Centrale Raad van Beroep, 25-02-2015 / CRvB 13-6639 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:555

Inhoudsindicatie
Intrekking bijstand en afwijzing bijstandsaanvraag. Vermogen. Inhoud van gehuurd safeloket. De Raad oordeelt dat betrokkene over het safeloket en de inhoud daarvan kon beschikken en dat het vermogen dat zich daarin bevond tot haar vermogen moet worden gerekend. Daartoe is van belang dat de huurovereenkomst van het safeloket op naam van betrokkene stond en aan haar bankrekening was gekoppeld. Betrokkene betaalde de Rabobank ook de huur voor het safeloket.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-25
Publicatiedatum
2015-02-26
Zaaknummer
CRvB 13-6639 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht


Wetsverwijzing

Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
  • USZ 2015/97
Uitspraak

13/6639 WWB, 13/6641 WWB

Datum uitspraak: 24 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

15 november 2013, 13/790 en 13/3221 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (appellant)

[betrokkene] te [woonplaats] (betrokkene)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.

Namens betrokkene heeft mr. M.J.J. Smeets, advocaat, een verweerschrift en nadere stukken ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 13 januari 2015. Appellant is, met bericht, niet verschenen. Betrokkene is samen met haar echtgenoot verschenen, bijgestaan door

mr. Smeets.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Betrokkene is sinds 21 juli 1989 gehuwd met [X.] ([X.]). Nadat [X.] naar Curaçao was vertrokken heeft betrokkene bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) aangevraagd. Bij besluit van 16 november 2011 heeft appellant betrokkene met ingang van 30 augustus 2011 bijstand toegekend ingevolge de WWB, naar de norm voor een alleenstaande ouder.


1.2.

Omdat [X.] met ingang van 3 april 2012 weer bij betrokkene kwam wonen, heeft betrokkene een aanvraag ingediend om bijstand naar de norm voor gehuwden, met als ingangsdatum 3 april 2012 (aanvraag 1). Appellant heeft betrokkene in het kader van die aanvraag om inlichtingen verzocht. Uit de daarop door betrokkene verstrekte bankafschriften blijkt onder andere dat betrokkene sinds 1 januari 2011 een safeloket huurde bij de Rabobank. Uit nader onderzoek kwam verder naar voren dat [X.] tot en met 5 september 2011 een auto op zijn naam had staan, die door betrokkene voor € 15.000,- is verkocht, welk bedrag zij contant heeft ontvangen.


1.3.

Appellant heeft de bijstand van betrokkene naar de norm voor een alleenstaande met ingang van 3 april 2012 beëindigd omdat [X.] weer bij haar woonde. Op 11 mei 2012 en 15 juni 2012 heeft appellant betrokkene voorschotten toegekend tot een bedrag van in totaal

€ 1.900,-.


1.4.

In het kader van het onderzoek naar aanvraag 1 heeft op 3 juli 2012 een gesprek met betrokkene en [X.] plaatsgevonden. Tijdens dat gesprek heeft betrokkene medegedeeld dat het safeloket op haar naam staat omdat dit loket is gekoppeld aan haar bankrekening, maar dat de inhoud daarvan van haar dochter is. Blijkens de door betrokkene en [X.] ondertekende verklaring van die datum, wilden zij geen medewerking verlenen aan een onderzoek naar de inhoud van het safeloket, omdat de inhoud van het safeloket niet aan hen toebehoort en zij niet beschikken over een sleutel van het loket.


1.5.

Bij besluit van 11 juli 2012 (besluit 1) heeft appellant aanvraag 1 afgewezen. Bij besluit van 17 juli 2012 (besluit 2) heeft appellant - zo begrijpt de Raad - de bijstand van betrokkene over de periode van 30 augustus 2011 tot en met 2 april 2012 ingetrokken. Bij besluit van 1 augustus 2012 (besluit 3) heeft appellant de in de periode van 30 augustus 2011 tot en met

2 april 2012 gemaakte kosten van bijstand van betrokkene teruggevorderd tot een bedrag van € 8.657,65. Bij besluit van 3 augustus 2012 (besluit 4) heeft appellant ook de uitbetaalde voorschotten tot een bedrag van € 1.900,- van betrokkene teruggevorderd.


1.6.

Betrokkene en [X.] hebben op 15 augustus 2012 wederom een aanvraag ingediend om bijstand naar de norm voor gehuwden (aanvraag 2). Appellant heeft aanvraag 2 bij besluit van 26 september 2012 (besluit 5) afgewezen. Appellant heeft het tegen besluit 5 gerichte bezwaar bij besluit van 21 januari 2013 (bestreden besluit 1) ongegrond verklaard. Appellant heeft daaraan ten grondslag gelegd dat de inhoud van het safeloket tot het vermogen van betrokkene moet worden gerekend. Zij heeft de op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden door daarvan bij appellant geen melding te maken. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld, omdat niet duidelijk is wat de inhoud van het safeloket is. Ook is volgens appellant niet aannemelijk geworden wat er met de opbrengst van de auto is gebeurd.


