Centrale Raad van Beroep, 25-02-2015 / 13-1883 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:546

Inhoudsindicatie
Loonsanctie. Onvoldoende re-integratie-inspanningen. De bedrijfsarts heeft ten onrechte geen benutbare mogelijkheden bij werkneemster aangenomen. De toekenning van een WIA-uitkering aan werkneemster per 17 februari 2013 kan niet tot de conclusie leiden dat appellante een deugdelijke grond had om geen re-integratie-inspanningen te verrichten, omdat de toekenning van een dergelijke uitkering achteraf heeft plaatsgevonden op basis van andere beoordelingsmaatstaven dan hier aan de orde.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-25
Publicatiedatum
2015-02-26
Zaaknummer
13-1883 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/1883 WIA

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

28 februari 2013, 12/1054 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [vestigingsplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

Datum uitspraak: 25 februari 2015

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. ing. E. Oostra hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2015. Appellante is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

W.R. Bos.

OVERWEGINGEN


1.1.

[G.] (werkneemster) is op 23 februari 2010 ten gevolge van vermoeidheid, pijn- en gewrichtsklachten uitgevallen voor haar werk als directiesecretaresse bij appellante.


1.2.

Appellante heeft op 23 augustus 2011 bij het Uwv een deskundigenoordeel aangevraagd over de re-integratie-inspanningen. Bij brief van 27 september 2011 heeft het Uwv appellante op de hoogte gesteld van het oordeel dat de re-integratie-inspanningen voor werkneemster tot dat moment onvoldoende zijn geweest.


1.3.

Werkneemster heeft op 18 november 2011 een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) aangevraagd.


1.4.

Naar aanleiding van de WIA-aanvraag is werkneemster onderzocht door een verzekeringsarts, die in haar rapport van 6 januari 2012 heeft geconcludeerd dat de bedrijfsarts ten onrechte geen benutbare mogelijkheden bij werkneemster heeft aangenomen. Bij besluit van 11 januari 2012 heeft het Uwv het tijdvak waarover werkneemster jegens appellante recht heeft op loon tijdens ziekte verlengd met 52 weken tot 17 februari 2013, omdat appellante niet voldoende heeft gedaan om werkneemster te re-integreren. Het Uwv heeft hierbij verwezen naar een rapport van een arbeidsdeskundige van 9 januari 2012.


1.5.

Bij besluit van 23 maart 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 11 januari 2012 ongegrond verklaard. Aan het bestreden besluit heeft het Uwv rapporten van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van

12 maart 2012 en een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 15 maart 2012 ten grondslag gelegd.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank vastgesteld dat in het onderhavige geval geen bevredigend resultaat in de zin van de Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (vastgesteld bij besluit van het Uwv van 3 december 2002, Stct 2002/236, laatstelijk gewijzigd bij besluit van 17 oktober 2006, Stct 2006/224) is bereikt omdat werkhervatting door werkneemster is uitgebleven. De rechtbank heeft vervolgens overwogen dat de verzekeringsarts heeft vastgesteld dat er weliswaar beperkingen voor werkneemster bestaan, maar dat zij met deze beperkingen wel belastbaar is en dat de arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat de re-integratie-inspanningen van appellante onvoldoende zijn geweest omdat werkneemster niet werkt en er geen re-integratieactiviteiten zijn opgestart, terwijl werkneemster wel arbeidsmogelijkheden heeft. De verzekeringsarts bezwaar en beroep en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep hebben vervolgens ingestemd met de conclusies van de verzekeringsarts en van de arbeidsdeskundige. De rechtbank heeft de medische en arbeidskundige motivering van het bestreden besluit onderschreven en overwogen dat appellante geen (nieuwe) (medische) informatie heeft ingebracht op grond waarvan zou moeten worden geconcludeerd dat het standpunt van de verzekeringsarts(en) en arbeidsdeskundige(n) onjuist is. Dat de twee door appellante ondernomen

