Centrale Raad van Beroep, 23-02-2015 / 13-3131 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:538

Inhoudsindicatie
Geen recht op WIA-uitkering, omdat geen sprake is van toegenomen medische beperkingen. Appellant is er niet in geslaagd aan te tonen dat zijn beperkingen zijn toegenomen. De verzekeringsarts heeft op basis van een bij appellant verricht lichamelijk en psychisch onderzoek alsmede op basis van de informatie van de behandelend psychiater, overwogen dat geen sprake is van toegenomen beperkingen en heeft de FML van 2006, waarin beperkingen zijn aangenomen ten aanzien van persoonlijk functioneren, sociaal functioneren en dynamische handelingen, ongewijzigd van toepassing geacht. Geen aanknopingspunten de betrokken verzekeringsarts niet te volgen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-23
Publicatiedatum
2015-02-26
Zaaknummer
13-3131 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/3131 WIA

Datum uitspraak: 16 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

2 mei 2013, 12/2806 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant is door mr. D. van der Wal, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Appellant heeft bij brief van 9 december 2014 nadere medische stukken, waaronder een psychiatrische expertiserapport van 20 mei 2014, ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 januari 2015, waar de gemachtigde van appellant is verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.I. Damsma.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant is bekend met rugklachten en psychische klachten en heeft in verband daarmee van 1996 tot 1999 een arbeidsongeschiktheidsuitkering ontvangen. Op 5 maart 2004 is appellant voor zijn werkzaamheden als heftruckchauffeur uitgevallen als gevolg van een bedrijfsongeval en vervolgens ook psychische klachten. Bij besluit van 20 maart 2006 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant geen recht op een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) is ontstaan, omdat hij met ingang van

28 februari 2006 minder dan 35% arbeidsongeschikt is. Tegen dit besluit heeft appellant bezwaar gemaakt. Bij besluit van 16 augustus 2006 heeft het Uwv het bezwaar ongegrond verklaard. Daaraan ligt ten grondslag dat appellant met de bij hem bestaande beperkingen, zoals neergelegd in de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) van 29 juni 2006, in staat is te achten een vijftal functies te verrichten. Tegen dit besluit heeft appellant geen rechtsmiddel aangewend.


1.2.

Op 31 mei 2006 is appellant in dienst getreden bij [plaats] te [plaats] voor 24 uur per week, welke urenomvang per 1 december 2006 is uitgebreid naar 36 uur per week. Op

1 december 2007 is het dienstverband van appellant aangepast van 36 uur per week naar 20 uur per week.


1.3.

Op 24 januari 2012, aangevuld op 14 mei 2012, heeft appellant zich toegenomen arbeidsongeschikt gemeld omdat hij om medische redenen minder uren is gaan werken.


1.4.

Bij besluit van 18 juni 2012 heeft het Uwv vastgesteld dat voor appellant geen recht op een uitkering krachtens de Wet WIA is ontstaan, omdat in de periode tussen 28 februari 2006 en 5 juni 2012 geen sprake is (geweest) van toegenomen arbeidsongeschiktheid. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 22 oktober 2012 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3.1.

Appellant heeft in hoger beroep - samengevat - aangevoerd dat hij als gevolg van rug- en psychische klachten toegenomen arbeidsongeschikt is. Appellant acht zich in dit standpunt gesteund door de informatie van de bedrijfsarts van 14 januari 2013 en zijn behandelend psychiater S.M.E. Breukers, eveneens van 14 januari 2013. In hoger beroep heeft appellant ter onderbouwing van zijn standpunt nadere medische informatie van revalidatieartsen N.E. Land van 1 oktober 2013 en K.H. Woldendorp van 20 januari 2014 alsmede informatie van zijn behandelend psychiater P. de Mon van 25 april 2014 ingediend. Tevens heeft appellant een expertiserapport van psychiater G.E.A. de Waard van Psyon, gedateerd 20 mei 2014, in het geding gebracht.


3.2.

Het Uwv heeft verzocht om bevestiging van de aangevallen uitspraak.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Tussen partijen is in geschil of het Uwv terecht heeft vastgesteld dat voor appellant in de periode van 1 december 2007 (de datum waarom appellant minder uren is gaan werken) tot

28 februari 2011 (de datum waarop de vijfjaarstermijn is verstreken) geen recht op uitkering op grond van de artikelen 48, eerste lid, aanhef en onder b van de Wet WIA (IVA) en 55, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wet WIA (WGA) is ontstaan, omdat geen sprake is van toegenomen medische beperkingen. Daarbij zijn in dit geval het uitgangspunt de medische beperkingen die bestonden op 28 februari 2006, zijnde de eerste dag na de wachttijd, welke beperkingen zijn neergelegd in de FML van 29 juni 2006.


4.2.