1.7.

Appellant heeft de tegen de besluiten 1 tot en met 4 gerichte bezwaren bij besluit van

16 april 2013 (bestreden besluit 2) ongegrond verklaard. Daaraan heeft appellant, voor zover hier van belang, ten grondslag gelegd dat betrokkene haar inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van de auto en het safeloket. Als gevolg daarvan kan het recht op bijstand niet worden vastgesteld.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank de beroepen van betrokkene tegen de bestreden besluiten 1 en 2 gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en appellant opgedragen nieuwe besluiten op bezwaar te nemen. De rechtbank heeft daartoe onder andere overwogen dat niet aannemelijk is dat de auto tot het vermogen van betrokkene behoorde en ook niet dat betrokkene de beschikking over het safeloket had.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep op de hierna te bespreken gronden tegen deze uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


Bestreden besluit 2


4.1.

De te beoordelen periode ziet wat de intrekking betreft op de periode van

30 augustus 2011 tot en met 2 april 2012 (te beoordelen periode 1) en wat de afwijzing van aanvraag 1 betreft op de periode van 3 april 2012 tot en met 11 juli 2012 (te beoordelen periode 2).


4.2.

Het besluit tot intrekking van bijstand is een voor de betrokkene belastend besluit, waarbij het aan het bijstandverlenend orgaan is om de nodige kennis over de relevante feiten te vergaren. Dat betekent dat de last om aannemelijk te maken dat aan de voorwaarden voor intrekking is voldaan in beginsel op het bijstandverlenend orgaan rust.


4.3.

Niet in geschil is dat betrokkene in de te beoordelen perioden een safeloket huurde en dat zich in het safeloket in ieder geval sieraden en contanten bevonden. Verder is niet in geschil dat betrokkene haar inlichtingenverplichting heeft geschonden door geen melding te maken van het safeloket. Schending van de inlichtingenverplichting levert een rechtsgrond op voor intrekking van de bijstand indien als gevolg daarvan niet kan worden vastgesteld of en, zo ja, in hoeverre de betrokkene verkeert in bijstandbehoevende omstandigheden. Het is daarom aan betrokkene om aannemelijk te maken dat zij, indien zij destijds wel aan de inlichtingenverplichting zou hebben voldaan, over de te beoordelen periode 1 recht op volledige dan wel aanvullende bijstand zou hebben gehad.


4.4.

Wat de afwijzing van aanvraag 1 betreft, geldt dat een aanvrager in het algemeen de feiten en omstandigheden aannemelijk moet maken die nopen tot inwilliging van die aanvraag. In dat kader dient de aanvrager de nodige duidelijkheid te verschaffen en volledige openheid van zaken te geven. Vervolgens is het aan het bijstandverlenend orgaan om in het kader van de onderzoeksplicht deze inlichtingen op juistheid en volledigheid te controleren. Indien de betrokkene niet aan de wettelijke inlichtingen- of medewerkingsverplichting voldoet, is dit een grond voor weigering van de bijstand indien als gevolg daarvan het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.


4.5.

Partijen houdt met betrekking tot zowel de in 4.3 als de in 4.4 bedoelde bewijslast verdeeld of betrokkene over (de inhoud van) het safeloket kon beschikken en daarmee over het antwoord op de vraag of betrokkene aannemelijk heeft gemaakt, dan wel voldoende duidelijkheid heeft verschaft ten aanzien van haar standpunt, dat de inhoud van het safeloket niet tot haar vermogen behoorde.


4.6.

De Raad is, anders dan de rechtbank en betrokkene, van oordeel dat betrokkene over het safeloket en de inhoud daarvan kon beschikken en dat het vermogen dat zich daarin bevond tot haar vermogen moet worden gerekend. Daartoe is van belang dat de huurovereenkomst van het safeloket op naam van betrokkene stond en aan haar bankrekening was gekoppeld. Betrokkene betaalde de Rabobank ook de huur voor het safeloket. De door betrokkene aan haar dochter verleende volmacht om het safeloket te openen en de inhoud geheel of gedeeltelijk tot zich te nemen en daarin zaken op te bergen, laat onverlet dat ervan moet worden uitgegaan dat ook betrokkene na het verlenen van de volmacht nog altijd over het safeloket en de inhoud daarvan kon beschikken. Zo heeft betrokkene ter zitting van de Raad bevestigd dat zij ook na het verlenen van de volmacht nog altijd toegang had tot het safeloket.


4.7.

