Centrale Raad van Beroep, 25-02-2015 / 14-2012 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:551

Inhoudsindicatie
Weigering WIA-uitkering: minder dan 35% arbeidsongeschikt. Zorgvuldige medische beoordeling. Aangepaste FLM in bezwaar. Geschiktheid functies.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-25
Publicatiedatum
2015-02-26
Zaaknummer
14-2012 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/2012 WIA

Datum uitspraak: 25 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Noord-Nederland van

17 februari 2014, 13/368 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellante heeft mr. E. van Wolde, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens appellante is een nader stuk in het geding gebracht, waarop het Uwv heeft gereageerd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2015. Appellante en haar gemachtigde zijn, met bericht, niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door W.R. Bos.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellante is op 30 december 2010 uitgevallen voor haar werkzaamheden als medewerkster thuishulp vanwege schouderklachten en psychische klachten.


1.2.

Bij besluit van 8 november 2012 heeft het Uwv geweigerd appellante per

27 december 2012 in aanmerking te brengen voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), omdat zij per die datum minder dan 35% arbeidsongeschikt is geacht.


1.3.

Bij besluit van 13 maart 2013 (bestreden besluit) is het bezwaar gericht tegen het besluit van 8 november 2012 ongegrond verklaard.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft in de overgelegde medische stukken en in hetgeen door appellante is aangevoerd geen aanknopingspunten kunnen vinden voor het oordeel dat de medische beperkingen van appellante niet juist zijn vastgesteld. De rechtbank acht in de door appellante aangedragen argumenten onvoldoende termen aanwezig om te twijfelen aan de juistheid en zorgvuldigheid waarmee de medische motivering van de verzekeringsartsen tot stand is gekomen. Daarnaast is volgens de rechtbank niet gebleken dat de in geding zijnde beoordeling van de arbeidsongeschiktheid, wat het arbeidskundig aspect betreft, niet op inhoudelijk goede gronden dan wel op onzorgvuldig onderzoek zou berusten.


3. In hoger beroep voert appellante, onder verwijzing naar een brief van reumatoloog/internist E. Brouwer van 9 juni 2014, aan dat haar fysieke klachten voortkomen uit de bij haar op

22 april 2014 vastgestelde diagnose reumatoïde artritis. Hieruit vloeien meer beperkingen voort dan het Uwv heeft aangenomen. Wat betreft haar psychische klachten merkt appellante op in het verleden nooit hulp te hebben gezocht en eerst in 2013, op aanraden van de fysiotherapeut, een psycholoog te hebben ingeschakeld. Appellante acht zich ten slotte niet geschikt om de geselecteerde functies uit te oefenen, nu zij niet in staat is om schriftelijke instructies, schetsen, werkorders of formulieren te lezen. Hierbij merkt appellante op dat zij vanaf jonge leeftijd slechts als schoonmaakster heeft gewerkt, waarbij het steeds om dezelfde werkzaamheden ging en waaraan geen instructies te pas kwamen.



4. De Raad oordeelt als volgt.


4.1.

In hoger beroep heeft appellante de in eerdere fasen van de procedure naar voren gebrachte gronden en argumenten in essentie herhaald. Deze kunnen niet tot een ander oordeel leiden dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank.


4.2.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat de medische beoordeling door het Uwv zorgvuldig is geweest. Zowel de primaire verzekeringsarts (22 oktober 2012) als de verzekeringsarts bezwaar en beroep (11 maart 2013) hebben appellante onderzocht en de in het dossier aanwezige gegevens bestudeerd. Laatstgenoemde verzekeringsarts heeft kennis genomen van de in bezwaar verkregen medische gegevens van de behandelend sector en hierin aanleiding gezien om extra beperkingen aan te nemen op het vlak van persoonlijk en sociaal functioneren, dynamische handelingen, statische houdingen en werktijden. De Functionele Mogelijkhedenlijst is door hem op deze onderdelen gewijzigd. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft vervolgens in zijn rapporten van 27 mei 2013,

10 juni 2013 en 25 oktober 2013 gereageerd op de in beroep door appellante ingebrachte stukken. Door hem is onder meer geconcludeerd dat de door appellante bezochte psycholoog haar eerst na de datum in geding heeft gezien, dat er gelet op het dagverhaal van appellante geen argument bestaat om beperkingen voor het oog aan te nemen en dat een deel van de door appellante genoemde problemen niet vallen onder beperkingen als gevolg van medisch objectiveerbare ziekten/gebreken.


4.3.

Aan de door appellante in hoger beroep overgelegde brief van de reumatoloog/internist kan niet die waarde worden gehecht die appellante daaraan wenst te hechten. In de nadere reactie van de verzekeringsarts bezwaar en beroep van 21 juli 2014 is er terecht op gewezen dat de brief is gebaseerd op een eerste consult op 17 april 2014, dus 16 maanden na de datum in geding, en het daarnaast niet enkel gaat om de ziekte (diagnose), maar met name om de gevolgen daarvan in termen van functionele mogelijkheden voor arbeid.


4.4.

De Raad kan zich ook verenigen met het oordeel van de rechtbank dat de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep afdoende heeft gemotiveerd dat appellante in staat is de (nieuw) geselecteerde functies te vervullen. De rechtbank heeft hierbij verwezen naar het rapport van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 28 oktober 2013, waarin, mede onder verwijzing naar het eerdere rapport van 12 maart 2013, onder meer is geconcludeerd dat appellante sinds 1997 actief is op de Nederlandse arbeidsmarkt, zij een cursus verzorgende en een cursus SVS met goed gevolg heeft afgerond en er derhalve geen aanleiding bestaat om de eenvoudige productiefuncties te laten vervallen.


4.5.

Uit hetgeen is overwogen onder 4.1 tot en met 4.4 volgt dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling is geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris als voorzitter en E.W. Akkerman en

D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2015.



(getekend) A.I. van der Kris




(getekend) B. Fotchind





JL