Gelet op het beoordelingskader zoals vermeld onder 4.1 kan in het midden blijven het antwoord op de vraag of appellant als een medische afzakker is te beschouwen. Die vraag speelt immers alleen voor de vaststelling van de eerste arbeidsongeschiktheidsdag en de vaststelling van het maatmaninkomen. Deze vaststellingen zijn thans niet aan de orde. De Raad begrijpt deze beroepsgrond van appellant zo dat zijn beperkingen zijn toegenomen, meer in het bijzonder dat sprake is van een urenbeperking, omdat hij om medische redenen minder uren is gaan werken.


4.3.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant er niet in is geslaagd aan te tonen dat zijn beperkingen in de periode in geding zijn toegenomen. De psychische klachten en rugklachten waren al bekend ten tijde van de eerdere beoordeling, en zijn ook meegenomen bij het opstellen van de FML. De Raad is niet gebleken van een verergering van die klachten, die leiden tot een toename van de beperkingen. De rechtbank heeft met juistheid gewezen op de rapporten van de verzekeringsarts van 5 juni 2012 en de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 17 oktober 2012 en 11 februari 2013. Uit deze rapporten blijkt dat appellant bekend is met een lichte verstandelijke beperking, status na depressieve periode en aspecifieke chronische rugpijn. De verzekeringsarts heeft op basis van een bij appellant verricht lichamelijk en psychisch onderzoek alsmede op basis van de informatie van de behandelend psychiater van 2 februari 2012, overwogen dat geen sprake is van toegenomen beperkingen en heeft de FML van 29 juni 2006, waarin beperkingen zijn aangenomen ten aanzien van persoonlijk functioneren, sociaal functioneren en dynamische handelingen, ongewijzigd van toepassing geacht op de periode hier in geding. De verzekeringsarts bezwaar en beroep is tot dezelfde conclusie gekomen. Hij heeft daartoe gesteld dat het beeld van een licht verstandelijk beperkte man, die langdurig op zijn tenen heeft gelopen, steeds terugkomt en ook aannemelijk is, maar dat de medische gegevens geen aanleiding geven om de door appellant gestelde medische urenbeperking aan te nemen. Met de rechtbank ziet de Raad geen aanknopingspunten de betrokken verzekeringsartsen hierin niet te volgen. Evenmin ziet de Raad grond voor het oordeel dat voor appellant in december 2007 de medisch noodzaak bestond om zijn urenomvang bij [plaats] terug te brengen tot 20 uur per week. Dat in de periode van 1 december 2006 tot 1 december 2007 sprake is geweest van veel kortdurend ziekteverzuim, is hiervoor onvoldoende. Appellant heeft zijn standpunt niet met nadere (objectieve medische) bewijsmiddelen onderbouwd.


4.4.

Ook in hoger beroep heeft appellant geen medische gegevens overgelegd waaruit blijkt dat zijn gezondheidssituatie in de periode in geding als gevolg van dezelfde ziekteoorzaak is verslechterd en zijn medische beperkingen zijn toegenomen.


4.4.1.

De brief van behandelend psychiater De Mon, waarin is vermeld dat appellant wat zijn psychiatrische problematiek (dysthyme stoornis, persoonlijkheidsstoornis nao en een verstandelijke beperking) betreft gebaat is bij een goede dagstructuur, waarbij het hebben van een dagbesteding, waarin rekening wordt gehouden met zijn beperkingen en hij niet overvraagd wordt, van therapeutische waarde kan zijn, heeft betrekking op de psychische klachten van appellant in april 2014, zijnde meer dan drie jaar na de periode in geding.

Ook het psychiatrische expertiserapport van Psyon, waarin is vermeld dat bij appellant sprake is van een niet gespecificeerde aanpassingsstoornis en zwakbegaafdheid, heeft betrekking op de psychische klachten van appellant in april 2014, zijnde meer dan drie jaar na de periode in geding. Dit geldt eveneens voor de informatie van de revalidatieartsen Land en Woldendorp die betrekking heeft op de rugklachten van appellant.


4.4.2.

Uit de onder 4.4.1 genoemde medische informatie blijkt onvoldoende over de psychische en lichamelijk gezondheidssituatie van appellant ten tijde hier in geding. Voorts blijkt uit de stukken dat appellant op 3 december 2012 is uitgevallen voor zijn werk bij [plaats] gedurende 20 uur per week in verband met (toegenomen) lichamelijke en psychische klachten. Deze ziekmelding raakt evenwel niet de periode hier in geding.


4.4.3.

Daarom kan op grond van de in hoger beroep overgelegde medische informatie niet geconcludeerd worden dat in de periode in geding al sprake was van rugklachten en psychische klachten van zodanige aard of ernst dat die aanleiding hadden moeten geven meer beperkingen aan te nemen dan reeds in de FML van 29 juni 2006 waren vastgesteld.


4.5.

Gelet op hetgeen onder 4.1 tot en met 4.4.3 is overwogen dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van

J.R. van Ravenstein als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

16 februari 2015.




(getekend) I.M.J. Hilhorst-Hagen




(getekend) J.R. van Ravenstein




QH