Centrale Raad van Beroep, 11-02-2015 / 13-1448 AWBZ


ECLI:NL:CRVB:2015:583

Inhoudsindicatie
Appellante heeft het CAK verzocht om kwijtschelding van € 13.347,35 van de eigen bijdragen voor 2007 tot en met 2012, verschuldigd in verband met haar verblijf in een AWBZ-zorginstelling. Het verzoek is afgewezen. De Raad verwijst naar zijn uitspraak waarbij hij een beoordelingskader heeft gegeven (ECLI:NL:CRVB:2014:3671). Voor de situatie van na 1 juli 2009 is het rechtsgevolg van een besluit tot vaststelling van een eigen bijdrage, als bedoeld in het Bijdragebesluit zorg, dat de verzekerde gehouden is de in dat besluit vastgestelde eigen bijdrage te betalen. De vastgestelde eigen bijdrage is daarom een geldschuld als bedoeld in artikel 4:85, eerste lid, van de Awb. De bepalingen van titel 4.4 van de Awb zijn daarop van toepassing, tenzij daarvan bij of krachtens wettelijk voorschrift is afgeweken. Titel 4.4 van de Awb voorziet niet in een bevoegdheid tot kwijtschelding. Een geldschuld kan dwingend zijn vastgesteld, zonder wettelijke mogelijkheid tot afwijking, dan wel op grond van een discretionaire bevoegdheid. In deze situatie deels dwingend vastgesteld, deels discretionair (herziening). Niet gezegd kan worden dat het CAK niet in redelijkheid het verzoek om kwijtschelding heeft kunnen afwijzen. Het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel slaagt niet.
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Uitspraakdatum
2015-02-11
Publicatiedatum
2015-03-03
Zaaknummer
13-1448 AWBZ
Procedure
Hoger beroep
Rechtsgebied
Bestuursrecht; Socialezekerheidsrecht



Vindplaatsen
Uitspraak

13/1448 AWBZ

Datum uitspraak: 11 februari 2015

Centrale Raad van Beroep

Meervoudige kamer

Uitspraak op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Oost-Brabant van

4 februari 2013, 12/3530 (aangevallen uitspraak)

Partijen:

[appellante] te [woonplaats] (appellante)

CAK



PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft [naam], echtgenoot en mentor van appellante, hoger beroep ingesteld en nadere stukken ingediend.


CAK heeft een verweerschrift en nadere stukken ingediend.


Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 16 juli 2014. Appellante en haar gemachtigde zijn met bericht niet verschenen. CAK heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.A.H. Gatzen.



OVERWEGINGEN


1. De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.


1.1.

Appellante verblijft in een zorginstelling. In verband met dit verblijf is appellante een eigen bijdrage verschuldigd op grond van het bepaalde bij en krachtens de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ).


1.2.

Bij besluit van 10 maart 2010 heeft CAK de herziene eigen bijdrage voor het jaar 2007 voor appellante vastgesteld op € 479,06 per maand.


1.3.

Bij beslissing op bezwaar van 17 maart 2010 heeft CAK de herziene eigen bijdrage voor het jaar 2008 voor appellante vastgesteld op € 514,32 per maand.


1.4.

Bij beslissing op bezwaar van 24 februari 2010 heeft CAK de eigen bijdrage voor het jaar 2009 voor appellante vastgesteld op € 454,32 per maand.


1.5.

Bij besluit van 21 januari 2010 heeft CAK de eigen bijdrage voor het jaar 2010 voor appellante vastgesteld op € 548,79 per maand.


1.6.

Bij besluit van 3 januari 2011 heeft CAK de eigen bijdrage voor het jaar 2011 voor appellante vastgesteld op € 474,05 per maand.


1.7.

Bij besluit van 10 januari 2012 heeft CAK de eigen bijdrage voor het jaar 2012 voor appellante vastgesteld op € 433,26 per maand.


1.8.

