Centrale Raad van Beroep, 25-02-2015 / 13-4639 WW


ECLI:NL:CRVB:2015:579

Inhoudsindicatie
WW-uitkering blijvend geheel geweigerd. Verwijtbaar werkloos. Dringende reden voor ontslag. Niet gebleken dat appellant op zo ziek was, dat hij niet in staat was om gevolg te geven aan de sommatie van de werkgeefster om te verschijnen voor een gesprek. Het gedrag van appellant is terecht aangemerkt als een dringende reden voor ontslag. Niet gebleken dat appellant van zijn gedrag geen verwijt is te maken.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-25
Publicatiedatum
2015-03-03
Zaaknummer
13-4639 WW
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Uitspraak

13/4639 WW

Datum uitspraak: 25 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank Midden-Nederland (rechtbank) van 22 juli 2013, 13/3060 en 13/3533

(aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellant] te [woonplaats] (appellant)

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv)

PROCESVERLOOP

Namens appellant heeft mr. I. Rhodes, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 14 januari 2015. Appellant is verschenen bijgestaan door mr. Rhodes. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door

mr. M.J. van Steenwijk. Op verzoek van appellant zijn [getuige 1] en [getuige 2] als getuigen gehoord.

OVERWEGINGEN

1.1.

Appellant was laatstelijk werkzaam als leerling autoschadehersteller bij [BV] (werkgeefster). De werkgeefster heeft appellant op 27 februari 2013 op staande voet ontslagen wegens dringende redenen, te weten werkweigering, c.q. het niet opvolgen van redelijke instructies, onder de ontbindende voorwaarde dat de arbo-arts alsnog constateert dat appellant op 27 februari 2013 arbeidsongeschikt zou zijn. Appellant heeft het ontslag niet aangevochten.


1.2.

Appellant heeft bij het Uwv een aanvraag om een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (WW) ingediend. Bij besluit van 25 maart 2013 heeft het Uwv die uitkering blijvend geheel geweigerd op de grond dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden en had kunnen weten dat zijn gedrag een dringende reden voor ontslag was. Bij besluit van 12 juli 2013 (bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant tegen het besluit van 25 maart 2013 ongegrond verklaard.


2. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het bestreden besluit bij de aangevallen uitspraak ongegrond verklaard en een verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. Naar het oordeel van de rechtbank is het Uwv op goede gronden tot de conclusie gekomen dat appellant verwijtbaar werkloos is geworden, zodat hij terecht geen WW-uitkering aan appellant heeft toegekend.


3.1.

Appellant heeft in hoger beroep de gang van zaken voorafgaand aan het ontslag toegelicht en betwist dat sprake is geweest van een dringende reden voor ontslag. Volgens appellant voelde hij zich op donderdag 21 februari 2013 al niet lekker, hetgeen hij kenbaar heeft gemaakt aan zijn leidinggevende met een verzoek om een vrije dag op 22 februari 2013, welk verzoek niet is ingewilligd. Op vrijdag 22 februari 2013 heeft appellant zich naar zijn zeggen telefonisch ziek gemeld bij zijn leidinggevende. In verband met griep was hij ook op maandag 25 en dinsdag 26 februari 2013 niet in staat om te werken, noch om op woensdag

27 februari gehoor te geven aan de oproep van de werkgeefster om zich om 9.00 uur te melden voor een gesprek.


3.2.

Het Uwv heeft zijn in het bestreden besluit neergelegde standpunt gehandhaafd en bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.1.

Op grond van artikel 24, eerste lid, aanhef en onder a, van de WW is een werknemer verplicht te voorkomen dat hij verwijtbaar werkloos wordt.


4.1.2.

In artikel 24, tweede lid, aanhef en onder a, van de WW is bepaald dat de werknemer verwijtbaar werkloos is geworden indien aan de werkloosheid een dringende reden ten grondslag ligt in de zin van artikel 678 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek en de werknemer terzake een verwijt kan worden gemaakt.


4.1.3.

In artikel 27, eerste lid, van de WW is bepaald dat het Uwv ter zake van het niet nakomen door de werknemer van de verplichting als bedoeld in artikel 24, eerste lid, onderdeel a, de uitkering blijvend geheel weigert, tenzij het niet nakomen van de verplichting de werknemer niet in overwegende mate kan worden verweten.


4.2.1.

