Centrale Raad van Beroep, 25-02-2015 / 14-2727 WIA


ECLI:NL:CRVB:2015:552

Inhoudsindicatie
Loonsanctie. Onvoldoende re-integratie-inspanningen.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-25
Publicatiedatum
2015-02-26
Zaaknummer
14-2727 WIA
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • XpertHR.nl 2015-413251
Uitspraak

14/2727 WIA

Datum uitspraak: 25 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

2 april 2014, 12/6315 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

de Raad van bestuur van het Academisch Medisch Centrum te Amsterdam (belanghebbende)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. R.J. Ouderdorp, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Namens belanghebbende heeft mr. A.C. Siemons, advocaat, een schriftelijke uiteenzetting ingestuurd.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgehad op 14 januari 2015. Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Ouderdorp. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. C. Roele. Belanghebbende heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Siemons, bijgestaan door prof. dr. J.A.C. Spaan, werkzaam bij het Academisch Medisch Centrum.

OVERWEGINGEN


1. Bij besluit van 29 september 2011 heeft het Uwv het tijdvak waarin appellant jegens belanghebbende als werkgever (AMC) recht heeft op loon tijdens ziekte, verlengd met

52 weken. Die verlenging - ook wel loonsanctie genoemd - is opgelegd in aansluiting op de afloop van de wachttijd van 104 weken als bedoeld in artikel 23, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Volgens het Uwv zijn de re-integratie-inspanningen van het AMC onvoldoende geweest en ontbreekt voor dat verzuim een deugdelijke grond. Het Uwv heeft daarbij toepassing gegeven aan artikel 25, negende lid, van de Wet WIA, in verbinding met artikel 65 van de Wet WIA. Op 24 oktober 2011 heeft het AMC bij het Uwv een verzoek ingediend tot bekorten van de loonsanctie. Bij besluit van

10 november 2011 heeft het Uwv dat verzoek afgewezen, omdat het AMC de tekortkoming(en) nog niet heeft hersteld. Het AMC heeft tegen de besluiten van

29 september 2011 en van 10 november 2011 bezwaar gemaakt. Bij besluit van

15 november 2012 (bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd een rapport van een verzekeringsarts bezwaar en beroep van 1 november 2012 en een rapport van een arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van

14 november 2012.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, de besluiten van 29 september 2011 en van 10 november 2011 herroepen en haar uitspraak daarvoor in de plaats gesteld. Tevens heeft de rechtbank bepalingen over een proceskostenveroordeling en vergoeding van griffierecht gegeven. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat appellant niet gedurende de volledige periode van 6 november 2009 tot 29 september 2011 belastbaar is geweest, maar dat hiervan slechts sprake was in de periode van 10 maart 2010 tot 13 juni 2010 en in de periode vanaf 11 juli 2011. Volgens de rechtbank heeft het Uwv niet aannemelijk gemaakt dat het AMC in deze perioden onvoldoende re-integratie-inspanningen heeft verricht. Daartoe heeft zij overwogen dat appellant in de eerste periode waarin hij belastbaar was in het kader van de re-integratie werkzaamheden in de functie van laserveiligheidsfunctionaris binnen het AMC heeft verricht. In de tweede periode heeft het AMC de re-integratie van appellant zowel in het eerste als in het tweede spoor opgepakt. Volgens de rechtbank heeft het AMC zijn verantwoordelijkheid als werkgever voor de re-integratie van appellant genomen door op regelmatige basis de belastbaarheid van appellant te laten beoordelen door de bedrijfsarts en het contact met appellant te blijven zoeken. De rechtbank was van oordeel dat het Uwv niet aannemelijk heeft gemaakt dat er verwijtbaar kansen zijn gemist en ten onrechte ervan is uitgegaan dat het AMC niet in redelijkheid tot de verrichtte re-integratie-inspanningen heeft kunnen komen. Het Uwv heeft volgens de rechtbank het AMC dus ten onrechte een loonsanctie opgelegd.


3. In hoger beroep heeft appellant de juistheid van de uitspraak van de rechtbank betwist. Volgens appellant zijn er wel re-integratiekansen gemist die het AMC zijn te verwijten. Hij heeft daartoe naar voren gebracht dat van het AMC mocht worden verwacht dat deze na afloop van het eerste ziektejaar, en in ieder geval vanaf juni 2011, re-integratieactiviteiten in het tweede spoor ging verrichten. In dat verband heeft het AMC slechts functies aangedragen en geen passende werkzaamheden voor appellant gezocht. Bovendien heeft het door het AMC ingeschakelde re-integratiebureau ProActief hem geen enkele begeleiding gegeven naar een passende functie. Appellant is van mening dat het AMC re-integratiekansen heeft gemist door zich niet actief op te stellen. Het AMC had zich er hard voor moeten maken dat appellant de werkzaamheden als laserveiligheidsdeskundige kon blijven verrichten dan wel dat hij zou worden geplaatst in de functie van senior stafadviseur. Tot slot heeft appellant naar voren gebracht dat het AMC hem in het re-integratieproces heeft tegengewerkt door hem - in het kader van de herplaatsingsprocedure na reorganisatie - ten onrechte een berisping op te leggen.