Bij brief van 21 maart 2012 heeft appellante CAK verzocht om kwijtschelding van

€ 13.347,35 van de eigen bijdragen voor 2007 tot en met 2012.


1.9.

Bij besluit van 18 mei 2012, na bezwaar gehandhaafd bij besluit van 23 oktober 2012 (bestreden besluit), heeft CAK het verzoek om kwijtschelding afgewezen. CAK heeft zich hierbij op het standpunt gesteld dat een vastgestelde eigen bijdrage in beginsel geheel wordt ingevorderd, omdat het om gelden gaat waarmee de AWBZ-zorg betaalbaar wordt gehouden. Ook zou het niet invorderen van de eigen bijdrage leiden tot rechtsongelijkheid ten opzichte van betrokkenen in vergelijkbare situaties. CAK heeft verder in hetgeen appellante in bezwaar heeft aangevoerd geen aanleiding gezien om het verzoek om kwijtschelding in te willigen.


2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft, voor zover van belang, overwogen dat CAK niet bevoegd is om te besluiten over de verschuldigdheid van de eigen bijdrage en dat CAK daarmee ook niet bevoegd is te besluiten over de verlaging of kwijtschelding van de eigen bijdrage in verband met de kwaliteit van de geleverde zorg. De rechtbank heeft in het verrichten van administratieve inspanningen door (de echtgenoot van) appellante in verband met de besluitvorming over de eigen bijdragen geen bijzondere omstandigheid gezien die maakt dat tot kwijtschelding zou moeten worden overgegaan. Ten slotte is het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel afgewezen.


3. Appellante heeft zich gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd en zich op het standpunt gesteld dat CAK ten onrechte het verzoek om kwijtschelding heeft afgewezen. Appellante heeft in dit kader aangevoerd dat zij geen adequate zorg heeft ontvangen en dat CAK hiervan op de hoogte is. Verder verloopt de communicatie met CAK moeizaam en heeft CAK de vordering overgedragen aan incassobureau Bazuin & Partners zonder appellante hiervan op de hoogte te stellen. Ook heeft CAK niet willen meewerken aan een mediationtraject. Voorts heeft een medewerker van CAK telefonisch toegezegd dat kwijting van de vordering zou worden verleend.


4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.


4.1.

De Raad heeft op 10 december 2014 een uitspraak gedaan waarbij hij een beoordelingskader heeft gegeven voor gevallen waarbij een verzoek om kwijtschelding van de eigen bijdrage is afgewezen (ECLI:NL:CRVB:2014:3671). Voor de beoordeling van een dergelijk besluit heeft de Raad een onderscheid gemaakt tussen de situatie waarbij een eigen bijdrage is vastgesteld vóór de inwerkingtreding van de Vierde tranche van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op 1 juli 2009 en de situatie waarbij een eigen bijdrage op of na die datum is vastgesteld. Voor laatstgenoemde situatie geldt het volgende.


4.2.

Het rechtsgevolg van een besluit tot vaststelling van een eigen bijdrage, als bedoeld in het Bijdragebesluit zorg, is dat de verzekerde gehouden is de in dat besluit vastgestelde eigen bijdrage te betalen. De vastgestelde eigen bijdrage is daarom een geldschuld als bedoeld in artikel 4:85, eerste lid, van de Awb. De bepalingen van titel 4.4 van de Awb zijn daarop van toepassing, tenzij daarvan bij of krachtens wettelijk voorschrift is afgeweken. In titel 4.4 van de Awb noch op grond van het bepaalde bij of krachtens de AWBZ is voorzien in de bevoegdheid om een geldschuld in de vorm van een vastgestelde eigen bijdrage geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden, zodat een daartoe strekkend besluit hierop niet kan worden gebaseerd. Met betrekking tot de vraag of een dergelijk besluit op een andere grondslag kan worden gebaseerd, heeft de Raad als volgt overwogen. Een geldschuld kan dwingend zijn vastgesteld, zonder wettelijke mogelijkheid tot afwijking, dan wel op grond van een discretionaire bevoegdheid. In het laatste geval wordt aangenomen dat de bevoegdheid tot vaststelling van de geldschuld de bevoegdheid tot gehele of gedeeltelijke kwijtschelding insluit. Als de geldschuld voortvloeit uit het besluit om de eerder vastgestelde eigen bijdrage met terugwerkende kracht te herzien, komt CAK, omdat het daarbij om de toepassing van een discretionaire bevoegdheid gaat, ook de bevoegdheid toe om de daaruit voortvloeiende geldschuld in de vorm van een eigen bijdrage geheel of gedeeltelijk kwijt te schelden. Het is aan een betrokkene om te stellen en te onderbouwen welke omstandigheden aanleiding zouden moeten geven om een verzoek tot kwijtschelding te honoreren.