Voor de beantwoording van de vraag of aan de werkloosheid van appellant een arbeidsrechtelijke dringende reden ten grondslag lag moet worden beoordeeld of de reden die de werkgeefster aan het ontslag ten grondslag heeft gelegd is aan te merken als een objectieve dringende reden en of deze in de gegeven situatie ook subjectief een dringende reden vormde. Tussen partijen is uitsluitend in geschil of er een objectief dringende reden tot ontslag was.


4.2.2.

De werkgeefster heeft in de ontslagbrief van 27 februari 2013 als dringende reden genoemd dat appellant zich schuldig heeft gemaakt aan werkweigering, c.q. het niet opvolgen van redelijke instructies. Deze bestond erin dat appellant op 27 februari 2013 niet is verschenen om zijn werkzaamheden te hervatten en een gesprek met de vestigingsmanager aan te gaan ondanks een schriftelijke officiële waarschuwing van 26 februari 2013 wegens het ongeoorloofd afwezig zijn op 22, 25 en 26 februari 2013 en een sommatie om op

27 februari 2013 om 9.00 uur te verschijnen voor een gesprek met de vestigingsmanager, onder de uitdrukkelijke waarschuwing dat ontslag op staande voet zou volgen indien appellant niet zou verschijnen. De werkgeefster heeft verder gesteld dat van een ziekmelding niet is gebleken en dat de ziekmelding van appellant daarom niet wordt geaccepteerd. Daaraan is toegevoegd dat appellant niettemin zal worden opgeroepen door de arbo-arts en dat het ontslag op staande voet wegens dringende redenen wordt gegeven onder de ontbindende voorwaarde dat de arbo-arts alsnog constateert dat appellant op 27 februari 2013 arbeidsongeschikt zou zijn.


4.2.3.

Appellant heeft een andere, in 3.1 weergegeven lezing van de gebeurtenissen vanaf donderdag 21 februari 2013. De ter zitting gehoorde getuigen hebben bevestigd dat appellant ziek was en niet in staat was om te werken, noch om gehoor te geven aan de sommatie van de werkgeefster om op 27 februari om 9.00 uur te verschijnen voor een gesprek. Op grond van de stukken is echter niet vast komen te staan dat appellant zich op 21, 22 of 25 februari 2013 heeft ziek gemeld bij de werkgeefster. Wel heeft appellant op 26 februari een sms-bericht gestuurd waarin hij melding maakte van ziekte. Verder heeft appellant uiteenlopende mededelingen gedaan over het verloop van zijn ziekte. Zo heeft hij ter zitting van de voorzieningenrechter van de Raad op 18 oktober 2013 verklaard dat hij op 26 februari 2013 op straat, op weg naar zijn moeder om medicijnen op te halen, de koerier tegenkwam die hem de brief van de werkgeefster van 26 februari 2013 kwam overhandigen, terwijl hij op de zitting van 14 januari 2015 heeft verklaard dat hij niet naar zijn moeder ging om medicijnen op te halen, maar om bij haar te gaan eten. Appellant heeft verder geen deugdelijke verklaring gegeven voor het feit dat hij op 27 februari 2013 heeft nagelaten de werkgeefster ervan op de hoogte te stellen dat hij niet in staat was om te verschijnen. Dat hij geen beltegoed meer had is mogelijk, maar dat neemt niet weg dat appellant op andere wijze de werkgeefster had kunnen (laten) informeren. Ter zitting heeft appellant verklaard dat het niet ziekte was die hem verhinderde om op 27 februari 2013 contact met de werkgever op te nemen, maar het ontbreken van beltegoed. Ten slotte heeft de arbo-arts op 28 februari 2013 geconstateerd dat appellant toen niet ziek was. Appellant heeft dat erkend. Dit alles leidt tot de conclusie dat niet is gebleken dat appellant op 27 februari 2013 zo ziek was, dat hij niet in staat was om gevolg te geven aan de sommatie van de werkgeefster om te verschijnen voor een gesprek. Het gedrag van appellant is terecht aangemerkt als een dringende reden voor ontslag.


4.2.4.

Nu niet is gebleken dat appellant van zijn gedrag geen verwijt is te maken heeft het Uwv de WW-uitkering terecht geweigerd. Het hoger beroep slaagt niet. Dit betekent dat de aangevallen uitspraak zal worden bevestigd, voor zover aangevochten.


5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.



BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.


Deze uitspraak is gedaan door H.G. Rottier als voorzitter en B.M. van Dun en

F.M.S. Requisizione als leden, in tegenwoordigheid van I. Mehagnoul als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 25 februari 2015.




(getekend) H.G. Rottier




(getekend) I. Mehagnoul



GdJ