Centrale Raad van Beroep, 24-02-2015 / 13-668 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:543

Inhoudsindicatie
Door het met terugwerkende kracht verlenen van een verblijfsvergunning door de staatssecretaris is het college wettelijke rente verschuldigd over de achteraf toegekende bijstand.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-24
Publicatiedatum
2015-02-26
Zaaknummer
13-668 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • ABkort 2015/104
  • NJB 2015/515
  • JWWB 2015/121
  • JB 2015/77
  • USZ 2015/108
Uitspraak

13/668 WWB, 13/669 WWB, 13/670 WWB, 14/1439 WWB

Datum uitspraak: 24 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van

20 december 2012, 12/1935 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante 1] (appellante 1), [appellante 2] (appellante 2) en [appellante 3] (appellante 3), allen te [woonplaats]

het college van burgemeester en wethouders van Utrecht (college)

PROCESVERLOOP

Namens appellanten heeft mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Appellanten hebben nadere stukken ingezonden, waaronder een besluit van het college van

23 april 2013. Appellanten hebben tegen dit besluit bezwaar gemaakt, waarop het college bij besluit van 18 juli 2013 heeft beslist. Appellanten hebben tegen het besluit van 18 juli 2013 beroep ingesteld bij de rechtbank. Dit beroepschrift is doorgezonden naar de Raad.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2015. Namens appellanten is verschenen mr. Cerezo-Weijsenfeld. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door E.J.W. Bruinsma.

OVERWEGINGEN

1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Aan de aangevallen uitspraak ontleent de Raad de volgende feiten, waarbij voor eiseres appellante 1 moet worden gelezen, voor [naam 1] appellante 2, voor [naam 2] appellante 3 en voor verweerder het college:


“Eiseres en haar op 17 juli 1996 geboren dochter [naam 1], beiden afkomstig uit Liberia en van Liberiaanse nationaliteit, verblijven sinds 25 maart 2002 in Nederland. Hun aanvragen voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd respectievelijk regulier voor bepaalde tijd zijn afgewezen. Zij hebben geen verblijfsvergunning. De op 12 april 2010 hier te lande geboren dochter [naam 2] heeft de Nederlandse nationaliteit. Op grond van de Wwb verstrekt verweerder aan [naam 2] (per 8 november 2011) maandelijks een totaalbedrag van € 703,97. Dit totaalbedrag omvat algemene bijstand ad € 263,97 per maand voor haar levensonderhoud en bijzondere bijstand ad € 440,- per maand voor noodzakelijke verblijfskosten. Eiseres woont samen met [naam 1] en [naam 2] in een gehuurde sloopwoning. De vader van [naam 2] is uit beeld en levert geen bijdrage in de kosten van bestaan van eiseres en haar beide dochters.”


1.2.

Appellanten 1 en 2 hebben op 8 november 2011 aanvragen om bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Bij afzonderlijke besluiten van 29 december 2011, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 18 april 2012 (bestreden besluit 1), heeft het college deze aanvragen afgewezen op de grond dat appellanten 1 en 2 geen rechtmatig verblijf in Nederland hebben en dus op grond van artikel 11, tweede en derde lid, van de WWB voor de toepassing van deze wet niet met een Nederlander gelijk kunnen worden gesteld.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit 1 ongegrond verklaard.


3. Bij besluit van 13 november 2012 heeft de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie (staatssecretaris) aan appellanten 1 en 2 een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd verleend voor de periode van 13 september 2012 tot 13 september 2013. In dit besluit heeft het college aanleiding gezien om appellante 1 bij besluit van 23 april 2013 over de periode van 8 november 2011 tot en met 8 juli 2013 bijstand te verlenen op grond van de WWB naar de norm voor een alleenstaande ouder. Bij beslissing op bezwaar van 18 juli 2013 heeft het college het besluit van 23 april 2013 in die zin gewijzigd dat de bijstand vanaf 13 september 2013 (lees: 8 juli 2013) wordt gecontinueerd. Het college heeft daarbij tevens geweigerd om de wettelijke rente te vergoeden over de na te betalen bijstand. Daaraan heeft het college het volgende ten grondslag gelegd. Voor de toepassing van artikel 11, tweede lid, van de WWB is het noodzakelijk dat de betrokkene rechtmatig in Nederland verblijft. De Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) is verantwoordelijk voor de verlening van een (geldige) verblijfsvergunning. De rol van het college hierin is lijdelijk. Het kan het college niet worden tegengeworpen dat alsnog met terugwerkende kracht een verblijfsvergunning aan appellante 1 en 2 is verleend. Daarom bestaat geen recht op vergoeding van de wettelijke rente, indien alsnog bijstand wordt verleend op grond van de verlening van een verblijfsvergunning over een reeds verstreken periode. Het ligt in de rede dat appellanten de Staat der Nederlanden (IND) daarop aanspreken.


4. Appellanten hebben zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd voor zover deze betrekking heeft op de besluiten van 29 december 2011.


5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


5.1.

Het besluit van 23 april 2013, zoals gewijzigd bij besluit van 18 juli 2013 (bestreden besluit 2), strekt tot wijziging van bestreden besluit 1. Aangezien appellanten nog een voldoende belang hebben bij de beoordeling van bestreden besluit 2, wordt dit besluit, gelet op het bepaalde in artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), mede in de beoordeling betrokken. Dat (proces)belang is gelegen in de afwijzing van het verzoek om vergoeding van renteschade.


5.2.

Gelet op het feit dat het college appellante 1 bij bestreden besluit 2 alsnog met ingang van 8 november 2011 bijstand heeft verleend, zal de Raad, onder vernietiging van de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, het beroep tegen bestreden besluit 1 gegrond verklaren en dit besluit vernietigen voor zover daarbij de bezwaren tegen de besluiten van 29 december 2011 ongegrond zijn verklaard. Tevens zal de Raad de besluiten van 29 december 2011 herroepen.