4.3.

Voor deze zaak betekent dit het volgende. De besluiten waarbij de eigen bijdragen voor de jaren 2007 tot en met 2012 voor appellante zijn vastgesteld en zoals weergegeven in overweging 1.2 tot en met 1.7, zijn alle genomen na 1 juli 2009. Appellante is niet opgekomen tegen deze besluiten, zodat zij de daaruit voortvloeiende betalingsverplichtingen dient na te komen. De totale geldschuld van appellante bedraagt € 15.513,65.Voor zover de geldschuld van appellante niet voortvloeit uit een besluit om de eerder vastgestelde eigen bijdrage met terugwerkende kracht te herzien - dit betreft de besluiten die betrekking hebben op de jaren 2009, 2010, 2011 en 2012 -, heeft CAK terecht het verzoek om kwijtschelding afgewezen nu CAK hiertoe geen bevoegdheid toekomt omdat deze eigen bijdragen dwingendrechtelijk zijn vastgesteld zonder wettelijke mogelijkheid tot afwijking. Voor zover de geldschuld van appellante voortvloeit uit een besluit om de eerder vastgestelde eigen bijdrage met terugwerkende kracht te herzien - dit betreft de besluiten die betrekking hebben op de jaren 2007 en 2008 -, is CAK wel bevoegd om te beslissen over kwijtschelding nu het hier gaat om de uitoefening van de discretionaire bevoegdheid tot herziening van de eigen bijdragen.


4.4.

CAK heeft met betrekking tot de afwijzing van het verzoek om kwijtschelding in het bestreden besluit mee laten wegen dat appellante redelijkerwijs had kunnen weten dat zij een eigen bijdrage verschuldigd is in verband met haar verblijf in een zorginstelling, zodat zij hiervoor had kunnen reserveren. Met betrekking tot de kwaliteit van de aan appellante geboden zorg heeft CAK overwogen dat het haar bekend is dat appellante en haar echtgenoot het niet eens zijn met het ten aanzien van appellante door de zorginstelling gevoerde medische beleid, maar dat niet is gebleken dat appellante geen zorg als bedoeld in de AWBZ zou hebben ontvangen.


4.5.

De Raad is van oordeel dat niet kan worden gezegd dat CAK niet in redelijkheid het verzoek om kwijtschelding heeft kunnen afwijzen. Ook hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd over de communicatie met CAK, de overdracht van de vordering aan Bazuin & Partners en de deelname aan mediation, leidt de Raad niet tot een ander oordeel. Voorts heeft CAK ter zitting toegelicht dat niet is gebleken dat een van de medewerkers een telefonische toezegging over kwijtschelding aan appellante of haar echtgenoot heeft gedaan, zodat het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel niet slaagt.


4.6.

Uit het voorgaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt. Hetgeen appellante verder nog heeft aangevoerd, behoeft geen verdere beoordeling. De aangevallen uitspraak zal worden bevestigd.


5. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.


BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.



Deze uitspraak is gedaan door A.J. Schaap als voorzitter en G. van Zeben-de Vries en

D.S. de Vries als leden, in tegenwoordigheid van M.P. Ketting als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 11 februari 2015.




(getekend) A.J. Schaap




(getekend) M.P. Ketting




NK