Centrale Raad van Beroep, 26-02-2015 / 13-3938 AW


ECLI:NL:CRVB:2015:558

Inhoudsindicatie
Loonsuppletie. Sociaal Plan. Aan de verlening van loonsuppletie bij zijn indiensttreding bij de gemeente kon appellant niet de gerechtvaardigde verwachting ontlenen dat hij bij een verlaging van salaris tijdens zijn dienstverband bij die gemeente wederom in aanmerking zou kunnen komen voor loonsuppletie op grond van het Sociaal Plan.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-26
Publicatiedatum
2015-03-03
Zaaknummer
13-3938 AW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Ambtenarenrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

13/3938 AW

Datum uitspraak: 26 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Overijssel van 3 juli 2013, 12/1224 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 15 januari 2015. Appellant is verschenen. Het college heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P.J. Schaap, advocaat, en

M.E. Kragting.

OVERWEGINGEN

1.1.

Het college heeft appellant op zijn verzoek per 1 juni 2005 eervol ontslag verleend uit zijn functie van directeur Middelen. Tevens heeft het college op grond van het Sociaal Plan 2005-2007 (Sociaal Plan) appellant een loonsuppletie toegekend, omdat hij bij zijn nieuwe werkgever [werkgever] een lager bruto maandsalaris ontving dan bij de gemeente Haaksbergen.


1.2.

Per 1 oktober 2006 is appellant in dienst getreden van de gemeente [gemeente]. De loonsuppletie is voortgezet. Bij brief van 12 augustus 2008 heeft het college appellant laten weten dat hij vanaf 1 januari 2008 geen aanspraak meer kan maken op loonsuppletie omdat zijn salaris gelijk is aan het salaris dat hij van de gemeente Haaksbergen ontving.


1.3.

Op 14 juni 2012 heeft appellant het college verzocht hem per 1 mei 2013 opnieuw loonsuppletie toe te kennen, omdat hij bij een reorganisatie bij de gemeente [gemeente] in een lager gesalarieerde functie is benoemd.


1.4.

Bij besluit van 1 augustus 2012 heeft het college geweigerd appellant loonsuppletie toe te kennen, omdat volgens het college de regeling in het Sociaal Plan alleen voorziet in een recht op loonsuppletie wanneer een vertrekkende ambtenaar genoegen moet nemen met lagere inkomsten in een volgende arbeidsrelatie.


1.5.

Bij besluit van 6 december 2012 (bestreden besluit) heeft het college het bezwaar van appellant ongegrond verklaard. Daarbij heeft het college verwezen naar het advies van de bezwarencommissie personele aangelegenheden Haaksbergen (bezwarencommissie). Volgens de bezwarencommissie is de loonsuppletie bedoeld als afdekking van het risico dat de vertrekkende medewerker genoegen moet nemen met beduidend lagere inkomsten. Als het de bedoeling van sociale partners zou zijn geweest dat loonsuppletie zou kunnen worden uitgekeerd bij alle volgende werkgevers, is het volgens de bezwarencommissie redelijk te veronderstellen dat dat in de tekst van het Sociaal Plan duidelijk tot uiting zou zijn gebracht.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard.


3. Appellant heeft zich op de hierna te bespreken gronden tegen de aangevallen uitspraak gekeerd.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Artikel 10 van het Sociaal Plan bepaalt dat het college een loonsuppletie toekent indien de ambtenaar een functie van tenminste een gelijke betrekkingsomvang accepteert bij een andere werkgever. Deze loonsuppletie komt maximaal overeen met het netto verschil dat is gebaseerd op één salarisschaal lager ten opzichte van de salarisschaal (tot het maximum) van de huidige functie.


4.2.

Partijen verschillen erover van mening of uitsluitend aanspraak kan bestaan op loonsuppletie indien in de eerstvolgende functie na het dienstverband bij de gemeente Haaksbergen een lager salaris wordt ontvangen of dat ook aanspraak op loonsuppletie bestaat bij een lager salaris in enig later dienstverband.


4.3.

In de tekst van artikel 10 van het Sociaal Plan kunnen geen beslissende aanwijzingen worden gevonden voor een bepaalde uitleg, terwijl een toelichting op het Sociaal Plan ontbreekt. Dat in soortgelijke plannen bij andere bestuursorganen regelingen zijn getroffen die volgens appellant voorzien in de mogelijkheid van loonsuppletie bij meerdere opvolgende dienstverbanden, heeft voor de uitleg van artikel 10 van het Sociaal Plan geen betekenis. In de plannen waar appellant naar heeft verwezen, is sprake van anders geredigeerde bepalingen. Ook bevatten deze plannen, anders dan het Sociaal Plan, toelichtingen waarin de bedoeling van de betreffende regeling nader wordt geduid.


4.4.

De uitleg van artikel 10 van het Sociaal Plan die appellant bepleit, houdt in dat de ambtenaar op wie het Sociaal Plan van toepassing is en die zijn dienstverband bij de gemeente Haaksbergen heeft beëindigd, gedurende zijn beroepsleven aanspraak heeft op loonsuppletie wanneer hij op enig moment een lager salaris ontvangt dan bij de gemeente Haaksbergen het geval was. Daarmee zou het Sociaal Plan een zodanig verstrekkende faciliteit in het leven roepen dat verondersteld mag worden dat de bedoeling tot het in het leven roepen van die faciliteit expliciet in het Sociaal Plan tot uitdrukking zou zijn gebracht. Aangezien dat niet het geval is, dient artikel 10 van het Sociaal Plan naar het oordeel van de Raad zo te worden uitgelegd dat een aanspraak op loonsuppletie bestaat indien de ambtenaar vertrekt uit dienst bij de gemeente Haaksbergen om elders een dienstverband te gaan vervullen met een lager salaris dan bij de gemeente.


4.5.

Het college heeft zich dus op goede gronden op het standpunt gesteld dat appellant geen recht heeft op loonsuppletie op grond van het Sociaal Plan, omdat hij per 1 mei 2013 geen lager salaris is gaan ontvangen aansluitend aan zijn vertrek bij de gemeente Haaksbergen, maar vanwege een reorganisatie bij de gemeente [gemeente]. De door de Raad gegeven uitleg van artikel 10 van het Sociaal Plan brengt ook mee dat de loonsuppletie die appellant na zijn vertrek bij [werkgever] en indiensttreding bij de gemeente [gemeente] is toegekend, naar het college met juistheid naar voren heeft gebracht, achteraf bezien ten onrechte is verleend. Het college heeft eveneens terecht gewezen op de vaste rechtspraak van de Raad, inhoudende dat gemaakte fouten niet hoeven te worden herhaald (bijvoorbeeld de uitspraak van 28 december 2012, ECLI:NL:CRVB:2012:BY7671). Aan de verlening van loonsuppletie bij zijn indiensttreding bij de gemeente [gemeente] kon appellant dus niet de gerechtvaardigde verwachting ontlenen dat hij bij een verlaging van salaris tijdens zijn dienstverband bij die gemeente wederom in aanmerking zou kunnen komen voor loonsuppletie op grond van het Sociaal Plan.


4.6.

Het hoger beroep slaagt dan ook niet en de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

BESLISSING

De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door B.J. van de Griend als voorzitter en M.T. Boerlage en W.J.A.M. van Brussel als leden, in tegenwoordigheid van S.W. Munneke als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 26 februari 2015.




(getekend) B.J. van de Griend




(getekend) S.W. Munneke




HD