeld in overweging 4.3. Om die reden acht de Raad het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd en komt het bestreden besluit, zoals het nu luidt, in aanmerking voor vernietiging wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).


5. Om te kunnen komen tot een finale beslechting van het geschil ziet de Raad aanleiding om met toepassing van artikel 8:51d van de Awb het Uwv opdracht te geven het gebrek in het bestreden besluit te herstellen. Daarbij zal het Uwv alsnog een verzekeringsgeneeskundig oordeel dienen te geven over de door Mutsaers geschetste problematiek met betrekking tot het al dan niet kunnen en willen volgen van een behandeling en indien die vraag positief beantwoord wordt, het mogelijke resultaat van een op verbetering van de functionele mogelijkheden gerichte behandeling, mede bezien in het licht van de ernstige persoonlijkheidsproblematiek van appellant.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen twaalf weken na verzending van deze tussenuitspraak de gebreken in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.



Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van D. van Wijk als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 23 februari 2015.




(getekend) C.P.J. Goorden




(getekend) D. van Wijk



IvR