5.3.

Thans is uitsluitend nog in geschil de weigering van het college om de wettelijke rente te vergoeden over de na te betalen bijstand vanaf 8 november 2011. Deze nabetaling betreft het verschil tussen de alleenstaande oudernorm en de reeds betaalde algemene en bijzondere bijstand aan appellante 3.


5.4.

Het eerst achteraf met terugwerkende kracht verlenen van een verblijfsvergunning aan appellanten 1 en 2 door de secretaris kan niet zonder betekenis blijven voor de (rente)schade die appellanten lijden doordat eerst op een later moment bijstand is verleend. Door de verlening van bijstand met terugwerkende kracht met ingang van 8 november 2011 heeft het college erkend dat de eerdere weigering bijstand te verlenen achteraf bezien niet in stand kan blijven. De besluitvorming van de staatssecretaris dient daarom voor risico van het college te komen. Daaraan doet niet af dat, zoals het college naar voren heeft gebracht, het college er geen verwijt van kan worden gemaakt dat niet eerder tot verlening van bijstand is overgegaan. De Raad verwijst in dit verband naar zijn - aan het college voorgehouden - uitspraak van

8 oktober 2009, ECLI:NL:CRVB:2009:BK0507. In dat geval ging het om de aansprakelijkheid van de Sociale verzekeringsbank (Svb) voor schade voortvloeiend uit een besluit inzake de weigering van kinderbijslag, welk besluit door een onrechtmatig besluit van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen inzake de intrekking van een

WAO-uitkering, achteraf bezien, onjuist was. Tevens verwijst de Raad naar zijn in die uitspraak genoemde - en eveneens aan het college voorgehouden - uitspraak van 24 januari 2001, ECLI:NL:CRVB:2001:AA9616. In die uitspraak was de aansprakelijkheid van de Svb aan de orde ter zake van schade voortvloeiend uit een besluit dat door een wetswijziging met terugwerkende kracht, achteraf bezien, onrechtmatig was.


5.5.

De vertegenwoordiger van het college heeft ter zitting naar voren gebracht dat het college het niet eens is met de in 5.4 genoemde uitspraken, maar heeft geen steekhoudende argumenten aangedragen waarom de Raad de - op rechtspraak van de Hoge Raad gebaseerde - lijn van deze uitspraken in dit geval niet zou moeten volgen. Op de verplichting tot betaling van wettelijke rente, zoals geregeld in artikel 4:102, tweede lid, van de Awb is in het derde lid van dit artikel een uitzondering gemaakt en die uitzondering is in het geval van appellanten niet aan de orde.


5.6.

Uit 5.4 en 5.5 vloeit voort dat het college ten onrechte heeft geweigerd de wettelijke rente over de na te betalen bijstand te vergoeden. De Raad zal daarom het beroep tegen bestreden besluit 2 gegrond verklaren en dit besluit vernietigen voor zover het die weigering betreft. In aanmerking genomen dat appellanten in hoger beroep hebben verzocht het college te veroordelen tot vergoeding van schade, zal de Raad het college veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen bijstand. De wettelijke rente moet worden berekend overeenkomstig de uitspraak van de Raad van 25 januari 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BV1958.


6.1.

Appellanten 1 en 2 hebben verzocht om vergoeding van de kosten die zij in verband met de behandeling van hun bezwaren tegen de besluiten van 29 december 2011 hebben moeten maken.


6.2.

Ingevolge artikel 7:15, tweede lid, eerste volzin, van de Awb worden de kosten die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.


6.3.

Nu de besluiten van 29 december 2011 niet zijn herroepen wegens aan het college te wijten onrechtmatigheid, maar als gevolg van de omstandigheid dat aan appellanten 1 en 2 op 13 november 2012 een vergunning tot verblijf is verleend, heeft het college het verzoek om vergoeding van de kosten in bezwaar terecht afgewezen (vergelijk de uitspraak van de Raad van 26 juni 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BX0187).


7. Aanleiding bestaat om het college te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op in totaal € 2.450,- (5 punten á € 490,- per punt) voor verleende rechtsbijstand (1 punt indienen beroepschrift tegen bestreden besluit 1, 1 punt bijwonen zitting rechtbank, 1 punt indienen hoger beroepschrift, 1 punt bijwonen zitting Raad en 1 punt beroepschrift tegen het besluit van 18 juli 2013).

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;

- verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 18 april 2012 voor zover daarbij

de bezwaren tegen de besluiten van 29 december 2011 ongegrond zijn verklaard;

- herroept de besluiten van 29 december 2011 en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de

plaats treedt van het vernietigde gedeelte van het besluit van 18 april 2012;

- verklaart het beroep tegen het besluit van 23 april 2013, zoals gewijzigd bij besluit van

18 juli 2013, gegrond en vernietigt dat besluit voor zover daarbij geweigerd is wettelijke

rente te vergoeden over de na te betalen bijstand;

- veroordeelt het college tot vergoeding van de wettelijke rente over de na te betalen bijstand

zoals onder 5.6 is weergegeven;

- veroordeelt het college tot vergoeding van de proceskosten van appellanten in beroep en in

hoger beroep tot een bedrag van € 2.450,-;

- bepaalt dat het college aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht

van in totaal € 157,- vergoedt.



Deze uitspraak is gedaan door J.F. Bandringa als voorzitter en W.F. Claessens en

C.H. Rombouts als leden, in tegenwoordigheid van M.S. Boomhouwer als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2015.



(getekend) J.F. Bandringa




(getekend) M.S. Boomhouwer




HD