De zich in het safeloket bevindende sieraden en contanten zijn bestanddelen van het vermogen van betrokkene waarover zij, gelet op 4.6, daadwerkelijk kon beschikken. Omdat op geen enkel moment is komen vast te staan wat de exacte inhoud van het safeloket is geweest, heeft appellant terecht het standpunt ingenomen dat zowel over de te beoordelen periode 1 als over de te beoordelen periode 2 het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld. De stelling van betrokkene dat zich in het safeloket € 3.000,- in contanten en sieraden met een verkoopwaarde van € 850,- bevonden, maakt dit niet anders. De door de dochter van betrokkene daarover afgelegde verklaring is niet verifieerbaar. Dat geldt ook voor de taxatie van de sieraden op 7 maart 2013, in die zin dat niet duidelijk is of deze sieraden zich in de te beoordelen perioden in het safeloket bevonden. Bovendien is daarmee niet verifieerbaar dat zich daarnaast in de hier te beoordelen perioden geen andere vermogensbestanddelen in het safeloket hebben bevonden.


4.8.

Omdat alleen al op grond van wat in 4.6 en 4.7 is overwogen het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld, behoeven de gronden die betrekking hebben op de auto en het verkoopbedrag van € 15.000,- geen bespreking meer.


4.9.

Uit 4.1 tot en met 4.8 volgt dat het hoger beroep slaagt voor zover dat bestreden besluit 2 betreft. Anders dan de rechtbank heeft geoordeeld, was appellant bevoegd de bijstand van betrokkene over de te beoordelen periode 1 in te trekken en heeft appellant aanvraag 1 terecht afgewezen. Dit houdt tevens in dat appellant bevoegd was de gemaakte kosten van bijstand en de uitbetaalde voorschotten bij besluit 3 en 4 terug te vorderen. In de door betrokkene genoemde financiële omstandigheden zijn geen dringende redenen gelegen op grond waarvan appellant, overeenkomstig zijn beleid ten aanzien van terugvordering, van gehele of gedeeltelijke terugvordering had moeten afzien.


4.10.

De aangevallen uitspraak zal worden vernietigd, voor zover dit bestreden besluit 2 betreft. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal de Raad het beroep van betrokkene tegen bestreden besluit 2 ongegrond verklaren.


Bestreden besluit 1


4.11.

Wat aanvraag 2 betreft ligt, gelet op wat ter zitting van de Raad is besproken, alleen nog ter beoordeling voor de periode van 15 augustus 2012, de datum aanvraag, tot en met

26 september 2012, de datum van besluit 5.


4.12.

Indien een eerdere aanvraag om periodieke bijstand is afgewezen en de betrokkene een nieuwe aanvraag indient gericht op het verkrijgen van bijstand met ingang van een later gelegen datum, ligt het op de weg van de aanvrager om aan te tonen dat sprake is van een wijziging van omstandigheden in die zin dat hij op dat latere tijdstip wel voldoet aan de voorwaarden voor het recht op bijstand.


4.13.

Betrokkene heeft als gewijzigde omstandigheid gewezen op het feit dat de huur van het safeloket met ingang van 12 juli 2012 is beëindigd. Daarmee heeft betrokkene echter niet aangetoond dat zij met ingang van 15 augustus 2012 wel voldoet aan de voorwaarden voor het recht op bijstand. Met het beëindigen van de huur van het safeloket is immers nog geen duidelijkheid verschaft over het vermogen dat zich daarin ook volgens betrokkene bevond. Ook is daarmee niet duidelijk geworden wat er met dat vermogen is gebeurd. Dit betekent dat betrokkene niet heeft aangetoond dat zij niet langer beschikte over het vermogen dat zich kort daarvoor nog in het safeloket bevond. Betrokkene heeft dan ook niet aangetoond dat in de te beoordelen periode sprake is geweest van een wijziging in de omstandigheden als bedoeld

in 4.12.


4.14.

Uit 4.12 en 4.13 volgt dat het college aanvraag 2 op goede gronden heeft afgewezen. De rechtbank heeft dat niet onderkend. De aangevallen uitspraak zal om die reden ook worden vernietigd voor zover dat bestreden besluit 1 betreft. Doende wat de rechtbank zou behoren te doen, zal ook het beroep tegen bestreden besluit 1 ongegrond worden verklaard.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.


BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep


- vernietigt de aangevallen uitspraak;

- verklaart de beroepen tegen de besluiten van 21 januari 2013 en 16 april 2013 ongegrond.



Deze uitspraak is gedaan door Y.J. Klik als voorzitter en P.W. van Straalen en G.M.G. Hink als leden, in tegenwoordigheid van C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 24 februari 2015.




(getekend) Y.J. Klik




(getekend) C.M.A.V. van Kleef




HD