4. Het Uwv heeft in de aangevallen uitspraak berust. In zijn verweerschrift heeft hij aangegeven dat thans het standpunt wordt ingenomen dat het AMC heeft mogen vertrouwen op het door het Uwv op 11 juli 2011 gegeven deskundigenoordeel. Bovendien kan niet aannemelijk worden gemaakt dat er in redelijkheid meer re-integratie-inspanningen van het AMC hadden mogen worden verwacht. Volgens het Uwv was er voor het AMC geen aanleiding om op een eerder moment het tweede spoor in te zetten, omdat alle re-integratie-inspanningen volledig waren gericht op re-integratie bij de eigen werkgever en dit ook de voorkeur van appellant had. Aangezien de loonsanctie destijds ten onrechte is opgelegd, heeft het Uwv verzocht de aangevallen uitspraak te bevestigen.


5. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


5.1.

Voor het in deze zaak van toepassing zijnde wettelijke kader wordt verwezen naar overweging 2 van de aangevallen uitspraak.


5.2.

In de ook in de aangevallen uitspraak vermelde Beleidsregels beoordelingskader poortwachter (Besluit van 3 december 2002, Stcrt. 2002, 236, gewijzigd bij besluit van

17 oktober 2006, Stcrt. 2006, 224) (Beleidsregels) wordt de evaluatie na het eerste

ziektejaar - het zogeheten opschudmoment - aangemerkt als een belangrijk moment. Wanneer op dat moment mocht blijken dat de re-integratie in het eigen bedrijf nog geen resultaten heeft opgeleverd, dan mag worden verwacht dat werkgever en werknemer - naast de wellicht nog lopende activiteiten voor re-integratie in het eigen bedrijf - tevens voorbereidingen starten met het oog op re-integratie bij een andere werkgever. Re-integratie-activiteiten met het oog op werk bij een andere werkgever kunnen slechts achterwege blijven als er nog concreet perspectief bestaat op hervatting in het eigen bedrijf.


5.3.

Uit de rapporten van de arbeidsdeskundige van 27 september 2011 en de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep van 14 november 2012 komt overtuigend naar voren dat de re-integratie-inspanningen van het AMC onvoldoende zijn geweest. Het AMC heeft niet inzichtelijk kunnen maken welk aanbod hij appellant in het kader van de re-integratie heeft gedaan dat was gericht op een structurele en duurzame re-integratie. Weliswaar was appellant in 2010 weer aan het re-integreren in de tijdelijke functie van laserveiligheidsdeskundige, maar gelet op de tijdelijkheid was die plaatsing niet op een duurzame re-integratie gericht. Ook heeft het AMC niet kunnen aangeven waarom verdergaande re-integratie in het eerste spoor niet mogelijk was. Dat appellant in juni 2010 weer arbeidsongeschikt is geworden heft de daaraan voorafgaande te beperkte inspanningen niet op.


5.4.

Appellant is met ingang van 6 juli 2011 voor twee dagen per week weer arbeidsgeschikt geacht, waarna er vervolgens noch in het eerste spoor noch in het tweede spoor opnieuw voortvarend re-integratie-inspanningen zijn opgestart. Appellant is pas voor een eerste gesprek met een door het AMC ingeschakeld re-integratiebureau uitgenodigd voor 29 november 2011.


5.5.

Met betrekking tot het standpunt van het AMC dat appellant stelselmatig geprobeerd heeft om het re-integratieproces te vertragen, wordt gewezen op wat in de Beleidsregels daarover is vermeld. Indien een werknemer niet of onvoldoende meewerkt aan zijn

re-integratie mag van de werkgever worden verwacht dat hij gebruik maakt van de sanctiemogelijkheden om de werknemer alsnog tot meewerken te bewegen. Niet is gebleken dat het AMC in het kader van de re-integratie in de ter beoordeling staande periode gebruik heeft gemaakt van zijn mogelijkheid om appellant een sanctie op te leggen of dat het AMC voor dat nalaten een deugdelijke grond heeft. Dat in het deskundigenoordeel van 11 juli 2011 is vermeld dat het niet voldoende meewerken van appellant hem niet kon worden verweten, levert in ieder geval voor de periode daarna, geen verontschuldiging op voor het AMC.


5.6.

Uit de gedingstukken en het besprokene ter zitting is voldoende gebleken dat het AMC weliswaar herhaaldelijk met appellant heeft gesproken over re-integratiemogelijkheden, maar dat, zeker vanaf juli 2011, geen adequate en voortvarende re-integratie-inspanningen zijn verricht om de bestaande stagnatie te doorbreken.


5.7.

Op grond van 5.2 tot en met 5.6 wordt geoordeeld dat appellant zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat het AMC zich minder re-integratie-inspanningen heeft getroost dan in redelijkheid van hem mocht worden verwacht. De Raad onderschrijft de stelling van appellant dat het Uwv bij het bestreden besluit, dat door de rechtbank is vernietigd, op goede gronden zijn beslissing om aan het AMC een loonsanctie op te heffen had gehandhaafd.


6. Het hoger beroep slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Het beroep van het AMC tegen het bestreden besluit zal de Raad ongegrond verklaren.


7. Er bestaat aanleiding om het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellant voor rechtsbijstand in hoger beroep van € 980,- alsmede in de reiskosten van appellant van € 13,-.








BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep


  • - vernietigt de aangevallen uitspraak;
  • - verklaart het beroep ongegrond;
  • - veroordeelt het Uwv in de proceskosten van appellant voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep tot een bedrag van € 980,-;
  • - bepaalt dat het Uwv de reiskosten van appellant van € 13,- vergoedt;
  • - bepaalt dat het Uwv het door appellant betaalde griffierecht van € 164,- vergoedt.


Deze uitspraak is gedaan door J.S. van der Kolk als voorzitter en M. Greebe en

J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van J.C. Hoogendoorn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2015.




(getekend) J.S. van der Kolk




(getekend) J.C. Hoogendoorn





NK