Centrale Raad van Beroep, 20-01-2015 / 13-3116 WWB


ECLI:NL:CRVB:2015:56

Inhoudsindicatie
Afwijzing verzoek om kwijtschelding. Appellant voldoet niet aan de in de Beleidsregels inkomensvoorziening WWB, IOAW, IOAZ en WWIK, neergelegde voorwaarden, zodat artikel 6.3, zevende lid, van de beleidsregels aan kwijtschelding in de weg staat.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-01-20
Publicatiedatum
2015-01-21
Zaaknummer
13-3116 WWB
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/3116 WWB

Datum uitspraak: 20 januari 2015

Centrale Raad van Beroep

Enkelvoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van

10 mei 2013, 12/6438 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

het college van burgemeester en wethouders van Amsterdam (college)

PROCESVERLOOP

Appellant heeft hoger beroep ingesteld.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 november 2014. Appellant is, daartoe opgeroepen, verschenen. Het college, daartoe opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door S.S. Kisoentewari.

OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.


1.1.

Bij besluit van 3 mei 2004 heeft het college appellant bijzondere bijstand toegekend in de vorm van een geldlening voor het saneren van een schuld tot een bedrag van € 3.646,93.


1.2.

Bij besluit van 12 mei 2004 heeft het college appellant bijzondere bijstand toegekend in de vorm van een geldlening voor het betalen van inrichtingskosten tot een bedrag van

€ 2.465,50.


1.3.

Bij besluit van 28 september 2005 heeft het college een bedrag van € 5.921,82 van appellant teruggevorderd en een betaalverplichting opgelegd van

€ 113,- per maand. Dit besluit is gebaseerd op de overweging dat appellant sinds mei 2005 zijn verplichting tot aflossing van de toegekende leningen niet nakomt.


1.4.

Op 12 november 2008 heeft het college beslag laten leggen op de uitkering die appellant ontving van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv) ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO). Hierdoor werd met ingang van

1 december 2008 € 179,81 per vier weken aan het college afgedragen en per 1 januari 2009 een bedrag van € 100,- per maand.


1.5.

Appellant heeft bij brief van 24 september 2012 het college verzocht om kwijtschelding van de restschuld dan wel de inning van de vordering te staken.


1.6.

Bij besluit van 9 oktober 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van

29 november 2012 (bestreden besluit), heeft het college het verzoek om kwijtschelding afgewezen op de grond dat appellant niet voldoet aan de criteria zoals vastgelegd in het gemeentelijk beleid. Dit beleid houdt in dat geen gebruik wordt gemaakt van de mogelijkheid af te zien van verdere terugvordering als het college gedwongen is de openstaande vordering te innen door middel van beslag of (vereenvoudigd) derdenbeslag. Volgens het college zijn er voorts geen dringende redenen op grond waarvan het college van verdere terugvordering af zou moeten zien.


2. Bij de aangevallen uitspraak, voor zover van belang, heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat het college overeenkomstig zijn beleid heeft gehandeld en dat er geen dringende redenen zijn om van verdere terugvordering af te zien. In overweging 3.6 heeft de rechtbank voorts het volgende overwogen, waarbij voor eiser appellant en voor verweerder het college moet worden gelezen:

“De rechtbank hecht er overigens waarde aan te vermelden dat de gemachtigde van verweerder ter zitting heeft toegezegd dat er op korte termijn een nieuwe draagkrachtberekening zal worden gemaakt. Indien nodig zal de beslagvrije voet worden aangepast. Verweerder zal ook onderzoeken of eiser recht heeft op aanvullende bijstand, nu is gebleken dat eisers echtgenote sinds enkele maanden geen eigen inkomen meer geniet. De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting verder nog gesuggereerd dat het derdenbeslag op zijn WAO-uitkering opgeheven kan worden, als eiser een nieuwe minnelijke betalingsregeling met verweerder treft. Indien eiser een dergelijke betalingsregeling vervolgens drie jaar stipt nakomt, kan hij verweerder alsnog om kwijtschelding van het restant van de vordering verzoeken. Een andere mogelijkheid tot kwijtschelding is als eiser in één keer de helft van de vordering voldoet, aldus verweerder”.


3. Appellant heeft zich in hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Samengevat stelt hij zich op het standpunt dat de rechtbank onvoldoende rekening heeft gehouden met de slechte gezondheidssituatie van hemzelf en zijn echtgenote en met de omstandigheid dat appellant heel moeilijk rond kan komen van een gekorte uitkering. Appellant heeft voorts gewezen op rechtsoverweging 3.6. van de aangevallen uitspraak.Vanwege deze overweging heeft appellant contact opgenomen met de Dienst Werk en Inkomen (DWI) en verzocht de beslaglegging op te heffen en een nieuwe betalingsregeling van € 50,- per maand te treffen. Volgens appellant is DWI niet op zijn verzoek ingegaan.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

Ingevolge artikel 58 van de Wet werk en bijstand (WWB) kunnen ten onrechte gemaakte kosten van bijstand worden teruggevorderd. De bevoegdheid om geheel of gedeeltelijk af te zien van verdere terugvordering (lees: invordering) moet hierin besloten worden geacht.


4.2.

Ter invulling van deze bevoegdheid heeft het college beleidsregels vastgesteld. Ingevolge artikel 6.3, zevende lid, van de Beleidsregels inkomensvoorziening WWB, IOAW, IOAZ en WWIK (beleidsregels) vindt - voor zover hier van belang - kwijtschelding niet plaats indien de vordering door middel van beslag of (vereenvoudigd) derdenbeslag wordt ingevorderd.


4.3.

Vaststaat dat het college beslag heeft laten leggen op de uitkering die appellant van het Uwv ontving. Hiermee staat dan ook vast dat appellant niet voldoet aan de in de beleidsregels neergelegde voorwaarden, zodat artikel 6.3, zevende lid, van de beleidsregels aan kwijtschelding in de weg staat.


4.4.

Wat appellant heeft aangevoerd over zijn gezondheids- en financiële situatie levert geen dringende redenen op om van verdere invordering af te zien zoals bedoeld in artikel 6.3, tweede lid aanhef en onder f, van de beleidsregels. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank en de overwegingen waarop dat oordeel berust. Ook levert het in hoger beroep aangevoerde voor het college geen bijzondere omstandigheden op om met toepassing van artikel 4:84 (slot) van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van de beleidsregels af te wijken. Daarbij is van belang dat appellant de bescherming in kan roepen van de regels inzake de beslagvrije voet en hij dus steeds de beschikking zal houden over een inkomen ter hoogte van 90% van de toepasselijke bijstandsnorm.


4.5.

Overweging 3.6 van de aangevallen uitspraak moet worden aangemerkt als een niet bindende overweging ten overvloede die niet kan leiden tot vernietiging van de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit. Wel is ter zitting van de kant van het college toegegeven dat niet adequaat is gereageerd op het verzoek van appellant.


4.6.

Uit wat in 4.3 tot en met 4.5 is overwogen volgt dat het hoger beroep niet slaagt. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.


5. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van

C.M.A.V. van Kleef als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op

20 januari 2015.




(getekend) A.B.J. van der Ham




(getekend) C.M.A.V. van Kleef






MK