re-integratiepogingen niet zijn geslaagd, omdat werkneemster de werkzaamheden niet aankon, kan naar het oordeel van de rechtbank niet afdoen aan het standpunt van het Uwv dat uit de beschikbare medische gegevens blijkt dat werkneemster, met haar beperkingen, wel belastbaar is. Het betoog van appellante dat haar geen verwijt treft, omdat zij steeds de aanwijzingen en adviezen van de bedrijfsarts heeft gevolgd voor wat betreft de mate van belastbaarheid van werkneemster, heeft de rechtbank, onder verwijzing naar uitspraken van de Raad van 18 november 2009 (ECLI:NL:CRVB:2009:BJ3713) en van 15 augustus 2012 (ECLI:NL:CRVB:2012:BX4606), niet gevolgd nu uit voornoemde uitspraken volgt dat de werkgever (eind)verantwoordelijk is voor de re-integratie van zieke werknemers en dat werkgever en werknemer verantwoordelijk zijn voor de kwaliteit van de geleverde diensten door ingeschakelde deskundigen. Dat appellante het oordeel van de door haar ingeschakelde deskundige heeft gevolgd betekent niet dat zij daarom niet aansprakelijk is voor de mogelijke tekortkomingen daarvan. De rechtbank is tot het oordeel gekomen dat het Uwv terecht en op goede gronden heeft vastgesteld dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht en vervolgens heeft kunnen besluiten tot verlenging van de loondoorbetalingsverplichting tot 17 februari 2013.


3.1.

Appellante heeft (samengevat) in hoger beroep, onder verwijzing naar het beroepschrift, gesteld dat de rechtbank onvoldoende waarde heeft gehecht aan de re-integratie-inspanningen van appellante en dat de rechtbank ten onrechte het oordeel van het Uwv over het ziektebeeld van werkneemster heeft gevolgd. Ter motivering van haar standpunten heeft appellante gewezen op een besluit van het Uwv van 6 maart 2013, waarbij aan werkneemster met ingang van 17 februari 2013 een loongerelateerde WGA-uitkering is toegekend.


3.2.

Het Uwv heeft in zijn verweerschrift verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.


4. De Raad oordeelt als volgt.


4.1.

Gezien de standpunten van partijen is in hoger beroep in geschil of het Uwv terecht het tijdvak waarin werkneemster recht heeft op loon tijdens ziekte met 52 weken heeft verlengd. Daarbij spitst het geschil zich toe op de vraag of aan de zijde van appellante sprake is geweest van onvoldoende re-integratie-inspanningen als bedoeld in artikel 25, negende lid, van de Wet WIA.


4.2.

Voor het van toepassing zijnde wettelijk kader wordt verwezen naar wat de rechtbank hieromtrent in de overwegingen 2 tot en met 4 van de aangevallen uitspraak heeft vermeld.


4.3.

Met de rechtbank wordt geoordeeld dat appellante onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. De eerst na het deskundigenoordeel van 27 september 2011 ondernomen, kortstondige, poging tot re-integratie van werkneemster in aangepast eigen werk maakt dit niet anders nu ten onrechte nagelaten is om, na mislukking van deze hervatting, te onderzoeken of re-integratie in ander werk mogelijk was. De Raad onderschrijft het oordeel en de daaraan ten grondslag liggende overwegingen van de rechtbank en maakt die tot de zijne. Ook in hoger beroep is door appellante geen (nieuwe) (medische) informatie overgelegd, die aanleiding geeft voor een andersluidend oordeel.


4.4.

Uit vaste rechtspraak van de Raad, zie bijvoorbeeld de uitspraak van 20 maart 2013 (ECLI:NL:CRVB:2013:BZ4864), volgt dat de toekenning van een WIA-uitkering aan werkneemster per 17 februari 2013 niet tot de conclusie kan leiden dat appellante een deugdelijke grond had om geen re-integratie-inspanningen te verrichten, omdat de toekenning van een dergelijke uitkering achteraf heeft plaatsgevonden op basis van andere beoordelingsmaatstaven dan hier aan de orde. Daarbij wordt nog opgemerkt dat uit het gegeven dat bij de toekenning van de WGA-uitkering een mate van arbeidsongeschiktheid van werkneemster is berekend van 43,04%, blijkt dat werkneemster benutbare mogelijkheden had.


4.5.

Gelet op wat in 4.1 tot en met 4.4 is overwogen slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.


5. Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en M. Greebe en

J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2015.




(getekend) J.S. van der Kolk




(getekend) J.C. Hoogendoorn






nk