Centrale Raad van Beroep, 25-02-2015 / 14-2919 WIA-T


ECLI:NL:CRVB:2015:553

Inhoudsindicatie
Weigering WIA-uitkering: minder dan 35% arbeidsongeschikt. De Raad is van oordeel dat het Uwv niet overtuigend heeft gemotiveerd waarom met de(ze) nuancering (bij de beperking op item 1.9.8. (hoog handelingstempo)) recht is gedaan aan de conclusie ... dat appellant is aangewezen op werk waarin geen hoog handelingstempo vereist is als gevolg van een gebrek aan aandrift. Mede in het licht van de overweging van Van Eck over aandriftverlies en zijn verwijzing naar de toelichting bij item 1.9.8 van de FML in de ‘Basisinformatie CBBS’ betreffende depressie en aandriftverlies dient ervan uitgegaan te worden dat door appellant in werk geen hoog handelingstempo kan worden gerealiseerd. Opdracht tot herstel gebrek.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-25
Publicatiedatum
2015-02-26
Zaaknummer
14-2919 WIA-T
Procedure
Tussenuitspraak bestuurlijke lus
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

14/2919 WIA-T

Datum uitspraak: 25 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Tussenuitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

14 april 2014, 10/4101 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. E. van den Bogaard, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2015.

Appellant is verschenen, bijgestaan door mr. Van den Bogaard. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. Z. Seyban.

OVERWEGINGEN


1.1.

Appellant is op 28 september 2007 uitgevallen voor zijn werkzaamheden als medewerker bij de Dienst Persoonsgegevens van de gemeente Amsterdam vanwege rugklachten.


1.2.

Op 28 september 2009 heeft appellant een aanvraag gedaan voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA). Bij besluit van 5 februari 2010 heeft het Uwv vastgesteld dat er geen recht op uitkering ingevolge de Wet WIA is ontstaan omdat appellant op 25 september 2009, zijnde het einde van de geldende wachttijd, voor minder dan 35% arbeidsongeschikt wordt geacht. Het bezwaar van appellant tegen dit besluit is bij besluit van 16 juli 2010 (bestreden besluit) ongegrond verklaard. Aan de ontzegging van de uitkering ligt ten grondslag dat appellant in staat wordt geacht om met zijn mogelijkheden en beperkingen in voor hem geschikte gangbare functies een zodanig inkomen te verwerven, dat de mate van arbeidsongeschiktheid minder bedraagt dan 35%.


2.1.

Appellant heeft beroep ingesteld tegen het besluit van 16 juli 2010. De rechtbank heeft aanleiding gezien psychiater J.P.A. van Eck als deskundige te benoemen voor het instellen van een onderzoek. Van Eck heeft in zijn rapport van 31 juli 2013 vermeld dat appellant op 25 september 2009 beperkingen had als gevolg van depressieve klachten en klachten die passen bij een posttraumatische stressstoornis. Op grond van de bevindingen van de deskundige heeft de verzekeringsarts bezwaar en beroep aanleiding gezien tot bijstelling van de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML). Naar aanleiding van de aangepaste FMLvan 7 oktober 2013 heeft de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep de eerder geselecteerde functies opnieuw bezien en in een rapport van 7 oktober 2013 vermeld dat vier van de vijf geselecteerde functies gehandhaafd blijven en de mate van arbeidsongeschiktheid per 25 september 2009 ongewijzigd minder dan 35% bedraagt.


2.2.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep gegrond verklaard, het bestreden besluit vernietigd, maar de rechtsgevolgen ervan geheel in stand gelaten.


3.1.

In hoger beroep heeft appellant herhaald dat hij om medische redenen niet in staat is de hem voorgehouden functies te vervullen. Appellant heeft aangevoerd dat het Uwv in de FML van 7 oktober 2013 voorbij is gegaan aan de conclusies van Van Eck. Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat uit het rapport van Van Eck volgt dat hij productiefuncties niet geschikt acht, vanwege de overprikkeling die daarbij bij appellant zal ontstaan.


3.2.

Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

In vaste rechtspraak van de Raad ligt besloten dat de Raad het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige pleegt te volgen. Evenals de rechtbank is de Raad niet gebleken van feiten of omstandigheden op grond waarvan het aangewezen voorkomt in dit geval van dat uitgangspunt af te wijken.


4.2.

Volgens de deskundige Van Eck is appellant belastbaar conform de op 1 juni 2010 door de verzekeringsarts opgestelde FML. Evenwel acht Van Eck ook beperkingen aanwezig op de items 1.9.4. (geen afleiding door activiteiten van anderen), 1.9.8. (aangewezen op werk waarin geen hoog handelingstempo vereist is) en 2.12.5 (aangewezen op werk dat geen leidinggevende aspecten bevat).


4.3.

De Raad is van oordeel dat de FML van 1 juni 2010 overeenkomstig de onder 4.2 genoemde bevindingen had moeten worden aangepast. Appellant wordt dan ook niet gevolgd in zijn standpunt dat hij niet mag worden blootgesteld aan geluids- en trillingsbelasting nu in het rapport van Van Eck geen aanknopingspunten te vinden zijn voor een dergelijke beperking. In het deskundigenrapport worden evenmin aanknopingspunten gezien die de stelling van appellant dat hij in het geheel niet geschikt zou zijn voor productiefuncties, ondersteunen.


4.4.

De Raad stelt vast dat de aangepaste FML van 7 oktober 2013 correspondeert met de bevindingen van Van Eck ten aanzien van de beperkingen van appellant op de items 1.9.4. en 2.12.5. De verzekeringsarts bezwaar en beroep heeft echter in de FML van 7 oktober 2013 een nuancering aangebracht bij de beperking op item 1.9.8. (hoog handelingstempo) met de bij dit item gegeven toelichting “Niet in motorische zin, dus geen consequentie voor productiefuncties”. De Raad is van oordeel dat het Uwv niet overtuigend heeft gemotiveerd waarom met deze nuancering recht is gedaan aan de conclusie van Van Eck dat appellant is aangewezen op werk waarin geen hoog handelingstempo vereist is als gevolg van een gebrek aan aandrift. Mede in het licht van de overweging van Van Eck over aandriftverlies en zijn verwijzing naar de toelichting bij item 1.9.8 van de FML in de ‘Basisinformatie CBBS’ betreffende depressie en aandriftverlies dient ervan uitgegaan te worden dat door appellant in werk geen hoog handelingstempo kan worden gerealiseerd.


4.5.

De medische geschiktheid van de voorgehouden functies van productiemedewerker (SBC-code 111174) en samensteller kunststof (SBC-code 271130) is afdoende gemotiveerd. Daarentegen wordt, onder verwijzing naar overweging 4.4, geoordeeld dat met de in beroep en in hoger beroep overgelegde rapporten van de arbeidsdeskundige bezwaar en beroep niet in voldoende mate is aangetoond dat in de functies van samensteller metaalwaren (SBC-code 264140) en inpakker (SBC-code 111190) de voor appellant vastgestelde belastbaarheid, met inachtneming van de op grond van het rapport van Van Eck aanvaarde beperkingen voor werk waarin een hoog handelingstempo vereist is, niet wordt overschreden. Dit betekent dat het bij het bestreden besluit gehandhaafde standpunt dat appellant per 25 september 2009 niet in aanmerking wordt gebracht voor een Wet WIA-uitkering een toereikende motivering ontbeert.


4.6.

De Raad kan niet zelf in de zaak voorzien omdat voor de bepaling van een eventueel recht op een WIA-uitkering gegevens nodig zijn waar de Raad niet over beschikt. Het Uwv zal daarom een nieuwe beoordeling van de mate van arbeidsongeschiktheid en het daarmee eventueel samenhangende recht op een WIA-uitkering per 25 september 2009 dienen te verrichten. Het Uwv zal met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht worden opgedragen om met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep draagt het Uwv op om binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van hetgeen de Raad in deze uitspraak heeft overwogen.



Deze uitspraak is gedaan door A.I. van der Kris als voorzitter en E.W. Akkerman en

D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van B. Fotchind als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2015.




(getekend) A.I. van der Kris




(getekend) B. Fotchind




NK